ECLI:NL:GHAMS:2025:651

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 februari 2025
Publicatiedatum
17 maart 2025
Zaaknummer
23-002584-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 63 SrArt. 9 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor rijden tijdens ontzegging van rijbevoegdheid

De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 22 januari 2021 te Amsterdam een motorrijtuig bestuurde terwijl hem de rijbevoegdheid was ontzegd. De ontzegging was op 1 mei 2020 in persoon aan de verdachte betekend en gold tot 25 februari 2021.

De verdediging voerde aan dat niet kon worden vastgesteld dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten van de ontzegging. Het hof oordeelde echter dat uit de kennisgeving en het RDW-uittreksel blijkt dat de verdachte op de dag van het rijden op de hoogte was van de ontzegging.

Het hof verklaarde het ten laste gelegde bewezen en strafbaar en veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van twee weken, waarvan één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarbij werd meegewogen dat de verdachte eerder meerdere keren met verkeersfeiten in aanraking was gekomen en al eerder ontzeggingen had gekregen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, waarvan één week voorwaardelijk, wegens rijden tijdens ontzegging van rijbevoegdheid.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002584-23
datum uitspraak: 18 februari 2025
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2022 in de strafzaak onder parketnummer 96-060551-21 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 februari 2025.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 22 januari 2021 te Amsterdam terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, Egelenburg, een motorrijtuig, (personenauto), heeft bestuurd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat hem de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig was ontzegd.
Het hof overweegt als volgt.
Uit de in de – ter terechtzitting in hoger beroep gevoegde – OBM-stukken aanwezige ‘kennisgeving ingang ontzegging rijbevoegdheid’ blijkt dat aan de verdachte bij arrest van het Gerechtshof Den Haag van 12 oktober 2018 onder meer de bevoegdheid is ontzegd om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 maanden en dat de ontzegging zal ingaan op de 21e dag na betekening van dit schrijven. Uit diezelfde stukken blijkt dat de ontzegging van de rijbevoegdheid op 1 mei 2020 in persoon aan de verdachte is betekend. Ook bevat het dossier een proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerwet Pro met daarin een uitdraai van het RDW waaruit blijkt dat aan de verdachte de rijbevoegdheid is ontzegd vanaf 1 mei 2020 tot en met 25 februari 2021.
Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de verdachte op het moment dat hij het motorrijtuig bestuurde wist of redelijkerwijs moest weten dat hem de bevoegdheid tot het besturen van dat motorrijtuig was ontzegd. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 22 januari 2021 te Amsterdam, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, Egelenburg, een motorrijtuig (personenauto) heeft bestuurd.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken waarvan een week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de op te leggen straf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft als bestuurder met een auto op de openbare weg gereden, terwijl hem de bevoegdheid tot het besturen van een motorrijtuig was ontzegd. Daarmee heeft hij er blijk van gegeven geen boodschap te hebben aan door het bevoegde gezag ter bescherming van de verkeersveiligheid genomen besluiten. Het hof neemt hem dit kwalijk.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 januari 2025 is hij reeds vele malen voor verkeersfeiten in aanraking is gekomen met justitie en is de verdachte, ook in het verleden, al meerdere malen ontzeggingen van de rijbevoegdheid opgelegd, dit weegt in zijn nadeel.
Het hof heeft gelet op de straffen die door rechters voor rijden met een ontzegging van de rijbevoegdheid plegen te worden opgelegd en die hun weerklank hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt een gevangenisstraf van twee weken genoemd. Die straf neemt hof tot uitgangspunt.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
1 (één) week, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.R.O. Mooy, mr. A.W.T. Klappe, en mr. D.A.C. Koster, in tegenwoordigheid van
mr. D. de Jong, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 februari 2025.