De betrokkene werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk verkopen, afleveren, vervoeren en aanwezig hebben van een grote hoeveelheid heroïne. De rechtbank legde een betalingsverplichting op van €408.300,69 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof vernietigt dit vonnis en komt tot een andere beoordeling.
Het hof stelt vast dat de betrokkene de woning sinds 2014 gebruikte als opslag en bewerkingsplaats voor heroïne, waar 22 kilo zuivere en 44 kilo versneden heroïne werd aangetroffen. Uit camerabeelden, telefonieonderzoek en verklaringen van afnemers blijkt dat de betrokkene langere tijd handelde in heroïne. De verdediging voerde aan dat de betrokkene slechts een beperkte periode handelde en de woning verhuurde in ruil voor heroïne, wat het hof niet aannemelijk acht.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt uit op €408.300,69. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep matigt het hof de betalingsverplichting naar €400.000. De betrokkene kan later op grond van zijn draagkracht verzoeken tot vermindering of kwijtschelding. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 4 maart 2025.