ECLI:NL:GHAMS:2025:3671

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
200.361.519/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing van voorzieningen in kort geding met betrekking tot aandelen in onderneming

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellant] tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam, waarin de vorderingen van [appellant] in kort geding zijn afgewezen. Het bestreden vonnis dateert van 27 oktober 2025. [appellant] heeft op 17 november 2025 hoger beroep ingesteld. Tijdens de mondelinge behandeling op 15 december 2025 hebben de advocaten van beide partijen hun standpunten toegelicht. Het hof heeft de bezwaren van de geïntimeerden tegen de eiswijziging van [appellant] afgewezen. Het hof heeft vervolgens de feiten vastgesteld zoals deze door de voorzieningenrechter zijn vastgesteld, met uitzondering van een specifieke zin in de overwegingen van het vonnis. Het hof heeft geoordeeld dat [appellant] geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen, omdat de waarde van de aandelen in [bedrijf] niet voldoende is om de vordering van [appellant] te dekken. Het hof heeft het bestreden vonnis bekrachtigd en de gewijzigde vorderingen van [appellant] afgewezen. Tevens is [appellant] veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1
zaaknummer : 200.361.519/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/776232 / KG ZA 25-788
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 december 2025
inzake

[appellant] ,

gevestigd te [plaats] ,
appellante,
advocaat: mr. A. de Wijs te Amsterdam,
tegen

[geïntimeerde 1] ,

gevestigd te [plaats] ,
advocaat: mr. M.H.J. van Rest te Amsterdam,
[geïntimeerde 2],
gevestigd te [plaats] ,
advocaat: mr. M.H.J. van Rest te Amsterdam,
[geïntimeerde 3],
gevestigd te [plaats] ,
advocaat: mr. M.N. van Dam te Amsterdam,
geïntimeerden.
Appellante wordt hierna [appellant] genoemd. Geïntimeerden worden gezamenlijk als geïntimeerden aangeduid en afzonderlijk worden zij [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] genoemd.
Tegenwoordig zijn:
mr. M.C. Bosch - voorzitter
mr. J.W.M. Tromp - raadsheer
mr. L. Alwin - raadsheer
T.P.A. van der Zande - griffier
Verschenen zijn:
aan de zijde van appellante:
- mr. De Wijs voornoemd, en mrs. P.J.S. de Jong-van den Bogaard en A.A.H.J. Huizing,
advocaten te Amsterdam,
aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] :
- mr. Van Rest voornoemd, en mr. K.F. Liew, advocaat te Amsterdam,
aan de zijde van [geïntimeerde 3] :
- mr. Van Dam voornoemd, en mrs. I.H. Top en P. Boonstra, advocaten te Amsterdam.

Het geding in hoger beroep

Bij vonnis van 27 oktober 2025 (hierna: het bestreden vonnis), onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en geïntimeerden als gedaagden, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam de vorderingen van [appellant] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld.
[appellant] is bij appeldagvaarding van 17 november 2025 in hoger beroep gekomen tegen het bestreden vonnis. De appeldagvaarding, met producties, bevat de grieven tegen het bestreden vonnis. Daarna zijn de volgende processtukken ingediend:
  • memorie van antwoord, met producties, zijdens [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] ,
  • memorie van antwoord zijdens [geïntimeerde 3] ,
  • akte vermeerdering van eis en overleggen producties zijdens [appellant] .
Tijdens de mondelinge behandeling op 15 december 2025 hebben de advocaten het woord gevoerd, allen aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd aan het hof. Zij hebben hun standpunten toegelicht en vragen van het hof beantwoord. Het door geïntimeerden opgeworpen bezwaar tegen eiswijziging en producties van [appellant] is afgewezen.
Na een schorsing en hervatting van de zitting heeft het hof mondeling uitspraak gedaan, die in dit proces-verbaal schriftelijk wordt weergeven.

Beoordeling

Het hof gaat uit van de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten en neemt deze over, met uitzondering van de laatste zin van het 3e punt van r.o. 2.10.
1. Geïntimeerden betwisten dat (spoedeisend) belang bestaat bij de door [appellant] gevraagde voorzieningen. Het hof onderschrijft dit. [appellant] streeft een openbare veiling of een afwikkeling in faillissement na. Onvoldoende aannemelijk is dat de aandelen in [bedrijf] een zodanige opbrengst kunnen genereren dat de vordering van [appellant] daar geheel of gedeeltelijk uit kan worden voldaan, gelet op hetgeen over en weer is gesteld en verklaard ter zitting in hoger beroep. Daarbij acht het hof in bijzonder van belang dat BDO de onderneming van [bedrijf] heeft gewaardeerd op een negatieve waarde van circa anderhalf miljoen dollar. Zelfs als deze waardering niet als juist zou kunnen worden aanvaard, zijn er onvoldoende aanknopingspunten aangevoerd door [appellant] dat de waarde van de aandelen de omvang van de schulden van [bedrijf] in die mate overstijgt dat [appellant] op enige uitkering kan rekenen. [appellant] heeft voorts toegelicht dat zij transparantie nastreeft en “aan tafel wil” bij de gesprekken over de voorgenomen aandelentransactie. Dat op zichzelf is onvoldoende.
2. Bij deze uitkomst heeft [appellant] geen belang bij de door haar ingestelde vorderingen in het incident op grond van artikel 195 Rv.
3. Aparte bespreking van de grieven is niet nodig. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. De gewijzigde vorderingen in de hoofdzaak en de vorderingen in het incident worden afgewezen.
4. [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Van misbruik van recht is geen sprake, zodat geen grond is voor de door [geïntimeerde 3] gevraagde veroordeling in de werkelijke proceskosten. Het hof begroot de kosten zoals hierna vermeld onder de beslissing.

Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
wijst af het meer of anders gevorderde in hoger beroep in de hoofdzaak en in het incident;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep in de hoofdzaak en in het incident, aan de zijde van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] begroot op € 827,- aan verschotten en € 2.428,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep in de hoofdzaak en in het incident, aan de zijde van [geïntimeerde 3] begroot op € 827,- aan verschotten en € 2.428,- aan salaris advocaat, alsmede tot betaling van € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat conform artikel 29a lid 3 Rv is ondertekend door de voorzitter.
------------------------------
voorzitter