In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellant] tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam, waarin de vorderingen van [appellant] in kort geding zijn afgewezen. Het bestreden vonnis dateert van 27 oktober 2025. [appellant] heeft op 17 november 2025 hoger beroep ingesteld. Tijdens de mondelinge behandeling op 15 december 2025 hebben de advocaten van beide partijen hun standpunten toegelicht. Het hof heeft de bezwaren van de geïntimeerden tegen de eiswijziging van [appellant] afgewezen. Het hof heeft vervolgens de feiten vastgesteld zoals deze door de voorzieningenrechter zijn vastgesteld, met uitzondering van een specifieke zin in de overwegingen van het vonnis. Het hof heeft geoordeeld dat [appellant] geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen, omdat de waarde van de aandelen in [bedrijf] niet voldoende is om de vordering van [appellant] te dekken. Het hof heeft het bestreden vonnis bekrachtigd en de gewijzigde vorderingen van [appellant] afgewezen. Tevens is [appellant] veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.