ECLI:NL:GHAMS:2025:3628

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
200.338.891/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ontslag bestuurders stichting ex art. 2:298 BW

In deze zaak gaat het om het ontslag van [appellant 1] en [appellant 2] als bestuurders van Stichting Sea Shepherd Global (SSG). De appellanten, die in Frankrijk wonen, zijn door de overige bestuursleden van SSG ontslagen. De rechtbank Amsterdam heeft in een eerdere procedure de ontslagbesluiten vernietigd, maar SSG c.s. hebben in hoger beroep verzocht om de appellanten op grond van artikel 2:298 lid 1 BW te ontslaan. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd, waarbij het oordeelt dat er sprake is van gewichtige redenen voor het ontslag. De appellanten hebben zich publiekelijk negatief uitgelaten over SSG en de overige bestuurders, wat heeft geleid tot een vertrouwensbreuk. Het hof concludeert dat de appellanten niet kunnen terugkeren als bestuurders, gezien hun uitlatingen en de ontstane situatie. De kosten van het geding in hoger beroep zijn voor rekening van de appellanten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.338.891/01
zaaknummer rechtbank : C/13/736296 / HA RK 23-224
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 december 2025
inzake

1.[appellant 1] ,

wonende te [plaats 1] , Frankrijk,
2.
[appellant 2],
wonende te [plaats 1] , Frankrijk,
appellanten,
advocaat: mr. F.D. Stibbe te Amsterdam,
tegen

1.STICHTING SEA SHEPHERD GLOBAL,

gevestigd te Amsterdam,
2.
[geïntimeerde 1],
wonende te [plaats 2] ,
3.
[geïntimeerde 2],
wonende te [plaats 3] ,
4.
[geïntimeerde 3],
wonende te [plaats 4] , Verenigde Staten van Amerika,
5.
[geïntimeerde 4],
wonende te [plaats 5] , Australië,
geïntimeerden,
advocaat: mr. M.J. Drop te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant 1] , [appellant 2] , SSG, [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] genoemd, appellanten samen ook [appellanten] en geïntimeerden samen ook SSG c.s.

1.De zaak in het kort

[appellant 1] en [appellant 2] waren bestuurders van SSG. Zij zijn door de andere vier bestuursleden – [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] – ontslagen. In een dagvaardingsprocedure, die gelijktijdig met deze verzoekschriftprocedure is behandeld, heeft de rechtbank Amsterdam de ontslagbesluiten vernietigd. Het hof oordeelt in het hoger beroep in die procedure, dat de ontslagbesluiten nietig zijn (zaaknummer 200.339.168).
SSG c.s. hebben in eerste aanleg verzocht om [appellant 1] en [appellant 2] – als de ontslagbesluiten nietig of vernietigbaar zijn – op grond van artikel 2:298 lid 1 BW te ontslaan als bestuurders van de stichting. De rechtbank heeft het verzoek toegewezen. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.
2. Het geding in hoger beroep
[appellanten] zijn bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 14 maart 2024, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de rechtbank Amsterdam op 20 december 2023 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven.
Op 25 juni 2024 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep, met producties, van SSG c.s. ontvangen.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 24 september 2025 laten toelichten. [appellanten] door mr. Stibbe en mr. M. te Stroet, advocaat te Amsterdam, en SSG c.s. door mr. Drop, allen aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Van de spreekaantekeningen van mrs. Stibbe en Te Stroet zijn de randnummers 4.6 – 4.8, 4.10. 4.12 – 4.14 en 5.1 – 5.2 niet voorgedragen. SSG c.s. hebben bij die gelegenheid producties 26 – 34 overgelegd.
Uitspraak is bepaald op vandaag.

3.Feiten

3.1.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder 2. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten dienen ook het hof tot uitgangspunt. Verder heeft het hof bij de feitenvaststelling voor zover van belang rekening gehouden met de grieven III, IV en VII van [appellanten] , die (mede) gericht zijn tegen de in eerste aanleg vastgestelde feiten. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
3.2.
In 1977 is de Sea Shepherd-beweging ontstaan, waarvan [appellant 1] de grondlegger is. De beweging stelt zich ten doel de onderwater ecosystemen te beschermen. Sindsdien zijn in verschillende landen nationale Sea Shepherd–stichtingen opgericht die voor dat doel samenwerken. Deze stichtingen werven fondsen en voeren campagnes met onder andere Sea Shepherd–schepen.
3.3.
SSG voert acties en campagnes buiten de Verenigde Staten van Amerika en is in 2013 met dat doel opgericht. SSG beheert een groot deel van de Sea Shepherd–schepen.
3.4.
[appellant 1] en [appellant 2] waren bestuurder van SSG. [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] waren in de relevante periode, en zijn nog steeds, bestuurder van SSG. [appellant 2] is daarnaast statutair bestuurder van SSF, de Franse stichting van de Sea Shepherd–beweging.
3.5.
In de statuten van SSG is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 6 – Bestuursbesluiten
(…)4. (…) Voor zover deze statuten geen grotere meerderheid voorschrijven worden bestuursbesluiten genomen met volstrekte meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen. (…)
Artikel 9 – Einde bestuurslidmaatschapHet bestuurslidmaatschap eindigt:(…)4. Indien er meer dan twee bestuurders in functie zijn, door ontslag door de gezamenlijke overige bestuurders;
3.6.
[appellant 1] was ook verbonden aan de Amerikaanse Sea Shepherd–stichting: Sea Shepherd Conservation Society (hierna: SSCS). Op een gegeven moment is een conflict ontstaan tussen [appellant 1] en SSCS. [appellant 1] heeft eind juli 2022 de banden met SSCS verbroken. Op 5 augustus 2022 heeft [appellant 1] de overige bestuursleden van SSG per Whatsapp gevraagd om een schenking of een lening van USD 150.000,- (“
for legal fees to fight SSCS”). [geïntimeerde 2] heeft dezelfde dag geantwoord dat SSG niet aan zijn verzoek kon voldoen.
3.7.
Op 9 augustus 2022 hebben [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] online (via Zoom) besloten tot het per direct ontslaan van [appellant 1] . Als reden voor het ontslag is in de notulen van de bestuursvergadering opgenomen dat SSG niet betrokken wil worden in het conflict tussen [appellant 1] en SSCS en dat het aanblijven van [appellant 1] als bestuurder een
conflict of interestoplevert. [appellant 1] en [appellant 2] waren niet uitgenodigd voor deze vergadering en waren niet aanwezig.
3.8.
[geïntimeerde 1] heeft [appellant 1] per e-mail van 2 september 2022 namens SSG geïnformeerd dat de meerderheid van het bestuur had besloten om hem als bestuurder te ontslaan. Op dezelfde dag heeft [appellant 1] bekend gemaakt dat hij “
will move forward in establishing my own organization to carry on the controversial and confrontational strategy of aggressive non-violence”. Deze organisatie is de Captain [appellant 1] Foundation (hierna: CPWF). Op 11 september 2022 heeft [appellant 1] op de website van CPWF gedeeld dat hij het ontslag niet zal aanvechten.
3.9.
Op 30 oktober 2022 hebben [appellant 1] en [appellant 2] een eigen (Franse) entiteit opgericht: Sea Shepherd Origins (hierna: SSO).
3.10.
In november 2022 heeft [appellant 1] in twee Facebook-berichten gevraagd om donaties voor CPWF, zodat hij een schip kan kopen om leven in de oceanen te beschermen. In één van die berichten staat dat hij CPWF op Facebook heeft aangemerkt als kerk, omdat sinds hij Sea Shepherd heeft verlaten, de liefdadigheidsstatus van CPWF op Facebook in behandeling is. Ook heeft [appellant 1] geschreven: “
(…) Last year I raised $40,000 for Sea Shepherd (…) fund-raiser. It would be nice to equal that amount again.”.
3.11.
Begin december 2022 heeft [appellant 1] op Facebook geschreven dat hij zich sinds zijn vertrek bij Sea Shepherd heeft ingespannen om een schip te verwerven om verder te kunnen met de missie van zijn eigen stichting.
3.12.
Op 13 december 2022 heeft [appellant 1] in een Facebook-bericht geschreven dat SSO een reactie is op een interne vijand, en dat hij samen met de Franse, Engelse en Braziliaanse Sea-Shepherd-stichtingen afscheid heeft genomen van SSG. [appellant 1] heeft andere Sea Shepherd-stichtingen opgeroepen om zich bij SSO aan te sluiten en het bericht afgesloten met: “
(…) Sea Shepherd Origins does not replace Sea Shepherd. Sea Shepherd Origins IS Sea Shepherd (…)
3.13.
Op 16 december 2022 heeft [appellant 2] op Facebook geschreven: “
Message to (…), chairman of Sea Shepherd US: [appellant 1] is not isolated anymore. That time is over. Take good note of that cause it’s gonna change everything.” Ook met haar Facebook-bericht van 20 december 2022 heeft [appellant 2] duidelijk gemaakt dat zij partij heeft gekozen voor [appellant 1] en zich keert tegen de voorzitter van SSCS.
3.14.
Op 23 januari 2023 hebben [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] tijdens een bestuursvergadering het besluit genomen om [appellant 2] per direct als bestuurslid van SSG te ontslaan. [appellant 2] en [appellant 1] waren niet bij de vergadering aanwezig.
3.15.
Op 17 februari 2023 heeft [appellant 2] een foto van [appellant 1] en Hammerstedt op Facebook geplaatst, waarbij zij zich negatief uitlaat over Hammerstedt en spreekt van bedrog en ondankbaarheid.
3.16.
[appellant 1] heeft op 19 februari 2023 in een Facebook-bericht over de bestuurders geschreven: “
Now all four are simply dead to me, their betrayal unforgivable”.
3.17.
Op 14 maart 2023 heeft [appellant 1] in een Facebook-bericht geschreven dat SSG donaties ontvangt van de Nationale Postcode Loterij en dat SSG die donaties gebruikt om te procederen tegen SSF. Hij stelt aan de orde dat donaties niet voor dit doel mogen worden gebruikt. [appellant 2] heeft dit bericht op 15 maart 2023 gedeeld op Facebook, waarbij zij schrijft dat SSF een petitie is gestart om [appellant 1] te steunen “
in the face of attacks in court by [geïntimeerde 1] and [geïntimeerde 2]”.
3.18.
Op 14 april 2023 heeft [appellant 2] op Facebook een foto geplaatst van de ‘Sea Shepherd Global Directors’, waarbij zij onder andere heeft geschreven:

What these people are saying is they support spending hundreds of thousands of Euros on lawsuits against Sea Shepherd France, Sea Shepherd Origin, the Captain [appellant 1] Foundation and myself personally.” (…) “
Each and every person in this photo should be ashamed of themselves but human psychology demonstrated that no matter how despicable a person’s actions are, they can always find a way to justify it, especially if they are being paid or afraid to lose their position.
3.19.
SSO is op 23 mei 2023 ontbonden.
3.20.
Op 29 mei 2023 heeft [appellant 1] in een Facebook-bericht geschreven:

The organization and the movement that I am not allowed to mention without being banned from Facebook is for all intents and purposes – dead! (…) It is so dead, and the name is so tainted and shamed that I do not wish to have it returned to me.”
3.21.
Op 26 juli 2023 heeft [appellant 1] per e-mail aan [geïntimeerde 1] onder meer geschreven dat hij een leugenaar is en “
a key destroyer of what was once an amazing marine conservation movement”.
3.22.
Bij de bestreden beschikking van 20 december 2023 zijn [appellant 1] en [appellant 2] ontslagen als bestuurders van SSG.
3.23.
Eveneens op 20 december 2023 heeft de rechtbank vonnis gewezen in een procedure die [appellanten] tezamen met SSF hadden aangespannen tegen SSG (zaaknummer: C/13/733696 HA ZA 23-470, hierna: de dagvaardingsprocedure). In die procedure vorderden [appellanten] onder meer de vernietiging van de ontslagbesluiten van [appellanten] De rechtbank heeft die vorderingen toegewezen. [appellanten] en ook SSF hadden daarnaast andere vorderingen ingesteld. Die heeft de rechtbank afgewezen.
3.24.
Op 3 januari 2024 heeft [appellant 1] in een e-mail aan de vier resterende bestuurders onder meer geschreven:

You are not sea shepherds, just pretends, posers, and cowards. (…)
What you did is lower than low and the stench of your betrayal will forever be attached to your traitorous names.(…)
You have your jobs, you have your security but you will never have peace of mind unless you’re inclined to be sociopaths. (…)
You will be hearing a lot more from me this year.
3.25.
In e-mails van 15 en 29 januari 2024 gericht aan [geïntimeerde 2] , heeft [appellant 1] hem “
all the worst for 2024” toegewenst en een afbeelding van een man met een zeis gestuurd met het bijschrift “
Karma Delivery Service Has Your Address”. Op 30 januari 2024 heeft [geïntimeerde 2] naar aanleiding van de e-mail van 29 januari 2024 aangifte van bedreiging gedaan. Op 3 en 4 april 2024 heeft [appellant 1] opnieuw e-mails aan [geïntimeerde 2] gestuurd waarin hij onder meer heeft geschreven dat [geïntimeerde 2] een leugenaar is.
3.26.
In een uitvoerig Facebook-bericht van 5 april 2025 heeft [appellant 1] zich gericht tegen [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 4] en hen uitgedaagd om publiekelijk het debat met hem aan te gaan.
3.27.
Op 7 januari 2025 heeft [appellant 1] per e-mail een gedicht aan [geïntimeerde 4] gestuurd, waarin hij [geïntimeerde 4] onder meer een bedrieger noemt en leedvermaak uit over een [geïntimeerde 4] vlak daarvoor overkomen ernstig ongeval.
3.28.
In Facebook-berichten van 14 april, 26 juni, 3 juli, 18 juli, 20 juli en 10 augustus 2025 heeft [appellant 1] zich in niet mis te verstane bewoordingen uitgesproken tegen het beleid en de werkwijze van SSG, waarbij hij SSG onder andere een zinkend schip noemt. In zijn bericht van 14 april 2025 heeft [appellant 1] geschreven: “
They have zero strategies, zero plans and zero comprehension of the situation(…)
This position by Sea Shepherd Global does not represent the Sea Shepherd movement that I established in 1977 whose values and principles are represented today only by the Sea Shepherd movement in France, Brazil and the U.K.
3.29.
In zijn Facebook-bericht van 26 juni 2025 heeft [appellant 1] andere Sea Shepherd bewegingen opgeroepen om zich bij hem aan te sluiten: “
Hopefully some of the Sea Shepherd groups that were coerced by the manipulative threats of trademark violations will muster the courage to join us in continuing the legacy of our movement.” Tevens laat [appellant 1] zich in dit bericht negatief uit over de relatie van SSG met verzekeraar Allianz.

4.Eerste Aanleg

4.1.
Voor zover in hoger beroep van belang, hebben SSG c.s. de rechtbank in eerste aanleg verzocht om, uitvoerbaar bij voorraad, indien in de dagvaardingsprocedure blijkt dat [appellant 1] en [appellant 2] nog bestuurder van SSG zijn, hen als zodanig te ontslaan op grond van artikel 2:298 lid 1 BW en hen in de proceskosten te veroordelen, inclusief de nakosten.
4.2.
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank [appellant 1] en [appellant 2] ontslagen als bestuurders vanaf de datum van de beschikking, 20 december 2023. Het meer of anders verzochte is afgewezen en de rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

5.Beoordeling

5.1.
[appellanten] hebben het hof verzocht om de bestreden beschikking te vernietigen en de verzoeken van SSG c.s. af te wijzen, met veroordeling van SSG c.s. in de proceskosten in beide instanties, inclusief de nakosten.
5.2.
SSG c.s. hebben, uitvoerbaar bij voorraad, verzocht om bekrachtiging van de bestreden beschikking, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, vermeerderd met rente.
Bevoegdheid Nederlandse rechter en toepasselijkheid Nederlands recht
5.3.
Deze zaak heeft een internationaal karakter omdat [appellanten] in het buitenland wonen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is. Tegen de toepasselijkheid van Nederlands recht is geen grief gericht, zodat ook het hof het Nederlands recht tot uitgangspunt zal nemen.
SSG c.s. hebben belang bij hun verzoek en maken geen misbruik van recht
5.4.
[appellanten] stellen dat SSG c.s. niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun verzoek. Zij betogen dat ze ook door middel van een bestuursbesluit hadden kunnen worden ontslagen – wat eenvoudiger, sneller en minder belastend is voor alle betrokkenen – en dat SSG c.s. daarom geen belang hebben (artikel 3:303 BW) bij een verzoek tot ontslag op grond van artikel 2:298 lid 1 BW. [appellanten] pleiten ervoor dat de discussie over het ontslag alsnog binnen het bestuur plaatsvindt, nadat zij daarvoor zijn opgeroepen en daarover zijn gehoord.
5.5.
Partijen twisten in dit verband over de vraag of een bestuursbesluit tot ontslag van een bestuurder van SSG genomen kan worden bij gewone meerderheid. Artikel 9 lid 4 van de statuten van SSG bepaalt dat het bestuurslidmaatschap, indien er meer dan twee bestuurders in functie zijn, eindigt door ontslag door de gezamenlijke overige bestuurders. Volgens [appellanten] betekent dit dat het bestuurslid waarvan het ontslag is geagendeerd geen stemrecht toekomt, maar dat het besluit verder met een gewone meerderheid kan worden genomen. SSG c.s. bestrijden dit. Zij voeren aan dat artikel 9 lid 4 van de statuten vereist dat alle ‘overige bestuurders’ voor het ontslag moeten stemmen; het is volgens SSG c.s. een bepaling die een ‘grotere meerderheid’ voorschrijft als bedoeld in artikel 6 lid 4 van de statuten. SSG c.s. betogen dat het gevolg hiervan is dat [appellant 2] een ontslag van [appellant 1] kan blokkeren en andersom. Zij betogen verder dat dit ook zo is als ‘gezamenlijk’ in artikel 9 lid 4 moet worden uitgelegd als een quorumvereiste. In dat geval kan [appellant 2] een ontslag van [appellant 1] blokkeren door niet te verschijnen bij een bestuursvergadering en andersom, aldus SSG c.s. [appellanten] voeren ten slotte nog aan dat een verzoek op grond van artikel 2:298 lid 1 BW alleen mogelijk is bij een noodgeval, waar volgens hen geen sprake van is, gelet op de mogelijkheid tot ontslag die de statuten bieden.
5.6.
Het hof stelt voorop dat een bepaling in de statuten van een rechtspersoon in beginsel aan de hand van een objectieve uitlegmaatstaf moet geschieden. Partijen hebben geen feiten en omstandigheden aangedragen die maken dat in dit geval ook niet-objectieve factoren bij de uitleg moeten worden betrokken. Uitleg van artikel 9 lid 4 van de statuten volgens deze maatstaf leidt tot de conclusie dat alleen de gezamenlijke overige bestuurders, dus alle bestuurders behalve degene op wie het ontslag ziet, tot het ontslag kunnen besluiten, waarbij vereist is dat zij allen voor het besluit stemmen. Deze uitleg sluit het beste aan bij de tekst van artikel 9 lid 4 en ligt het meest voor de hand wanneer gekeken wordt naar het geheel van de statutaire bepalingen. Als een besluit tot ontslag van een bestuurder bij gewone meerderheid genomen had kunnen worden, zoals [appellanten] betogen, dan was het niet nodig om hierover expliciet een bepaling als artikel 9 lid 4 in de statuten op te nemen, zodat deze uitleg in het licht van de hiervoor genoemde maatstaf niet voor de hand ligt. De omstandigheid dat, zoals [appellanten] aanvoeren, elders in de statuten gesproken wordt over het nemen van een besluit ‘met algemene stemmen’ terwijl die term in artikel 9 lid 4 niet wordt gebruikt, vormt geen aanwijzing dat voor een besluit in de zin van artikel 9 lid 4 een gewone meerderheid zou volstaan. Een statutaire eis dat een grotere dan een gewone meerderheid vereist is voor een besluit, kan op verschillende manieren worden omschreven; dit is niet beperkt tot de term ‘algemene stemmen’.
5.7.
[appellanten] hebben niet betwist dat zij elkaars ontslag zullen blokkeren, indien de uitleg wordt gevolgd die SSG c.s. aan artikel 9 lid 4 van de statuten geven. Dit betekent dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat een besluit van de resterende bestuurders niet tot het ontslag van [appellanten] zou kunnen leiden, omdat [appellant 1] een besluit tot ontslag van [appellant 2] zal blokkeren en andersom. Ontslag van [appellant 1] was statutair niet mogelijk zonder medewerking van [appellant 2] , en andersom. SSG c.s. hebben alleen al hierom belang bij hun verzoek op grond van artikel 2:298 lid 1 BW.
5.8.
[appellanten] stellen verder dat SSG c.s. misbruik van recht maken door in deze procedure om het ontslag van [appellanten] te verzoeken. Het hof verwerpt dat betoog. Dat [appellanten] liever hadden gezien dat zij, zoals zij aanvoeren, in een bestuursvergadering hun visie hadden kunnen geven op een voorgenomen ontslagbesluit neemt niet weg dat SSG c.s. recht en belang hadden om – in reactie op het aanvechten van de ontslagbesluiten door [appellanten] – een verzoek tot ontslag te doen. Niet is gebleken dat zij met dit verzoek het doel hebben gehad [appellanten] te schaden, hiermee publiciteit te genereren en/of de beoogde uitspraak te gebruiken in andere procedures.
Het ontslag van [appellant 1] en [appellant 2] blijft in stand
5.9.
In artikel 2:298 lid 1 BW is (onder meer) bepaald dat een bestuurder op verzoek van een belanghebbende door de rechtbank kan worden ontslagen wegens verwaarlozing van zijn taak, wegens andere gewichtige redenen of wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld. Stichtingen hebben geen leden die de bestuurders kunnen ontslaan. Om deze reden kent artikel 2:298 BW een bijzondere regeling voor het ontslag van bestuurders van een stichting. De procedure strekt tot wijziging van de interne organisatie van de stichting. Tussen partijen is niet in geschil dat SSG c.s. belanghebbenden zijn in de zin van artikel 2:298 lid 1 BW.
5.10.
Partijen zijn het er over eens dat er een structurele vertrouwensbreuk is ontstaan tussen [appellanten] enerzijds en de resterende vier bestuurders anderzijds. Partijen hebben daarnaast een structureel verschil van inzicht over de koers die SSG zou moeten varen. Vooral [appellant 1] , maar ook [appellant 2] , heeft zich hier regelmatig publiekelijk over uitgesproken. [appellant 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het wellicht nog mogelijk is elkaar te vinden, al dan niet door mediation. In de stellingen en uitlatingen van [appellanten] kan echter geen enkel aanknopingspunt worden gevonden om te verwachten dat mediation de relatie tussen partijen zal verbeteren of een hernieuwde samenwerking in het belang van SSG mogelijk zou kunnen maken. Dat [appellant 1] terug wil keren als bestuurder om in ieder geval in redelijkheid het gesprek te kunnen aangaan, staat haaks op zijn uitlatingen in de afgelopen jaren. Het is in dat licht begrijpelijk dat de resterende vier bestuurders geen basis meer zien voor een toekomstige samenwerking en niet langer voelen voor mediation. [appellanten] houden immers vast aan hun visie op de koers die SSG zou moeten varen. Ook hebben zij ter zitting geen afstand genomen van hun vaak zeer persoonlijke aanvallen op de bestuurders.
5.11.
De opstelling en uitlatingen van [appellant 1] zijn niet verenigbaar met een terugkeer als bestuurder. Er zijn naar het oordeel van het hof gewichtige redenen die daaraan in de weg staan. [appellant 1] heeft zich openlijk afgekeerd van SSG en het door haar gevoerde beleid en ook uitgesproken dat hij niet terug wil naar SSG. Hij heeft herhaaldelijk en over langere tijd publieke uitingen gedaan die schadelijk zijn voor SSG. Zo heeft [appellant 1] op 13 december 2022 in een Facebook-bericht afstand genomen van SSG, geschreven dat SSO is opgericht en dat wordt samengewerkt met Sea Shepherd leiders in Frankrijk, Brazilië en het Verenigd Koninkrijk. In hetzelfde bericht worden andere nationale Sea Shepherd–stichtingen uitgenodigd om zich bij hen, en CPWF, aan te sluiten. [appellant 1] heeft verder online opgeroepen om te doneren aan CPWF. Met zijn bericht over het gebruik van donaties van de Nationale Postcode Loterij aan SSG, heeft [appellant 1] feitelijk opgeroepen tot het niet langer steunen van SSG door de Nationale Postcode Loterij. Ook met het openbare bericht waarin [appellant 1] negatief spreekt over de relatie van SSG met verzekeraar Allianz, heeft [appellant 1] zich op een wijze uitgelaten die schadelijk is voor SSG. Ten slotte neemt het hof in zijn beoordeling mee dat [appellant 1] zich herhaaldelijk en over langere tijd – zowel in onderlinge communicatie als publiekelijk – beledigend en bedreigend heeft uitgelaten tegen en over de resterende vier bestuurders.
5.12.
[appellant 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zijn online berichten nodig waren om aandacht te genereren voor zijn eigen organisatie en om de gang van zaken binnen SSG aan de orde te stellen. Hierbij stelt [appellant 1] dat hij zich heeft gericht tegen de vier resterende bestuurders, maar niet tegen SSG. Hierin volgt het hof [appellant 1] niet. De berichten van [appellant 1] waren zowel gericht tegen SSG als tegen de resterende bestuurders. Daarmee heeft [appellant 1] SSG in kwaad daglicht gezet, met het kennelijke doel dat de achterban van SSG hem – en CPWF (en aanvankelijk ook SSO) – zou steunen in plaats van SSG. De grievende manier waarop [appellant 1] zich tegenover de resterende bestuurders heeft uitgelaten, was niet nodig om op te komen voor de belangen van [appellanten]
5.13.
Ook voor [appellant 2] geldt dat zij niet als bestuurder kan terugkeren. Zij heeft zich publiekelijk en onvoorwaardelijk aan de zijde van [appellant 1] geschaard. [appellant 2] heeft geen afstand genomen van de wijze waarop SSG en de bestuurders zijn aangevallen door [appellant 1] , en ook niet van zijn vele uitlatingen in privé en namens SSO en CPWF, waarin hij herhaaldelijk schrijft dat hij samenwerkt met SSF, waarvan [appellant 2] bestuurder is. Met haar berichten van 17 februari 2023 en 14 april 2023 heeft [appellant 2] zich ook persoonlijk negatief uitgesproken over SSG en over [geïntimeerde 3] in het bijzonder. Door het delen van het Facebook-bericht van [appellant 1] waarin staat dat donaties van de Nationale Postcode Loterij door SSG worden gebruikt om te procederen tegen SSF, heeft [appellant 2] persoonlijk gehandeld in strijd met de belangen van SSG. Dat zij hiermee het oneigenlijk gebruik van middelen aan de kaak heeft willen stellen, zoals zij aanvoert, maakt dit niet anders. Deze omstandigheden rechtvaardigen ook ten aanzien van [appellant 2] het oordeel dat er gewichtige redenen zijn voor haar ontslag.
5.14.
Of [appellanten] daadwerkelijk financiële bronnen naar zich toe hebben getrokken kan niet uit de overgelegde stukken worden geconcludeerd, zodat tegen die overweging van de rechtbank (in 4.8 van de bestreden beschikking) op zichzelf genomen terecht wordt opgekomen. Maar [appellanten] hebben onmiskenbaar geprobeerd donaties aan te trekken die anders mogelijk naar SSG waren gegaan en herhaaldelijk (recent nog op 26 juni 2025) het publiek en Sea Shepherd-stichtingen opgeroepen om ‘hun kant’ te kiezen. Daarmee hebben zij niet in het belang van SSG gehandeld.
5.15.
[appellanten] hebben nog betoogd dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de rol die [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] hebben gespeeld. [appellanten] spreken van een laffe coup met miskenning van de door het bestuur in acht te nemen normen. Deze coup heeft geleid tot de tegenreacties van met name [appellant 1] , die nu ten grondslag worden gelegd aan het ontslagverzoek, aldus [appellanten] Het hof stelt voorop dat de rechtbank terecht een
ex nuncbeoordeling heeft gehanteerd – zoals het hof dat in onderhavige beoordeling ook doet – waarbij ook de gang van zaken na de ontslagbesluiten door het bestuur van belang (kunnen) zijn voor de beoordeling. In het arrest in de dagvaardingszaak, dat op 9 december 2025 is uitgesproken, oordeelt het hof dat de ontslagbesluiten van [appellanten] door de andere vier bestuurders, nietig zijn. Dat betekent echter niet dat de verzoeken tot hun ontslag op de voet van artikel 2:298 lid 1 BW niet toewijsbaar zijn. Zoals hiervoor geoordeeld, is dat ontslag gegrond op gewichtige redenen die (in hoofdzaak) zijn gebaseerd op feiten en omstandigheden die zich na de desbetreffende ontslagbesluiten hebben voorgedaan.
5.16.
In lid 3 van artikel 2:298 BW is bepaald dat een door de rechtbank ontslagen bestuurder gedurende vijf jaar na het ontslag geen bestuurder of commissaris van een stichting kan worden, tenzij de bestuurder geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. [appellanten] voeren aan dat het bestuursverbod voor hen zeer zwaarwegend is en in geen verhouding staat tot de gemaakte verwijten. Het heeft volgens hen een defamerende werking en zal hen beperken in de mogelijkheid om zich met gebruikmaking van een stichting in of vanuit Nederland te organiseren of actie te voeren. Het hof overweegt dat het ontslag van een bestuurder op grond van artikel 2:298 BW van rechtswege een bestuursverbod met zich brengt. Hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd kan niet tot de conclusie leiden dat hen geen ernstig verwijt te maken valt en een beroep op de uitzondering gerechtvaardigd is.
5.17.
De beschikking blijft in stand. Dat in het handelsregister is opgenomen dat [appellant 1] vanaf 22 augustus 2022 geen bestuurder meer is en [appellant 2] vanaf 23 januari 2023 niet meer, geeft daarmee niet de werkelijke situatie weer. Zij waren tot de bestreden beschikking van 20 december 2023 bestuurders van SSG. Dit leidt tot een wijziging van wat in het handelsregister is ingeschreven. Deze beschikking zal, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, daarom door de griffier ter inschrijving worden aangeboden aan het handelsregister (artikel 2:302 BW).
Bewijsaanbod
5.18.
Het hof verwerpt het bewijsaanbod van [appellanten] Zij hebben geen bewijs aangeboden van concrete feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere beslissing kunnen leiden.
Slotsom en proceskosten
5.19.
Het hoger beroep heeft geen succes. Met het voorgaande zijn alle grieven van [appellanten] besproken en verworpen. Bij een afzonderlijke bespreking van de grieven hebben [appellanten] geen belang omdat dat niet tot een andere beslissing kan leiden. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. [appellanten] zijn in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten van SSG c.s. in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 827
- salaris advocaat
€ 2.428(tarief II, 2 punten)
Totaal € 3.255

6.Beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de bestreden beschikking;
6.2.
veroordeelt [appellant 1] en [appellant 2] hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van SSG c.s. vastgesteld op € 3.255, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking aan de kostenveroordeling is voldaan;
6.3.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.J. Bisschop, O.J. van Leeuwen en A.C. Metzelaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.