In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 19 juli 2022 vernietigd en opnieuw recht gedaan in een ontnemingszaak. De betrokkene was eerder veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en hasjiesj en eenvoudig witwassen.
Het openbaar ministerie vorderde in eerste aanleg ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €114.452,76, waarvan de rechtbank €100.917,76 oplegde. In hoger beroep zijn procesafspraken gemaakt tussen het openbaar ministerie en de verdediging, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd geschat op €80.288,00 en de ontnemingsverplichting op €53.531,00.
Het hof heeft deze procesafspraken besproken en vastgesteld dat de betrokkene vrijwillig en weloverwogen akkoord is gegaan. Op basis hiervan heeft het hof het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €80.288,00 en de ontnemingsmaatregel opgelegd van €53.531,00. Tevens is de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 1.080 dagen.
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Het arrest is uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 20 februari 2025.