Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1012

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
23-001770-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling voor voorwaardelijk opzet invoer cocabladeren met cocaïne-alkaloïden

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 17 april 2026 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de politierechter van 8 juli 2025. De verdachte werd verdacht van het invoeren van ruim 60 kilo vermalen cocabladeren die cocaïne-alkaloïden bevatten. De verdachte erkende kennis te hebben van het verbod op invoer van dergelijke stoffen.

De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet en overhandigde stukken die zouden aantonen dat de cocabladeren vrij waren van cocaïne-alkaloïden. Het hof stelde echter vast dat deze stukken betrekking hadden op andere partijen dan de partij waarop de tenlastelegging zag. Voor de tenlastegelegde partij was geen bewijs geleverd dat deze vrij was van cocaïne-alkaloïden.

Het hof oordeelde dat de verdachte, gezien zijn professionele betrokkenheid bij de import en verkoop, had moeten controleren of de partij vrij was van verboden stoffen. Door dit na te laten en bewust de aanmerkelijke kans te aanvaarden dat de partij cocaïne-alkaloïden bevatte, was sprake van voorwaardelijk opzet. Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter en verwierp het verweer van de verdachte.

Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling van verdachte wegens voorwaardelijk opzet op invoer van cocabladeren met cocaïne-alkaloïden.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001770-25
datum uitspraak: 17 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 8 juli 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-282148-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1969,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit om die reden bevestigen met dien verstande dat het hof:
- onderstaande bewijsoverweging in de plaats stelt van de bewijsoverweging door de politierechter onder 3.2 van het vonnis;
- de bewijsmiddelen, na het eventueel instellen van beroep in cassatie, zal uitwerken in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman, overeenkomstig zijn pleitnotities, aangevoerd dat bij de verdachte geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte is op 27 augustus 2024 vanuit Lima aangekomen op luchthaven Schiphol. In zijn ruimbagage is een partij van ruim 60 kilo groene substantie aangetroffen. Het bleek te gaan om vermalen cocabladeren. Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut volgt dat deze partij vermalen cocabladeren het alkaloïde cocaïne bevatte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij uit hoofde van zijn bedrijf wist dat het invoeren van vermalen cocabladeren die cocaïne-alkaloïden bevatten niet is toegestaan. Vaststaat dat het door de verdachte ingevoerde plantenmateriaal wel dergelijke alkaloïden bevatte.
De verdediging heeft verschillende stukken overgelegd, waaronder bijlage B bij de pleitnota, waaruit volgens de verdediging zou blijken dat de door de verdachte ingevoerde vermalen cocabladeren vrij waren van cocaïne-alkaloïden. Het hof stelt echter vast dat deze stukken betrekking hebben op andere partijen dan de partij waarop de tenlastelegging ziet. Uit die stukken blijkt bovendien dat bij andere zendingen uitdrukkelijk was vermeld dat die alkaloïden-vrij waren. Ten aanzien van de tenlastegelegde partij heeft de verdachte uitsluitend een factuur overgelegd. Noch uit die factuur, noch uit de op de partij aangebrachte etiketten volgt dat de tenlastegelegde partij vrij was van cocaïne-alkaloïden.
Het had op de weg van de verdachte gelegen – zeker nu hij zich beroepsmatig bezighoudt met de import en verkoop van dergelijke producten – zich ervan te vergewissen dat de tenlastegelegde partij geen cocaïne-alkaloïden bevatte. Verdachte heeft dat nagelaten. Door die partij Nederland binnen te brengen, terwijl hij wist dat de invoer van vermalen cocabladeren met cocaïne-alkaloïden verboden is en zonder te controleren of de door hem vervoerde partij daarvan vrij was, heeft de verdachte naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat die partij cocaïne-alkaloïden bevatte. Het verweer wordt daarom verworpen. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de invoer van cocaïne in Nederland.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. M.T.C. de Vries en mr. N.J.M. de Munnik, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten en mr. R.C.E. van Tilburg, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 april 2026.
Mr. N.J.M. de Munnik is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.