ECLI:NL:GHAMS:2025:839
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging opschorting zorgregeling tussen minderjarige en moeder wegens belangenbescherming
De zaak betreft een geschil over de zorgregeling van een minderjarige met een ernstige verstandelijke beperking en autismespectrumstoornis, waarbij de rechtbank de zorgregeling tussen de minderjarige en de moeder tijdelijk opschortte wegens zorgen over de veiligheid en het welzijn van het kind.
De moeder is tegen deze opschorting in hoger beroep gekomen, stellende dat de regeling juist stabiliteit en structuur biedt die essentieel is voor het welzijn van het kind. De vader steunde de opschorting en verzocht tevens om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem te bepalen.
Het hof oordeelt dat de rechtbank terecht de zorgregeling heeft opgeschort op grond van artikel 1:253a lid 2 sub a jo. 1:377a lid 3 BW, gezien de verwarde houding van de moeder en de mogelijke negatieve impact op het kind. Het verzoek van de vader tot verdere opschorting is achterhaald vanwege de feitelijke situatie, waarbij begeleide omgang onder toezicht van de gecertificeerde instelling plaatsvindt.
Het hof verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek over de hoofdverblijfplaats, bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst overige verzoeken af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de opschorting van de zorgregeling tussen de minderjarige en de moeder en wijst verdere verzoeken af.