Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1007

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
200.363.958/01 OK
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:8 BWArt. 2:350 lid 4 BWWet op de ondernemingsraden (WOR)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondernemingskamer gelast onderzoek en benoemt commissaris en beheerder bij Confiserie Napoleon

De ondernemingsraad van Confiserie Napoleon B.V. en Confiserie Napoleon Sales B.V. verzocht de Ondernemingskamer een onderzoek te gelasten naar het beleid en de gang van zaken van LJH en haar dochtervennootschappen vanaf 20 december 2024. Dit verzoek volgde op ernstige zorgen over de irrationele en ontoelaatbare bemoeienis van de indirecte aandeelhouder Kors, vertegenwoordigd door [A], die zich onrechtmatig met het bestuur bemoeide en een onveilige werkomgeving zou hebben gecreëerd.

De Ondernemingskamer oordeelde dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan het juiste beleid en de juiste gang van zaken binnen LJH en haar dochtervennootschappen. De bemoeienis van [A], mede door zijn mentale toestand en drugsgebruik, leidde tot onrust, schorsingen en benoemingen zonder inachtneming van wettelijke procedures en het adviesrecht van de ondernemingsraad. Dit had ook negatieve gevolgen voor de kredietrelaties met ABN en GHE.

De Ondernemingskamer gelastte een onderzoek naar het beleid vanaf 20 december 2024 en benoemde mr. E.L. Zetteler als onderzoeker. Tevens werden onmiddellijke voorzieningen getroffen: de benoeming van mr. J.A. van der Have als commissaris met toezicht- en adviesbevoegdheden, en de overdracht van de aandelen van Kors in LJH aan mr. M.W.E. Evers als beheerder. Ook werden schorsingen van bestuurders en bestuursbesluiten van Kors geschorst. De kosten van het onderzoek en de voorzieningen komen voor rekening van LJH.

De Ondernemingskamer veroordeelde LJH in de proceskosten en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Het verzoek tot een contactverbod werd afgewezen. De beslissing werd genomen door vijf raadsheren en uitgesproken op 14 april 2026.

Uitkomst: De Ondernemingskamer gelast een onderzoek naar het beleid van LJH en dochtervennootschappen en benoemt een commissaris en beheerder, met schorsing van bestuurders en bestuursbesluiten van Kors.

Uitspraak

beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.363.958/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 14 april 2026
inzake
DE GEMEENSCHAPPELIJKE ONDERNEMINGSRAAD VAN
CONFISERIE NAPOLEON B.V. EN CONFISERIE NAPOLEON SALES B.V.,
gevestigd te Breskens,
VERZOEKER,
advocaten:
mrs. L.D. Brouweren
M. Ruijssenaars, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CONFISERIE NAPOLEON B.V.,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CONFISERIE NAPOLEON SALES B.V.,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[LJH],
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CONFISERIE NAPOLEON BELUX B.V.,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CONFISERIE NAPOLEON EXPORT B.V.,
allen gevestigd te Breskens,
VERWEERSTERS,
advocaat:
mr. M.W. Huijzer, kantoorhoudende te Papendrecht,
en tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BOOM FINANCIAL SERVICES B.V.,
gevestigd te Breskens,
BELANGHEBBENDE,
advocaat:
mr. M.W. Huijzer, kantoorhoudende te Papendrecht,
en tegen
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KORS B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
3.
[A],
wonende te [plaats] ,
BELANGHEBBENDEN,
in persoon verschenen.
Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen als volgt worden aangeduid:
verzoeker als:
de ondernemingsraad
verweerster sub 1 als:
Confiserie Napoleon
verweerster sub 2 als:
Confiserie Napoleon Sales
verweerster sub 3 als:
LJH
verweerster sub 4 als:
Confiserie Napoleon BeLux
verweerster sub 5 als:
Confiserie Napoleon Export
belanghebbende sub 1 als:
Boom
belanghebbende sub 2 als:
Kors
belanghebbende sub 2 als:
[A]
verweersters sub 1 tot en met 5 tezamen als:
Confiserie Napoleon c.s.
[B] als:
[B]
[C] als:
[C]
[de voorzitter van de OR] als:
[de voorzitter van de OR]

1.De zaak in het kort

1.1
Deze zaak betreft een verzoek van de ondernemingsraad om een onderzoek te gelasten en onmiddellijke voorzieningen te treffen bij Confiserie Napoleon c.s. Volgens de ondernemingsraad neemt de enig indirect aandeelhouder Kors, in de persoon van [A] , irrationale besluiten en bemoeit Kors zich op ontoelaatbare wijze met het beleid en de gang van zaken. Ook worden volgens de ondernemingsraad medezeggenschapsrechten en afspraken met betrekking tot de
governancegenegeerd en een onveilige werkomgeving gecreëerd. LJH en Boom onderschrijven de door de ondernemingsraad aangevoerde gegronde redenen.
1.2
De Ondernemingskamer oordeelt dat sprake is van gegronde redenen om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van LJH en haar dochtervennootschappen te twijfelen en gelast een onderzoek. Ook treft de Ondernemingskamer onmiddellijke voorzieningen: zij benoemt een commissaris, die toezicht dient te houden op het beleid en de gang van zaken bij LJH en de door haar in stand gehouden onderneming; en de door Kors gehouden aandelen in LJH worden ten titel van beheer overgedragen aan een beheerder.

2.Het verloop van het geding

2.1
De ondernemingsraad heeft bij verzoekschrift van 22 januari 2026 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat,
1. een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van LJH en haar dochtervennootschappen, althans van Confiserie Napoleon en Confiserie Napoleon Sales, over de periode vanaf 20 december 2024;
2. als onmiddellijke voorzieningen voor de duur van de procedure:
a. voor zover Kors rechtsgeldig tot bestuurder van LJH is benoemd, Kors te schorsen als bestuurder van LJH;
b. een derde persoon te benoemen tot bestuurder van LJH met beslissende stem;
c. voor zover Boom rechtsgeldig als bestuurder van LJH is geschorst, dat schorsingsbesluit te schorsen;
d. voor zover er door Kors rechtsgeldige bestuursbesluiten bij LJH zijn genomen, die bestuursbesluiten te schorsen;
e. de door Kors gehouden aandelen in LJH over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder;
f. aan [A] een contactverbod op te leggen, inhoudende dat hij zich dient te onthouden van het betreden van locaties van LJH of haar dochtervennootschappen en het benaderen van bestuurders of medewerkers van LJH of haar dochtervennootschappen, op straffe van een dwangsom;
g. of een andere voorziening te treffen die de Ondernemingskamer juist acht;
3. LJH, Confiserie Napoleon en Confiserie Napoleon Sales te veroordelen in de kosten van de procedure.
2.2
Confiserie Napoleon c.s. en Boom hebben bij verweerschrift van 12 februari 2026 de Ondernemingskamer verzocht om het verzoek van de ondernemingsraad gedeeltelijk toe en gedeeltelijk af te wijzen. Zij hebben – zoals nader toegelicht op de mondelinge behandeling – ook zelf een verzoek gedaan en de Ondernemingskamer verzocht, samengevat,
1. een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van LJH en haar dochtervennootschappen, over de periode vanaf 1 november 2025;
2. als onmiddellijke voorzieningen voor de duur van de procedure de voorzieningen te treffen zoals door de ondernemingsraad verzocht en hiervoor onder 2.1 onder 2 sub a., c., d. en e. samengevat weergegeven en de verzoeken onder b. en f. af te wijzen.
2.3
Kors en [A] hebben geen verweerschrift ingediend.
2.4
De verzoeken zijn behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 19 februari 2026. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen. De ondernemingsraad en Confiserie Napoleon c.s. en Boom hebben nadere producties toegestuurd en hebben die in het geding gebracht. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt. [A] is bij de mondelinge behandeling aanwezig geweest en heeft zijn visie op de aangevoerde gegronde redenen gegeven. In de kern komt die erop neer dat hij meent dat de toekomst van de onderneming van LJH bij hem in veilige(r) handen zal zijn en dat hij zich verzet tegen toewijzing van de verzoeken. Ter zitting hebben Confiserie Napoleon c.s. en Boom verduidelijkt dat het verweerschrift aldus moet worden begrepen dat zij ook zelfstandig verzoeken om een enquête te gelasten bij Confiserie Napoleon c.s. en onmiddellijke voorzieningen te treffen.

3.Feiten

3.1
LJH is op 21 december 2017 opgericht. Kors houdt alle aandelen in LJH. [A] houdt indirect alle aandelen in Kors en is haar enig bestuurder. Tussen 20 december 2024 en 1 augustus 2025 was [C] enig bestuurder van LJH. Vanaf 1 augustus 2025 is Boom enig bestuurder van LJH.
3.2
[B] is enig bestuurder en (indirect) enig aandeelhouder van Boom.
3.3
LJH drijft via haar 100%-dochtervennootschappen Confiserie Napoleon, Confiserie Napoleon Sales, Confiserie Napoleon Export en Confiserie Napoleon BeLux een onderneming die zich bezighoudt met de productie, verkoop, distributie en marketing van zoetwaren en chocolade. LJH is enig statutair bestuurder van al haar dochtervennootschappen. Confiserie Napoleon c.s. heeft 58 werknemers die werkzaam zijn op de kantoren in Zwijndrecht en de fabriek in Breskens.
3.4
[A] is al langere tijd bekend met drugsgebruik en psychische problemen waarvoor hij in het verleden ook opgenomen is geweest. [A] woont op dit moment op hetzelfde adres waar ook Kors en Boom staan ingeschreven en kantoor houden. Het pand op dit adres is eigendom van Houdstermaatschappij Drukkerij Liebeek B.V., waarvan Boom bestuurder is.
3.5
Bij beschikking van 4 mei 2017 heeft de Ondernemingskamer – kort gezegd – een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken van Kors en haar dochtervennootschappen en, bij wijze van onmiddellijke voorziening, [A] geschorst als bestuurder en een tijdelijk bestuurder benoemd bij Kors en haar dochtervennootschappen met doorslaggevende stem en de aandelen in Kors ten titel van beheer tijdelijk overgedragen aan een beheerder (ECLI:NL:GHAMS:2017:1777).
3.6
De door de Ondernemingskamer benoemde tijdelijk bestuurder heeft enige tijd na zijn benoeming de door Kors gehouden aandelen in haar dochtervennootschappen verkocht en geleverd aan de nieuw opgerichte vennootschap Pervasco Holding B.V. (thans: LJH). Nadien is gebleken dat de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder een aanzienlijk indirect belang in de kopende vennootschap hield. Over deze gang van zaken zijn inmiddels meerdere procedures aanhangig.
3.7
Op 20 december 2024 zijn de aandelen in LJH aan Kors geleverd. Sindsdien is [A] via Kors en LJH weer (indirect) enig aandeelhouder van Confiserie Napoleon c.s. Op 20 december 2024 is [C] door Kors ( [A] ) benoemd als enig bestuurder van LJH.
3.8
Na de benoeming van [C] is [A] zich indringend gaan bemoeien met het beleid en de gang van zaken binnen LJH en haar dochtervennootschappen. Zo heeft hij op 22 januari 2025 aangedrongen op een prijsverhoging en gelijktijdige inkrimping van de inhoud van de verpakkingen, afgifte van de bankpas van de onderneming, het opzeggen van de kredietrelatie met ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN) en betaling aan hem door LJH van een voorschot van enkele miljoenen euro’s als tegemoetkoming in de door hem gemaakte kosten in het kader van de hiervoor onder 3.6 en 3.7 genoemde gang van zaken. In deze periode heeft [A] een groot aantal, vaak onsamenhangende berichten aan [C] verstuurd waarin hij complottheorieën uit de doeken deed en uitweidde over zijn drugsgebruik.
3.9
Op 25 januari 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [C] en ABN waarin onder meer aan de orde is gekomen dat Kors per 20 december 2024 (weer) enig aandeelhouder van LJH was geworden. ABN was hier niet op voorhand van op de hoogte gesteld. In dit gesprek heeft [C] toegelicht dat [A] zich niet of nauwelijks met de onderneming zou bezighouden, maar uitsluitend met investeringen in de fabriek en dat [A] enkel, via Kors, een vaste jaarlijkse vergoeding van € 75.000,- zou ontvangen. ABN is vervolgens een onderzoek (
Event Driven Review) gestart naar de gang van zaken.
3.1
Op 13 mei 2025 heeft er een vervolgbespreking plaatsgevonden tussen [C] en ABN. In dit gesprek heeft ABN gezegd dat zij positief stond tegenover het verstrekken van een financiering van €7.500.000,- voor noodzakelijke investeringen in het machinepark, maar dat zij de kredietrelatie zou opzeggen als [A] zich met de dagelijkse gang van zaken van de onderneming zou bemoeien. De notulen van het MT-overleg van LJH van 15 mei 2025 luiden, voor zover van belang:

Dinsdag 13 mei is de ABN Amro bij ons op kantoor geweest. De relatiemanager van de bank heeft aangegeven dat de EDR (Event Driven Review) succesvol is afgerond. De bank heeft geen redenen om de dienstverlening te beëindigen. Buiten het gesprek om is door de relatiemanager wel telefonisch aangeven bij FM dat de aandeelhouder zich niet met de dagelijkse gang van zaken van de onderneming mag bemoeien (bijv. als bestuurder)
3.11
Nadat [A] van deze voorwaarde kennisnam, is de verhouding tussen [C] en [A] dusdanig verslechterd dat zij vanaf dat moment alleen nog door tussenkomst van [B] communiceerden.
3.12
Op 22 mei 2025 heeft [B] namens [A] aan [C] gevraagd of hij wilde terugtreden als bestuurder. Op 19 juni 2025 heeft [C] hierover zijn zorgen met de ondernemingsraad gedeeld.
3.13
Op 30 juli 2025 zijn zowel [C] als de ondernemingsraad door de advocaat van [A] geïnformeerd over het voorgenomen ontslag van [C] en de benoeming van Boom als statutair bestuurder van LJH op de aandeelhoudersvergadering van 1 augustus 2025. De ondernemingsraad is gevraagd daarover te adviseren.
3.14
Tijdens een overleg tussen de ondernemingsraad, [A] en [B] op 31 juli 2025 heeft de ondernemingsraad – onder meer – gezegd dat hij niet kon adviseren, omdat de adviesaanvraag te summier was, onderliggende stukken ontbraken, en dat Kors naar zijn oordeel het besluit ook al had genomen.
3.15
In de ochtend van 1 augustus 2025 heeft [C] met de ondernemingsraad een overeenkomst gesloten op grond waarvan aan de ondernemingsraad het recht van enquête is toegekend ten aanzien van Confiserie Napoleon en Confiserie Napoleon Sales. In de aandeelhoudersvergadering van LJH in de middag van 1 augustus 2025 is [C] als bestuurder van LJH ontslagen en is Boom (dat wil zeggen feitelijk [B] ) als bestuurder van LJH benoemd.
3.16
Op 9 oktober 2025 heeft er een overleg plaatsgevonden tussen de ondernemingsraad en [B] , waarin de ondernemingsraad zijn zorgen heeft geuit over het beleid en de gang van zaken binnen LJH. Bij brief van 20 oktober 2025 heeft de ondernemingsraad die zorgen en bezwaren andermaal onder de aandacht van het bestuur van LJH gebracht. [B] heeft op 28 oktober 2025 schriftelijk gereageerd op deze brief.
3.17
Op 18 november 2025 heeft [A] zonder aankondiging de fabriek in Breskens bezocht en daar verzocht om een gesprek met [de voorzitter van de OR] , de voorzitter van de ondernemingsraad. Blijkens een door [de voorzitter van de OR] gemaakt verslag van dit gesprek heeft [A] gezegd dat hij niet tevreden was met de koers van de onderneming en met Boom als bestuurder, maar dat hij Boom niet kon ontslaan, omdat dit gevolgen zou kunnen hebben voor de financiering van de onderneming. Verder heeft [A] aan [de voorzitter van de OR] medegedeeld dat hij Kors als medebestuurder wilde benoemen, dat er mensen op een lijst stonden om ontslagen te worden, dat hij geld wilde hebben om een nieuwe auto te kopen en dat cocaïne voor hem een medicijn is.
3.18
Naar aanleiding van dit bezoek, en in het bijzonder de aangekondigde benoeming van Kors als bestuurder van LJH, heeft er op 25 november 2025 een gesprek plaatsgevonden tussen de ondernemingsraad en [B] . De notulen van dit gesprek luiden, voor zover van belang:
“2. achtergrond
Op dinsdag 18 november heeft de heer [A] contact gezocht in een 1 op 1 gesprek met de voorzitter van de OR om zijn standpunt toe te lichten. Hij wil graag
bestuurder worden om meer invloed te hebben op de dagelijkse gang van zaken en vooral meer geld tot zijn beschikking te hebben.
Volgens [A] is het niet mogelijk om [B] te ontslaan vanwege de
constructie van herfinanciering van de lening en zijn persoonlijke woonsituatie.
[B] heeft schriftelijk per mail aan de heer [A] de risico's voor de
organisatie toegelicht (vooral impact op stabiliteit, besluitvorming en financiering) mocht de heer Leeuwenburg zijn besluit doorzetten. Deze voorgenomen benoeming valt onder artikel 30 van Pro de WOR, wat betekent dat de OR een adviesrecht heeft voordat het besluit kan worden genomen.
3. Standpunten
Volgens [B] is de heer [A] labiel en niet geschikt als bestuurder. De OR ondersteunt deze mening en ziet het in het belang van de organisatie dat [A] op afstand blijft van de dagelijkse gang van zaken. De huidige situatie waar de organisatie zich in bevindt heeft behoefte aan een sterke bestuurder die de juiste keuzes maakt voor de lange termijn en de continuïteit van de organisatie voorop stelt. Uit het gevoerde gesprek van[ [de voorzitter van de OR] ]
met [A] blijkt dat de aandeelhouder vooral voor persoonlijk gewin gaat op financieel vlak.
4. Vervolgstappen
De OR wil onderzoeken wat juridisch de mogelijkheden zijn mocht [A] zich als bestuurder benoemen. [B] informeert zowel het MT als [A] zelf over het standpunt van de OR.”
3.19
Op 9 december 2025 heeft [A] onaangekondigd het kantoor in Zwijndrecht bezocht. Tijdens dit bezoek heeft [A] verklaard dat [B] als bestuurder zou zijn ontslagen. Daarnaast is het gedrag van [A] op de werkvloer door werknemers als grensoverschrijdend ervaren. De commercieel manager heeft [B] op 10 december 2025 een e-mail over dit bezoek gestuurd.
3.2
In reactie op deze e-mail schreef [B] op 10 december 2026:

Dank voor je bericht en de terugkoppeling over de ervaringen van medewerkers tijdens het bezoek van [A] op 9 december. De signalen over een als onveilig ervaren werkomgeving neem ik zeer serieus. Het is goed dat betrokken collega's hun ervaringen met de leidinggevenden en de vertrouwenspersoon hebben gedeeld.
Medewerkers hebben het optreden van [A] als grensoverschrijdend ervaren. Daarnaast zijn aan personeelsleden mededelingen gedaan dat ik als bestuurder zou zijn ontslagen, hetgeen feitelijk onjuist is. Deze uitlatingen en de wijze van aanspreken raken direct aan de zorgplicht voor een veilige werkomgeving en ondermijnen de noodzakelijke stabiliteit binnen de organisatie.
De volgende maatregelen zijn door mij genomen:
• Ik heb [A] schriftelijk gewezen op zijn rol als aandeelhouder en het feit dat hij zich feitelijk als bestuurder heeft gedragen.
• Ik heb hem verzocht geen contact op te nemen met medewerkers en onze locaties uitsluitend op uitnodiging te bezoeken.
• Ik heb hem gewezen op de risico's voor de continuïteit van de onderneming, waaronder de positie van de huisbankier en de financieringsvoorwaarden.
• Ik heb de ondernemingsraad en het managementteam geïnformeerd over mijn communicatie richting [A] .
Mocht je aanvullende signalen ontvangen, dan verzoek ik je deze met mij te delen. Ik zal de ondernemingsraad en het managementteam op de hoogte houden van verdere ontwikkelingen.
Ik blijf toezicht houden op de naleving van de maatregelen die ik aan [A] heb gecommuniceerd en zal - indien de situatie daarom vraagt -verdere stappen nemen om de veiligheid van medewerkers en de continuïteit van de organisatie te waarborgen.”
3.21
Op 10 december 2025 heeft [B] aan [A] geschreven:

Beste [A] ,
In de afgelopen periode heb je je feitelijk gedragen als bestuurder, terwijl je aandeelhouder bent. Medewerkers in Zwijndrecht hebben de gesprekken van gisteren als onveilig ervaren. Verder zijn richting medewerkers mededelingen gedaan dat ik als bestuurder zou zijn ontslagen; deze mededelingen zijn feitelijk onjuist en maken het voor mij niet mogelijk mijn functie zorgvuldig en onafhankelijk uit te oefenen.
Daarnaast heb je in directe communicatie met de voorzitter van de ondernemingsraad uitspraken gedaan die binnen de organisatie leiden tot toenemende onrust en onzekerheid over functies. Ook heb je aangegeven dat besluiten die niet overeenkomen met jouw visie niet genomen mogen worden.
De huisbankier heeft aangegeven dat je je niet met de dagelijkse gang van zaken mag bemoeien. Ook geldt dat een wijziging in het bestuur voor de verstrekker van de hypothecaire lening – die momenteel moet worden geherfinancierd – aanleiding kan zijn om de lening direct op te eisen.
In zowel gesprekken als e-mailcorrespondentie heb ik je gewezen op je rol als aandeelhouder en op de risico’s voor de continuïteit van de onderneming die uit deze handelwijze voortvloeien.
In het belang van de continuïteit van de onderneming verzoek ik je geen contact op te nemen met medewerkers en – anders dan op uitnodiging – de locaties in Breskens en Zwijndrecht niet te bezoeken.
Dit bericht deel ik met de ondernemingsraad, het managementteam en[de toenmalig advocaat van Kors en [A] , OK].
3.22
Op 11 december 2025 heeft [A] de
manager customer servicevan Confiserie Napoleon c.s. telefonisch geïnformeerd over zijn voornemen om zich vrijdag 12 december 2025 in te schrijven als bestuurder van LJH.
3.23
Op 15 december 2025 heeft [A] telefonisch aan [de voorzitter van de OR] aangekondigd dat hij op 16 december 2025 naar de fabriek in Breskens zou komen om zijn inschrijving als bestuurder te regelen en dat Boom voor de kerst zou worden ontslagen als bestuurder.
3.24
Op 15 december 2025 heeft [B] in een e-mail aan [A] herhaald dat de medewerkers het eerdere bezoek als onveilig hebben ervaren en dat [A] alleen welkom is op uitnodiging. Desondanks heeft [A] op 16 december 2025 tevergeefs getracht om toegang te krijgen tot de locatie in Breskens.
3.25
Boom heeft de ondernemingsraad op 16 december 2025 geschreven dat GHE, de verstrekker van een (hypothecaire) lening van € 2.750.000,-, schriftelijk heeft bevestigd dat de looptijd van de lening wordt verlengd tot 20 december 2026 onder gelijkblijvende voorwaarden en rente, waarbij GHE bevoegd is om de geldlening met onmiddellijke ingang op te zeggen indien zich een wijziging voordoet in het bestuur van een van de drie schuldenaren Confiserie Napoleon, LJH en Kors.
3.26
Op 18 december 2025 heeft [A] een lang en onsamenhangend WhatsApp-bericht aan [de voorzitter van de OR] gestuurd waarin hij onder meer verstrekkende personele wijzigingen aankondigde.
3.27
Op 13 januari 2026 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [B] en ABN. De daarvan gemaakte gespreksnotitie luidt ten aanzien van de kredietrelatie:
“(…)
Belangrijke aandachtspunten vanuit ABN AMRO Bank
• De aandeelhouder mag zich niet actief bemoeien met de operationele aansturing.
• De aandeelhouder mag zich niet inschrijven als bestuurder.
Indien een van deze situaties zich voordoet, zal ABN AMRO Bank de bancaire relatie beëindigen en een exit plan voorbereiden. Datzelfde geldt indien [B] - net als eerder [C] - als bestuurder zou worden ontslagen.”
3.28
Op 14 januari 2026 is deze gespreknotitie met [A] en de ondernemingsraad gedeeld. Op 14 januari 2026 is Kors met ingangsdatum van 5 januari 2026 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven als bestuurder van LJH.
3.29
Op 16 januari 2026 heeft [A] [B] mondeling geïnformeerd dat hij Boom per direct op non-actief had gesteld en dat hij Kors op 14 januari 2026 met ingang van 5 januari 2026 als bestuurder van LJH had ingeschreven in het handelsregister.
3.3
Op 19 januari 2026 heeft [B] ABN op de hoogte gebracht van de inschrijving van Kors als bestuurder en verzocht om de kredietlijn open te houden. Bij brief van 23 januari 2026 heeft ABN de kredietrelatie bij wijze van tijdelijke maatregel bevroren en de kredietruimte teruggebracht tot € 0,-.

4.De gronden van de beslissing

Verzoek tot enquête en tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen
4.1
De ondernemingsraad heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van LJH en haar dochtervennootschappen en dat de toestand van de vennootschappen nodig maakt dat onmiddellijke voorzieningen worden getroffen. Als toelichting heeft de ondernemingsraad – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Er is sprake van een te verregaande bemoeienis met het bestuur van de ondernemingen door enig aandeelhouder Kors, in de persoon van [A] . [A] meent dat hij als enig aandeelhouder bevoegd is het beleid en de gang van zaken van LJH en haar dochtervennootschapen te bepalen en laat zich niet corrigeren door het bestuur. Hij laat hierbij zijn eigen belangen prevaleren boven dat van LJH en de met haar verbonden onderneming. Dit is onwenselijk, gezien de mentale staat van [A] en zijn verslaving aan verdovende middelen, die maken dat hij irrationele besluiten aankondigt en ook neemt. Dit komt onder meer tot uiting in de mondelinge schorsing van Boom als bestuurder van LJH en de (inschrijving van de) benoeming van Kors als bestuurder, zonder daarbij het adviesrecht van de ondernemingsraad in acht te nemen. Deze gang van zaken zet de verhoudingen met het bestuur op scherp, heeft schadelijke gevolgen voor de relatie met ABN en financier GHE en zorgt ervoor dat werknemers een onveilige werkomgeving ervaren. Dit terwijl de slechte financiële situatie en noodzaak tot vergaande investeringen binnen de door LJH gedreven onderneming maken dat er op korte termijn een veelheid aan strategische beslissingen genomen moeten worden.
4.2
Confiserie Napoleon c.s. en Boom onderschrijven grotendeels wat door de ondernemingsraad naar voren is gebracht, maar verzoeken om een onderzoek bij LJH en haar dochtervennootschappen voorlopig aan te houden. Zij verzetten zich tegen de benoeming van een bestuurder naast Boom en tegen toewijzing van het verzochte contactverbod, omdat dit disproportioneel zou zijn.
4.3
[A] heeft ter zitting, mondeling – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Er zijn in het verleden dieven in de onderneming geweest in de persoon van de in 2017 door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder en dat heeft hem ernstig geschaad, zowel mentaal als financieel. De situatie rond de financiering bij ABN en bij GHE vormt geen probleem voor de onderneming. Kors kan als enig aandeelhouder het beleid en de gang van zaken van LJH bepalen en is ook bevoegd om Boom als bestuurder te schorsen en te ontslaan en om Kors als bestuurder te benoemen. Dat personeelsleden hebben gezegd zich onveilig te hebben gevoeld bij de bezoeken van [A] aan de bedrijfslocaties kan [A] zich niet goed voorstellen. [A] acht zichzelf bij uitstek geschikt om de onderneming te leiden; hij weet als geen ander hoe het werkt in de snoep-branche, hoe de onderneming winstgevend gemaakt kan worden en wat er nodig is om dat ook voor de toekomst veilig te stellen. Wanneer Kors nu niets te zeggen zou hebben bij LJH dan zou [A] liever willen stoppen met de fabriek, de werkmaatschappijen liquideren en verder gaan met de merkenrechten, die in LJH zitten.
Gegronde redenen
4.4
De Ondernemingskamer is van oordeel dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van LJH en haar dochtervennootschappen, die een onderzoek rechtvaardigen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.5
Uitgangspunt is dat het bestuur de strategie van de vennootschap bepaalt en daarover aan de algemene vergadering verantwoording aflegt, maar dat het bestuur in beginsel niet verplicht is om de algemene vergadering vooraf in zijn besluitvorming te betrekken als het gaat om handelingen waartoe het bestuur bevoegd is. Bij het bepalen van de strategie van de vennootschap richt het bestuur zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Een aandeelhouder mag in beginsel zijn eigen belang tot richtsnoer nemen, waarbij de aandeelhouder zich wel moet gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd (artikel 2:8 BW Pro). Wat de redelijkheid en billijkheid vorderen, hangt af van de omstandigheden van het geval. Een aandeelhouder mag bij de uitoefening van zijn rechten het belang van de vennootschap in beginsel niet veronachtzamen, zo volgt uit artikel 2:8 BW Pro. Ook de mate waarin een aandeelhouder rekening moet houden met andere belangen, hangt af van de omstandigheden van het geval. In zijn algemeenheid dient een aandeelhouder meer gewicht toe te kennen aan de eisen van redelijkheid en billijkheid naarmate zijn invloed op de vennootschap en haar onderneming groeit en naarmate meer belangen van andere betrokkenen in het geding zijn. In bijzondere omstandigheden kan dit meebrengen dat een meerderheidsaandeelhouder het belang van de vennootschap dient te laten prevaleren boven zijn eigen belangen (vgl. ECLI:NL:GHAMS:2022:302, Funda; ECLI:NL:GHAMS:2025:3290, Centric). De juiste naleving van de WOR en het functioneren van de ondernemingsraad wegen mee bij de beoordeling van de vraag of blijkt van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken.
4.6
Vanaf het moment dat Kors op 20 december 2024 weer enig aandeelhouder werd van LJH heeft [A] zich steeds nadrukkelijker bemoeid met de dagelijkse gang van zaken van LJH en haar dochtervennootschappen. De dwingende, wispelturige en vaak onvoorspelbare wijze waarop [A] daarbij optreedt, geeft aanleiding te twijfelen aan een juiste gang van zaken bij LJH. Uit het dossier en de mondelinge behandeling komt het beeld naar voren dat [A] onder invloed van zijn mentale toestand, gecombineerd met een verslaving aan verdovende middelen, namens Kors als enig aandeelhouder van LJH veelal in een opwelling min of meer ondoordachte (beleids)beslissingen voorstelt, aankondigt en soms ook neemt, waarbij hij de
governancebinnen de groep niet respecteert, voorbijgaat aan de bevoegdheden van het bestuur en de formele vereisten voor besluitvorming door de algemene vergadering. [A] geeft het bestuur van LJH en de dochtervennootschappen rechtstreeks en op dwingende wijze instructies en stelt zich op het standpunt dat het bestuur gehouden is alle aanwijzingen van enig aandeelhouder Kors zonder meer op te volgen. [A] meent ten onrechte dat hij als bestuurder van enig aandeelhouder Kors het beleid en de strategie van LJH kan dicteren. Ook ter zitting heeft [A] dit standpunt gehandhaafd.
4.7
Het optreden van [A] heeft geleid tot onrust en onzekerheid binnen LJH en haar dochtervennootschappen. Nadat eind 2024 [C] door Kors tot bestuurder van LJH was benoemd, is de verhouding tussen [C] en [A] dusdanig geëscaleerd dat [C] zich genoodzaakt heeft gezien om in het zicht van zijn naderend ontslag op 1 augustus 2025 bij overeenkomst de enquêtebevoegdheid aan de ondernemingsraad toe te kennen. Nog dezelfde dag is [C] door Kors ontslagen en is Boom met ingang van 1 augustus 2025 tot bestuurder van LJH benoemd. In de periode daarna is ook de verhouding tussen [A] en [B] snel verslechterd, wat heeft geresulteerd in de aankondiging dat ook Boom zou worden ontslagen, de inschrijving van Kors als statutair bestuurder op 14 januari 2026 en de poging van Kors om Boom op 16 januari 2026 te schorsen, zonder dat aan dit handelen rechtsgeldige aandeelhoudersbesluiten ten grondslag lagen. De wettelijke bevoegdheden van de ondernemingsraad zijn bij dat alles genegeerd.
4.8
Het optreden van [A] namens Kors vormt inmiddels ook een concrete bedreiging voor de financiële positie van de LJH en haar dochtervennootschappen. De nodige vernieuwing van het machinepark vergt een investering van circa € 10 miljoen. ABN is in beginsel bereid daarvan € 7,5 miljoen te verstrekken. Op 13 mei 2025 heeft ABN in een gesprek met toenmalig bestuurder [C] evenwel te kennen gegeven dat zij de kredietrelatie zou beëindigen als [A] zich met de dagelijkse gang van zaken binnen de onderneming zou gaan bemoeien. Omdat [C] zich tegen de bemoeienis van [A] verzette en weigerde diens instructies te volgen, moest hij het veld ruimen en werd hij per 1 augustus 2025 opgevolgd door Boom. Nadat [A] had aangekondigd dat ook Boom zou worden ontslagen en dat Kors tot bestuurder van LJH zou worden benoemd, heeft op 13 januari 2026 opnieuw een gesprek met ABN plaatsgevonden. In dat gesprek bevestigde ABN dat zij de kredietrelatie zou beëindigen als [A] zich met de aansturing van de onderneming zou gaan bemoeien, Boom zou worden ontslagen en/of Kors als bestuurder zou worden benoemd. Naar aanleiding van de inschrijving op 14 januari 2026 van Kors in het handelsregister als bestuurder van LJH heeft ABN op 23 januari 2026 ook daadwerkelijk de kredietrelatie bij wijze van tijdelijke maatregel bevroren en de kredietruimte teruggebracht tot € 0. Daarnaast is de verhouding met geldverstrekker GHE onder druk komen te staan vanwege de bij herfinanciering overeengekomen
change-of-control-bepaling. Daarmee is de Ondernemingskamer genoegzaam gebleken dat de wijze waarop [A] zich steeds nadrukkelijker bemoeit met de invulling van het bestuur en de dagelijkse gang van zaken van LJH en haar dochtervennootschappen ook direct schadelijke gevolgen heeft voor LJH en haar dochtervennootschappen.
4.9
De Ondernemingskamer acht daarnaast van belang dat [A] in zijn communicatie met [C] , Boom, [de voorzitter van de OR] en andere bij de onderneming betrokkenen de grenzen van het betamelijke overschrijdt. Tijdens de bezoeken aan de fabriek in Breskens op 18 november 2025 en het bezoek aan de locatie in Zwijndrecht op 9 december 2025 hebben personeelsleden het gedrag van [A] als intimiderend en onveilig ervaren. Ondanks duidelijke verzoeken van de ondernemingsraad en van Boom om dergelijke onaangekondigde bezoeken achterwege te laten, heeft [A] op 16 december 2025 opnieuw getracht de locatie in Zwijndrecht te bezoeken. De e-mail- en WhatsApp-berichten aan [C] , [B] , [de voorzitter van de OR] en anderen bevatten een oeverloze, vaak warrige en onaangenaam getoonzette aanklacht tegen al hetgeen volgens [A] niet goed gaat binnen de onderneming en daarbuiten. [A] heeft op geen enkel moment – ook niet ter zitting – gereflecteerd op zijn eigen handelen, of blijk gegeven zich bewust te zijn van de bestaande aanzienlijke problemen van LJH en de rol die hij daarin speelt. De Ondernemingskamer acht het aannemelijk dat gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden de voortdurende betrokkenheid van [A] uiteindelijk de continuïteit van de door LJH gedreven onderneming in gevaar kan brengen.
4.1
Naar het oordeel van de Ondernemingskamer levert al het voorgaande gegronde redenen op om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van LJH en haar dochtervennootschappen, die een onderzoek rechtvaardigen. De Ondernemingskamer zal een onderzoek gelasten naar het beleid en de gang van zaken van LJH en haar dochtervennootschappen over de periode vanaf 20 december 2024 – de datum waarop Kors enig aandeelhouder werd van LJH met betrekking tot de hiervoor onder 4.6 tot en met 4.9 genoemde onderwerpen en een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemen om het onderzoek te verrichten
4.11
De Ondernemingskamer zal de kosten van het onderzoek voor rekening brengen van LJH. De Ondernemingskamer zal het bedrag dat het onderzoek maximaal mag kosten niet meteen vaststellen, maar de te benoemen onderzoeker vragen om binnen zes weken een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen. De Ondernemingskamer zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over die begroting en vervolgens het onderzoeksbudget vaststellen.
Onmiddellijke voorzieningen
4.12
De Ondernemingskamer acht het met het oog op de toestand van LJH en haar onderneming noodzakelijk om als onmiddellijke voorziening een derde als commissaris van LJH te benoemen die toezicht dient te houden op het bestuur van LJH en het bestuur met raad zal kunnen bijstaan. Deze commissaris zal – hoewel de statuten van LJH niet een raad van commissarissen kennen en in zoverre in afwijking van die statuten – als raad van commissarissen van LJH fungeren en aldus alle rechten en bevoegdheden hebben die de wet aan een raad van commissarissen toekent. Ook oordeelt de Ondernemingskamer het noodzakelijk om de door Kors gehouden aandelen in LJH ten titel van beheer over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder.
4.13
De te benoemen commissaris en beheerder mogen het ook tot hun taak rekenen om te bezien of in overleg met alle betrokken partijen een blijvende oplossing van de binnen LJH en haar onderneming bestaande
governance-problemen kan worden gevonden.
4.14
De Ondernemingskamer zal de kosten van het onderzoek en de te benoemen commissaris en beheerder voor rekening brengen van LJH.
4.15
De Ondernemingskamer ziet verder aanleiding om bij wijze van onmiddellijke voorziening voor de duur van het geding te bepalen dat – voor zover al daartoe strekkende rechtsgeldige besluiten zijn genomen – Kors wordt geschorst als bestuurder van LJH, een eventueel besluit tot schorsing van Boom als bestuurder van LJH wordt geschorst en, voor zover door Kors rechtsgeldige bestuursbesluiten bij LJH zijn genomen, ook deze besluiten worden geschorst.
4.16
De Ondernemingskamer ziet vooralsnog geen aanleiding voor toewijzing van het verzochte contacts- en gebiedsverbod of voor het treffen van andere onmiddellijke voorzieningen.
Proceskosten
4.17
De Ondernemingskamer zal LJH – als de overwegend in het ongelijk gestelde partij – veroordelen in de kosten van de procedure.

5.De beslissing

De Ondernemingskamer:
a. beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van [LJH] , Confiserie Napoleon B.V., Confiserie Napoleon Sales B.V., Confiserie Napoleon Belux B.V. en Confiserie Napoleon Export B.V. over de periode vanaf 20 december 2024, zoals omschreven onder 4.10 van deze beschikking;
b. benoemt mr. E.L. Zetteler te Utrecht om het onderzoek te verrichten;
c. houdt in verband met het bepaalde in 4.11 de vaststelling van het onderzoeksbudget aan en verzoekt de onderzoeker binnen zes weken na heden een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te sturen;
d. bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van [LJH] en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor het begin van de werkzaamheden zekerheid moet stellen;
e. benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van het geding – voor zover nodig in afwijking van de statuten – mr. J.A. van der Have te Breda tot commissaris van [LJH] ;
f. bepaalt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure, dat de door Kors B.V. gehouden aandelen in [LJH] ten titel van beheer zijn overgedragen aan mr. M.W.E. Evers te Amsterdam;
g. bepaalt dat het salaris en de kosten van de commissaris en van de beheerder van aandelen voor rekening komen van [LJH] en bepaalt dat [LJH] voor de betaling daarvan ten genoegen van de commissaris en van de beheerder zekerheid dient te stellen vóór aanvang van diens werkzaamheden;
h. bepaalt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure:
- dat – voor zover Kors B.V. al rechtsgeldig tot bestuurder van [LJH] is benoemd – Kors B.V. is geschorst als bestuurder van [LJH] ;
- dat een eventueel besluit tot schorsing van Boom Financial Services B.V. als bestuurder van [LJH] is geschorst; en
- dat voor zover Kors B.V. rechtsgeldige besluiten als bestuurder van [LJH] heeft genomen, deze zijn geschorst;
i. benoemt mr. A.W.H. Vink tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW Pro;
j. veroordeelt [LJH] in de kosten van de procedure tot op heden aan de kant van de ondernemingsraad begroot op € 4721;
k. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
l. wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. A.P. Wessels en mr. J.M. de Jongh, raadsheren, en drs. V.G. Moolenaar en mr. S.M. Zijderveld, raden, in tegenwoordigheid van mr. S. IJntema, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.P. Wessels op 14 april 2026.