ECLI:NL:GHAMS:2025:3660

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
24/3397
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over parkeerbelasting en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 11 december 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van belanghebbende, die in beroep was gegaan tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De rechtbank had eerder de naheffingsaanslag parkeerbelasting van de heffingsambtenaar van de gemeente [Y] vernietigd, maar had verzuimd te beslissen op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De heffingsambtenaar had op 22 september 2021 een naheffingsaanslag van € 71,30 opgelegd, waartegen belanghebbende bezwaar had gemaakt. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en droeg de heffingsambtenaar op om binnen zes weken een nieuwe uitspraak te doen op het bezwaar. Belanghebbende stelde dat hij recht had op een schadevergoeding van € 500 voor immateriële schade, gebaseerd op een arrest van de Hoge Raad. Het Hof oordeelde dat belanghebbende recht had op een schadevergoeding van € 1.000, omdat er sprake was van een termijnoverschrijding van meer dan een jaar. Het Hof veroordeelde de heffingsambtenaar tot het vergoeden van de immateriële schade en de proceskosten in hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 24/3397
11 december 2025
uitspraak van de achtste enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.J.J.G. Fernandes)
tegen de uitspraak van 21 mei 2024 in de zaak met kenmerk AMS 23/1751 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [Y] ,de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft op 22 september 2021 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting ad € 71,30 (€ 6 parkeerbelasting en € 65,30 kosten) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft op 13 oktober 2021 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Op 2 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft op 16 maart 2023 beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft in een mondelinge uitspraak als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’):
“De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;
  • draagt de heffingsambtenaar op binnen zes weken na de dagen van verzending van deze uitspraak een nieuwe uitspraak te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt de heffingsambtenaar op het griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50,-.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld op 25 juli 2024 en het beroep nader gemotiveerd op 10 mei 2024. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Desgevraagd heeft geen van beide partijen kenbaar gemaakt een zitting te wensen. Het onderzoek is op 4 december 2025 gesloten.

2.Feiten

2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“7. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag aan eiser opgelegd omdat eisers auto, met kenteken [#] , op 6 oktober 2021 om 21.35 uur stond geparkeerd ter hoogte van de [straat] te [Y] , terwijl daarvoor geen parkeerbelasting was voldaan.
8. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift verzocht te worden gehoord. De heffingsambtenaar heeft eiser vervolgens per post een uitnodiging gestuurd voor een hoorzitting. De gemachtigde van eiser stelt dat deze uitnodiging nooit heeft gekregen. De hoorzitting heeft geen doorgang gevonden.”
2.2.
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten.

3.Geschil in hoger beroep

In hoger beroep ligt voor of de rechtbank heeft verzuimd om te beslissen op belanghebbendes verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“12. Het beroep is gegrond. Eiser krijgt gelijk. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
13. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de heffingsambtenaar een nieuw (inhoudelijk) besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken.
14. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 437,50,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend (1 punt) met een wegingsfactor van 0,5. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
15. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.”

5.Beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1.
Belanghebbendes klacht slaagt. De rechtbank heeft inderdaad verzuimd te beslissen op diens verzoek om een vergoeding van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaren in de bezwaar- en de beroepsfase.
5.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op een vergoeding voor door hem geleden immateriële schade van € 500. Hij baseert zich daarvoor op het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 (het overzichtsarrest) en gaat uit van het in dat arrest vermelde normbedrag van € 500 per halfjaar. De heffingsambtenaar refereert aan het oordeel van het Hof in dezen.
5.3.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende gelet op de tijdsduur gelegen tussen de indiening van het bezwaarschrift en de datum van de uitspraak van de rechtbank recht heeft op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ter hoogte van
€ 1.000. Er is namelijk sprake van een termijnsoverschrijding van naar boven afgerond 1 jaar tijd. Deze termijnsoverschrijding is geheel toerekenbaar aan de bezwaarfase.
Slotsom
5.4.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

6.Kosten

Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van het hoger beroep. Hierbij gaat het om een volgend bedrag:
Hoger beroep: 1 [beroepschrift] x € 907 x 0,25 = € 227
Omdat het hoger beroep gegrond is naar aanleiding van een formeel punt van ondergeschikt belang is een wegingsfactor van 0,25 op zijn plaats.

7.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover daarin geen beslissing is genomen op belanghebbendes verzoek om een schadevergoeding;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
  • wijst het verzoek om een schadevergoeding toe;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot het vergoeden van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten in hoger beroep tot een bedrag
€ 227;
- draagt de heffingsambtenaar op het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138 aan belanghebbende te vergoeden.
De uitspraak is gedaan door mr. N. Djebali, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 11 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: