Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:571

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 februari 2025
Publicatiedatum
5 maart 2025
Zaaknummer
23-002134-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontnemingsmaatregel wegens wederrechtelijk verkregen voordeel na medeplegen hennep en witwassen

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 19 juli 2022 vernietigd en opnieuw recht gedaan in een ontnemingszaak. De betrokkene was eerder veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en hasjiesj en eenvoudig witwassen.

Het openbaar ministerie vorderde in eerste aanleg ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €114.452,76, waarvan de rechtbank €100.917,76 oplegde. In hoger beroep zijn procesafspraken gemaakt tussen het openbaar ministerie en de verdediging, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd geschat op €80.288,00 en de ontnemingsverplichting op €53.531,00.

Het hof heeft deze procesafspraken besproken en vastgesteld dat de betrokkene vrijwillig en weloverwogen akkoord is gegaan. Op basis hiervan heeft het hof het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €80.288,00 en de ontnemingsmaatregel opgelegd van €53.531,00. Tevens is de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 1.080 dagen.

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Het arrest is uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 20 februari 2025.

Uitkomst: Betrokkene wordt verplicht tot betaling van €53.531 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002134-22
datum uitspraak: 20 februari 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 19 juli 2022 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-710006-18 tegen de betrokkene:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 114.452,76.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 19 juli 2022 veroordeeld ter zake van het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en hasjiesj en eenvoudig witwassen.
Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 19 juli 2022 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 100.917,76 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
Het gerechtshof Amsterdam heeft het voornoemde strafvonnis bij (onherroepelijk) arrest van 27 juni 2024 bevestigd.
Het openbaar ministerie en de verdediging zijn blijkens de ‘overeenkomst tot procesafspraken’ van 27 november 2024 procesafspraken in de onderhavige zaak overeengekomen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
20 februari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en verplichting tot betaling aan de Staat
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden geschat op een bedrag ter hoogte van € 80.288,00 en dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 53.531,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsman heeft verzocht overeenkomstig de vordering te beslissen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep de procesafspraken tussen het openbaar ministerie en de verdediging besproken met de procespartijen. De betrokkene heeft aldaar verklaard dat hij het eens is met de inhoud van de procesafspraken. Gebleken is dat de betrokkene voldoende gelegenheid heeft gehad om weloverwogen en vrijwillig tot een ondubbelzinnige beslissing te komen en dat hij zich rekenschap heeft kunnen geven van de inhoud, de strekking en de rechtsgevolgen van de procesafspraken. Gelet daarop is het hof van oordeel dat het acht kan slaan op het voorliggende afdoeningsvoorstel (de procesafspraken).
Het hof schat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel, overeenkomstig de inhoud van de procesafspraken, op € 80.288,00 en is van oordeel dat aan de betrokkene de verplichting dient te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 53.531,00, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
80.288,00 (tachtigduizend tweehonderdachtentachtig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 53.531,00 (drieënvijftigduizend vijfhonderd eenendertig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1.080 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. L.F. Roseval en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van
mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
20 februari 2025.