Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] ,
1.De zaak in het kort
2.Verder verloop van het geding
3.Verdere beoordeling
Ik was in de middag naar mijn moeder gekomen met de kinderen. Mijn kinderen wilden met mijn broertje [geïntimeerde 2] spelen en ik ging met mijn moeder naar buiten om [geïntimeerde 2] te zoeken. (…) Ik zag dat er een vrouw stond te schreeuwen tegen mijn broertje bij het speeltuintje. Wij zijn daar naartoe gelopen en mijn moeder heeft die vrouw gevraagd wat is er aan de hand. Ik weet dat die vrouw daar in de buurt woont maar ik weet niet hoe ze heet. Die vrouw zei dat moet je aan je zoon vragen. Mijn moeder zei ik wil het van jou horen. Die vrouw stond toen dichtbij mijn moeder en maakte een dreigende indruk. Zij duwde mijn moeder en mijn moeder duwde haar van zich af. Er kwam toen een man bij en vlak daarachter aan nog een man en een vrouw. Ik zie hier in de zaal mevrouw [appellant 1] en meneer [appellant 2] en ik herken die twee mensen als degenen die daar toen aankwamen. Hun namen kende ik niet maar ik had ze in de buurt vaker gezien. Die drie mensen zijn toen allemaal begonnen mijn moeder te slaan, aan haar haren te trekken en te schoppen. Ik kan mij niet meer precies herinneren wie wat deed. Zij hebben mijn moeder op de grond gegooid. Ze gebruikte haar als een soort kickbokszak. Ik had het idee alsof zij mijn moeder aan het vermoorden waren en ik liep er naartoe om die eerste vrouw van mijn moeder af te trekken. Toen heeft [appellant 2] mijn armen vastgehouden, ik bedoel daarmee de man die ik hier in de zaal zie. Het was niet zo dat hij probeerde om mensen uit elkaar te halen met woorden of op een andere manier, hij nam deel aan het gevecht totdat hij mijn armen vasthield. Mijn moeder probeerde zich te verdedigen. Het kan best zijn dat zij aan iemands haren heeft getrokken maar dat weet ik niet precies. Ik denk dat ze die eerste vrouw wel gebeten heeft. Zij heeft bij geen van de mannen iets gedaan, ook niet gebeten. Het gevecht ging door totdat de politie kwam. Mevrouw [appellant 1] is niet op de grond gevallen zij stond te lachen. (…)
Ik kwam met [appellant 2] terug van boodschappen doen en we hadden kip gehaald
Op [datum] kwam ik terug van Ikea en toen zag ik in de buurt van mijn huis
).Wie de confrontatie het eerst is aangegaan (wie er is begonnen) is niet doorslaggevend.