In deze civiele zaak stond centraal of Achmea Schadeverzekeringen N.V. de autoverzekering mocht beëindigen en reeds betaalde uitkeringen mocht terugvorderen van [appellant], die bij het aangaan van de verzekering had verzwegen dat een eerdere autoverzekering was beëindigd en hem daarna een verzekering was geweigerd.
Het hof oordeelde dat Achmea tijdig op de hoogte was gesteld van de schending van de mededelingsplicht op 30 april 2019, waarna zij binnen de wettelijke termijn van twee maanden de verzekeringsnemer heeft geïnformeerd. Het beroep op rechtsverwerking door [appellant] faalde omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die het gerechtvaardigd vertrouwen wekten dat Achmea haar rechten niet zou uitoefenen.
Het hof veroordeelde [appellant] tot terugbetaling van €116.019,30 plus wettelijke rente en proceskosten, waarbij ook kosten voor schadeafwikkeling werden meegenomen. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd voor het grootste deel bekrachtigd, met uitzondering van de proceskostencompensatie die werd vernietigd.