Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1030

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
23-003024-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in koerierszaak cocaïne-invoer Schiphol met toepassing LOVS-oriëntatiepunten

In deze zaak is verdachte veroordeeld voor het invoeren van ongeveer 646 gram cocaïne via Schiphol. De rechtbank Noord-Holland had een lagere straf opgelegd dan de landelijke LOVS-oriëntatiepunten voorschrijven, vanwege een nieuw beleid gericht op koerierszaken. Het openbaar ministerie stelde hoger beroep in tegen deze strafvermindering.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd, behalve de strafoplegging die het vernietigde en verving door een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het hof baseerde zich op de LOVS-oriëntatiepunten, die het als het juiste referentiekader beschouwt voor rechtseenheid en voorspelbaarheid, en wees het nieuwe beleid van de rechtbank af.

Het hof nam ook de recidive van verdachte mee in de strafbepaling en hield rekening met de onrechtmatige voorgeleiding aan de rechter-commissaris, wat strafmatigend werd meegewogen. De persoonlijke omstandigheden van verdachte gaven geen aanleiding tot strafvermindering. De voorlopige hechtenis werd opgeheven zodra de duur van de hechtenis gelijk was aan de onvoorwaardelijke straf.

Deze uitspraak maakt deel uit van een themazitting over koerierszaken en benadrukt het belang van landelijke oriëntatiepunten en maatwerk binnen de strafoplegging. Het hof wijst erop dat aanpassing van de LOVS-oriëntatiepunten een taak is voor de Commissie Rechtseenheid en niet voor de feitenrechter.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003024-25
datum uitspraak: 21 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 23 december 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-338160-25 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteland] op [geboortedag] 1983,
adres: [adres] ,
thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting [detentieadres] .

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
31 maart 2026 en 21 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Daaronder is begrepen de brief van 8 april 2026, die de verdachte als bijlage bij zijn laatste woord naar de voorzitter van het hof heeft gestuurd.

2.Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Het hof overweegt dat kan worden volstaan met de in het vonnis vermelde opgave van de bewijsmiddelen, aangezien de verdachte het tenlastegelegde heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit. Voorts vervangt het hof de strafmotivering door de navolgende overwegingen.

3.Oplegging van straf

3.1.
Inleiding
De onderhavige zaak is één van twaalf zaken die het hof op een zogeheten themazitting heeft behandeld. Deze themazitting is georganiseerd naar aanleiding van nieuw beleid van de rechtbank Noord-Holland bij de staftoemeting in zaken die zien op koeriers van (in- of uitgevoerde) harddrugs op de luchthaven Schiphol (hierna ‘koerierszaken’). [1] De rechtbank is in deze twaalf zaken in de straftoemeting in het voordeel van de verdachten afgeweken van de (landelijk vastgestelde) oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en zij heeft daarbij eigen ‘voorlopige’ uitgangspunten voor de straftoemeting geformuleerd. Dat nieuwe beleid houdt in dat de rechtbank op hieronder aangegeven wijze drie breder georiënteerde uitgangspunten hanteert in plaats van de in de LOVS-oriëntatiepunten genoemde negentien tredes (verderop in dit arrest weergegeven).
De rechtbank neemt in het nieuwe beleid bij een gewicht tot 1.500 gram aan gesmokkelde harddrugs als uitgangspunt een gevangenisstraf tot 8 maanden en/of een taakstraf; bij een hoeveelheid van 1.500 tot 5.000 gram een gevangenisstraf van 6 tot 24 maanden; en bij een hoeveelheid van 5.000 tot 20.000 gram een gevangenisstraf van 20 tot 36 maanden. Deze straffen zijn aanzienlijk lager dan de straffen die in de LOVS-oriëntatiepunten bij vergelijkbare hoeveelheden harddrugs worden genoemd.
De reden voor voornoemde (beleidsmatige) aanpassing van de straftoemeting in koerierszaken heeft de politierechter als volgt gemotiveerd:
“Ten aanzien van het hiervoor genoemde oriëntatiepunt [het hof begrijpt: met betrekking tot de in onderhavige zaak vastgestelde invoer van ongeveer 646 gram cocaïne] overweegt de politierechter dat daarin met een forse gevangenisstraf tot uitdrukking wordt gebracht dat het bij de in/-uitvoer van harddrugs gaat om een ernstig misdrijf, waarvan potentiële nieuwe daders zoveel mogelijk moeten worden weerhouden. Het belang van dit strafdoel (generale preventie) staat als zodanig niet ter discussie, maar de politierechter constateert wel dat al enige tijd een
disbalans bestaat tussen de hoogte van gevangenisstraffen die worden opgelegd aan op de
luchthaven aangehouden drugskoeriers, en de hoogte van gevangenisstraffen die worden
opgelegd aan verdachten die zich, vaak voor langere tijd, hebben beziggehouden met (de
organisatie van) vervaardiging, handel, in- en/of uitvoer van (zeer) grote hoeveelheden
harddrugs. In tegenstelling tot deze laatste groep hebben de koeriers die via Schiphol reizen
een relatief kleine hoeveelheid drugs bij zich en is hun aandeel in de smokkel in de regel
beperkt tot het enkele vervoer ervan. Desondanks worden deze drugskoeriers
verhoudingsgewijs aanmerkelijk zwaarder gestraft dan verdachten die worden berecht voor
de smokkel van, al dan niet in georganiseerd verband, grote hoeveelheden drugs. Deze
disbalans is in de afgelopen jaren vergroot door procesafspraken die regelmatig worden
gemaakt met verdachten die worden beschuldigd van betrokkenheid bij de organisatie van
grootschalige drugshandel. Bij procesafspraken is sprake van een tussen het openbaar
ministerie en de verdediging overeengekomen afdoeningsvoorstel dat – indien het door de
rechter wordt gevolgd – doorgaans leidt tot een aanzienlijk lagere straf dan zonder de
gemaakte procesafspraken zou zijn opgelegd. In deze ontwikkelingen ziet de politierechter
aanleiding om de straffen voor de drugskoeriers die op de luchthaven Schiphol worden
aangehouden te matigen. Voor deze matiging van de strafmaat ten opzichte van het oriëntatiepunt van het LOVS hanteert de politierechter – voorlopige – nieuwe algemene
uitgangspunten. De politierechter probeert met deze uitgangspunten ook te komen tot meer
maatwerk bij de bestraffing van de genoemde categorie drugskoeriers, omdat het daarbij in
veel gevallen gaat om verdachten die kwetsbaar zijn door hun slechte persoonlijke
omstandigheden en die (mede) onder invloed daarvan tot het plegen van hun misdrijf zijn
gekomen.”
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 110 dagen, met aftrek van voorarrest.
3.2.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het – naar het oordeel van het hof uitdrukkelijk onderbouwde – standpunt gesteld dat het nieuwe beleid van de rechtbank Noord-Holland niet gevolgd moet worden en dat het hof bij de straftoemeting in koerierszaken aansluiting dient te zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten. Daartoe is – samengevat – het volgende aangevoerd:
  • de LOVS-oriëntatiepunten zijn het resultaat van een zorgvuldig landelijk proces met als doel: gelijkheid, voorspelbaarheid en eenheid in de strafoplegging, en zij vormen een essentieel referentiekader voor de rechter bij het bepalen van proportionele en rechtvaardige straffen;
  • drugszaken lenen zich bij uitstek voor een afdoening middels landelijke oriëntatiepunten, er kan immers worden aangeknoopt bij de hoeveelheid verdovende middelen, het soort verdovende middel en de rol die een verdachte binnen de criminele keten heeft;
  • drugskoeriers komen niet alleen via Schiphol het land in en dienen bij alle rechtbanken en hoven op dezelfde wijze bestraft te worden;
  • de rechtbank legt nu, zonder aanziens des persoons, standaard lagere straffen op aan drugskoeriers, terwijl het de rechter al vrijstaat vanwege strafverzwarende of -verminderende omstandigheden van de LOVS-oriëntatiepunten af te wijken en dus maatwerk toe te passen;
  • de door de rechtbank genoemde scheefgroei tussen de bestraffing van drugskoeriers en straffen die in grote drugszaken worden opgelegd is niet concreet gemaakt;
  • procesafspraken zijn individueel van aard en toegespitst op de zaak en op de verdachte en kunnen niet als algemeen argument worden gebruikt om oriëntatiepunten voor alle zaken te verlagen;
  • buitenlandse koeriers komen in aanmerking voor strafonderbreking, onder de voorwaarde dat zij niet meer naar Nederland terugkeren, waardoor zij slechts de helft van de opgelegde gevangenisstraf uit hoeven te zitten, hetgeen een matigende werking op de straf heeft;
  • de wetgever heeft, gelet op de strafbedreiging, de invoer van drugs als een ernstig strafbaar feit gekwalificeerd, dat gepaard gaat met veel andere vormen van criminaliteit en grote gevolgen heeft voor de volksgezondheid. In de samenleving leeft de opvatting dat drugscriminaliteit zwaarder moet worden aangepakt, niet lichter. Zo is een wetsvoorstel ingediend om het strafmaximum voor drugssmokkel nog verder te verhogen;
  • Nederland heeft de internationaalrechtelijke verplichting (genoemd in o.a. het VN-drugsverdrag en het kaderbesluit van de Europese Unie (EU) 2004/757/AZ) om zich in te spannen drugssmokkel tegen te gaan, onder andere door straffen op te leggen die evenredig zijn aan de ernst van de strafbare feiten. Daarbij komt dat Nederland minder zwaar straft voor de in- en uitvoer van harddrugs dan een aantal andere EU-landen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte, conform de LOVS-oriëntatiepunten (waarin voor de in- en uitvoer van harddrugs bij een hoeveelheid van 500 tot 1.000 gram bij de
categorie ‘standaard’ een gevangenisstraf voor de duur van 6 tot 8 maanden als oriëntatiepunt is geformuleerd, te verhogen vanwege de omstandigheid dat sprake is van recidive), zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.
3.3.
Standpunt van de verdediging
De raadsman kan zich vinden in de beslissing van de rechtbank en de uitgangspunten die de rechtbank heeft opgesteld. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd:
  • er is sprake van scheefgroei tussen zaken als de onderhavige en zaken waarin honderden, dan wel duizenden kilo’s verdovende middelen worden ingevoerd en waarin (vaak) wel afwijkend van de LOVS-oriëntatiepunten wordt gestraft;
  • procesafspraken die worden gemaakt in andere drugszaken leiden eveneens tot scheefgroei, omdat in dergelijke zaken straffen worden opgelegd die beduidend lager zijn dan de LOVS-oriëntatiepunten;
  • de door het openbaar ministerie genoemde internationale vergelijkingen van straffen zijn gebaseerd op een bijna 10 jaar oud, dus niet meer relevant en actueel rapport en er is bovendien sprake van
  • strafonderbreking, die een matigende werking op de straf zou hebben, gaat voor de verdachte niet op, omdat hij een Nederlands paspoort heeft;
  • de straf van de verdachte kan, óók indien door het hof het nieuwe beleid van de rechtbank niet wordt gevolgd, in stand blijven vanwege maatwerk.
De raadsman heeft het hof voorts verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn slechte financiële positie, de omstandigheid dat verdachtes vrouw, die in Venezuela woont, geopereerd dient te worden en dat de verdachte, indien hij niet terug kan naar Curaçao, zijn uitkering zal verliezen, omdat hij daarvoor op Curaçao een nieuwe bankrekening moet aanvragen.
3.4.
Overwegingen van het hof
3.4.1.
Algemeen
Het hof zal in deze overwegingen zaaksoverstijgend ook ingaan op aspecten die in andere zaken op deze themazitting door de verdediging van andere verdachten naar voren is gebracht.
Vooropgesteld dient te worden dat de rechter die over de feiten oordeelt over een ruime straftoemetingsvrijheid beschikt. Binnen de grenzen van de wet is hij vrij in de keuze van de op te leggen straf met inbegrip van de strafsoort en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. Deze straftoemetingsvrijheid stelt de feitenrechter in staat om te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het (ten laste van de verdachte) bewezenverklaarde, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen.
De grote mate van straftoemetingsvrijheid brengt evenwel ook de verantwoordelijkheid van de feitenrechter mee, dat hij met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging, en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging, inzicht geeft in de overwegingen die tot de opgelegde straf hebben geleid. [2] Tegen die achtergrond bevat het Wetboek van Strafvordering in artikel 359 leden Pro 5 en 6 enkele (algemene) motiveringsvoorschriften en in artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, het voorschrift dat de rechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie. Uit deze wettelijke voorschriften vloeit voort dat het hof, gelet op de strafmotivering als geheel en in het licht van de uiteenlopende zienswijzen van de verdediging en het openbaar ministerie over het nieuwe beleid van de rechtbank Noord-Holland in koerierszaken, voldoende inzichtelijk dient te maken waarom het hof is gekomen tot zijn beslissing over de strafoplegging en welke de gronden zijn die daartoe hebben geleid,
Voorts dient te worden vooropgesteld dat de LOVS-oriëntatiepunten geen ‘recht’ zijn in de zin van het bepaalde in artikel 79 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Omdat zij geen (dwingend) recht vormen [3] , is de feitenrechter niet aan de LOVS-oriëntatiepunten gehouden en is de uitleg hiervan aan hem voorbehouden, zij het dat die uitleg en toepassing wel begrijpelijk dient te zijn. [4]
Bij dit laatste aanknopend, verdient hier verder opmerking dat blijkens de inleiding bij de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken het LOVS in 1998 een eerste aanzet heeft gegeven om consistentie in de straftoemeting te bevorderen. Besloten is om voor een aantal vaak voorkomende delicten een strafmaat (oriëntatiepunt) aan te geven waarop de rechter zich kan oriënteren bij de oplegging van de straf. Oriëntatiepunten komen tot stand na een inventarisatie van de praktijk van de straftoemeting en na consultatie van alle gerechten. De oriëntatiepunten worden op voorstel van de Commissie Rechtseenheid door het LOVS vastgesteld. Om te bevorderen dat de oriëntatiepunten en LOVS-afspraken voldoende blijven aansluiten bij de praktijk, worden zij periodiek geëvalueerd. [5]
Voor de in- en uitvoer van harddrugs, genoemd in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet, heeft de LOVS de volgende oriëntatiepunten (met toelichting) opgesteld en gepubliceerd [6] :
Trede
Gewicht (gram)*
Standaard
Organisatie
1.
0-10
1-3 weken GS ov
n.v.t.
2.
10-50
3-5 weken GS ov
n.v.t.
3.
50-100
5-7 weken GS ov
n.v.t.
4.
100-150
7-10 weken GS ov
n.v.t.
5.
150-200
10-12 weken GS ov
n.v.t.
6.
200-500
3-6 maanden GS ov
6-8 maanden GS ov
7.
500-1000
6-8 maanden GS ov
8-12 maanden GS ov
8.
1000-1500
8-12 maanden GS ov
12-24 maanden GS ov
9.
1500-2000
12-24 maanden GS ov
24-30 maanden GS ov
10.
2000-3000
24-30 maanden GS ov
30-36 maanden GS ov
11.
3000-4000
30-36 maanden GS ov
36-42 maanden GS ov
12.
4000-5000
36-38 maanden GS ov
42-45 maanden GS ov
13.
5000-6.000
38-40 maanden GS ov
45-48 maanden GS ov
14.
6.000-7.000
40-42 maanden GS ov
48-51 maanden GS ov
15.
7.000-8.000
42-44 maanden GS ov
51-54 maanden GS ov
16.
8.000-9.000
44-46 maanden GS ov
54-57 maanden GS ov
17.
9.000-10.000
46-48 maanden GS ov
57-60 maanden GS ov
18.
10.000-20.000
48-60 maanden GS ov
60-72 maanden GS ov
19.
> 20.000
> 60 maanden GS ov
> 72 maanden GS ov**
* 1 pil of 5 ml = 0,5 gram
** Het gewicht van de partij(en) verdovende middelen kan enorm oplopen. Gelet op deze diversiteit kan geen nader uitgewerkt oriëntatiepunt worden gegeven.
Categorie 1: standaard
Betreft alle daders (zowel in- als uitvoer) waarbij geen sprake is van de categorie 2 (organisatie).
Omstandigheden die van belang zijn bij de straftoemeting:

zie de algemene oriëntatiepunten [7]

voor dit delict kan verder nog gedacht worden aan de volgende specifieke omstandigheden:
-
er is aantoonbaar sprake van bijzondere armoedige omstandigheden
-
er is sprake van een dader die duidelijk is misbruikt door de organisatie (te denken valt bijvoorbeeld aan daders met een beperkte intelligentie/grote naïviteit)
-
het betrekken van anderen bij de smokkel (vrienden, familie)
-
gebruikmaken van een dekmantel (bijvoorbeeld veinzen deel uit te maken van muziek-/dansgezelschap).
Categorie 2: organisatie
Betreft daders die enige rol in de organisatie spelen, als regelmatige koerier, controller of afhaler.
Omstandigheden die van belang zijn bij de straftoemeting:

zie de algemene oriëntatiepunten

voor dit delict kan verder nog gedacht worden aan de volgende specifieke omstandigheden:
-
plaats in de smokkelorganisatie
-
omvang van de partij(en)
-
betrokkenheid bij de productie
-
het betrekken van anderen bij de smokkel (vrienden, familie)
-
hebzucht is de voornaamste beweegreden
Anders dan de rechtbank neemt het hof deze LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt in de straftoemeting. Het hof is namelijk van oordeel dat de beginselen van rechtseenheid, rechtszekerheid en voorspelbaarheid (waaronder voorzienbaarheid) met het gebruik van deze oriëntatiepunten worden gediend.
Dat neemt niet weg dat het hof oog heeft voor de specifieke aard van de ‘koerierszaken’ en de door de rechtbank gesignaleerde disbalans in straftoemeting, die zich kan voordoen of voordoet tussen enerzijds deze zaken en anderzijds zaken waarin aanzienlijk grotere hoeveelheden harddrugs zijn in- of uitgevoerd en/of waarin de verdachte een andere (veelal grotere, organiserende) rol had. Indien deze door de rechtbank genoemde disbalans als meewegende factor in de straftoemeting zou moeten leiden tot aanpassing van de oriëntatiepunten, is het aan de Commissie Rechtseenheid om het LOVS daarover te adviseren; daarop zal het hof niet vooruitlopen door gebruik te maken van andere uitgangspunten dan de LOVS-oriëntatiepunten. Bij een (hernieuwde) doordenking van de oriëntatiepunten door de Commissie Rechtseenheid zou de gedachte kunnen worden betrokken van een oriënterend strafplafond (bijvoorbeeld van 40 maanden gevangenisstraf) voor de ‘koerierszaken’.
Daarbij komt dat het hof geen aanwijzingen heeft (verkregen) dat de Nederlandse samenleving in algemene zin milder over de straftoemeting in zaken betreffende harddrugs is gaan denken dan voorheen. Eerder lijkt het tegendeel het geval. Het hof wijst in dat verband op het op 7 maart 2025 ingediende wetsvoorstel tot wijziging van de Opiumwet in verband met de verhoging van het wettelijk strafmaximum van het aanwezig hebben, de handel, de productie en de in- en uitvoer van verdovende middelen als bedoeld in lijst 1 bij de Opiumwet (‘verhoging strafmaxima grootschalige drugscriminaliteit)’ [8] , dat tot doel heeft om (ondermijnende) drugscriminaliteit strenger te normeren en de maximaal op te leggen straffen te verhogen. [9]
Het hof merkt in deze algemene beschouwingen tot slot op dat de hiervoor genoemde straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter expliciet wordt aanvaard in de LOVS-oriëntatiepunten, ook wat betreft de hierboven weergegeven oriëntatiepunten voor de in- en uitvoer van harddrugs. Naast de hoeveelheid harddrugs kunnen immers onder meer de rol en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte meewegen bij de bepaling van de straf, evenals de specifieke omstandigheden waaronder het feit is begaan. Het hof benadrukt dat deze straftoemetingsfactoren er nu al toe kunnen leiden dat een (aanzienlijk) lagere straf wordt opgelegd dan de straf die in de LOVS-oriëntatiepunten voor de desbetreffende hoeveelheid gesmokkelde harddrugs wordt genoemd en dat (onder omstandigheden) ook andere strafmodaliteiten dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beeld kunnen komen, zodat maatwerk (nu al) in alle gevallen mogelijk is en blijft. Het hof plaatst daarbij wel de kanttekening dat de wijze waarop een straf mogelijk ten uitvoer zal worden gelegd, waaronder regelingen met betrekking tot strafonderbreking en voorwaardelijke invrijheidsstelling, in de regel geen rol speelt bij de straftoemeting.
3.4.2.
Toepassing op deze zaak
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 646 gram cocaïne, door deze in zijn lichaam vanuit Curaçao naar Nederland te brengen. Cocaïne is een voor de volksgezondheid schadelijke stof. Uit de verklaringen van de verdachte is af te leiden dat de cocaïne bedoeld moet zijn geweest voor verdere verspreiding en verhandeling. Met zijn handelen heeft de verdachte aldus een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de internationale drugshandel, die gepaard gaat met vele andere vormen van (niet zelden gewelddadige) criminaliteit.
Op de wijze zoals hiervoor uiteengezet, heeft het hof bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf gelet op de straffen genoemd in de LOVS-oriëntatiepunten. Daarin wordt voor de invoer van 500 tot 1.000 gram harddrugs een gevangenisstraf van 6 tot 8 maanden genoemd. Het hof neemt dit dan ook als uitgangspunt, hetgeen in dit geval meebrengt dat het hof alleen een vrijheidsbenemende straf passend acht.
Het hof heeft daarnaast acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 maart 2026. Hieruit is gebleken dat de verdachte meermalen eerder (in 2018 en 2025) onherroepelijk is veroordeeld voor feiten die te maken hebben met verdovende middelen. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om nogmaals een soortgelijk feit te plegen. Dit weegt het hof in het nadeel van de verdachte mee. Het hof heeft in zijn overweging ook betrokken de na het laatste woord van de verdachte van hem ontvangen – aan de voorzitter – gerichte brief. Deze brief heeft het hof opgenomen als bijlage bij het laatste woord in het dossier.
In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen aanleiding om de straf te matigen.
Wel wijst het hof nog op het volgende. De verdachte is op 11 december 2025 om 12.37 uur aangehouden en die dag om 14.35 uur in verzekering gesteld voor de tijd van ten hoogste drie dagen. Niet is gebleken dat de inverzekeringstelling is verlengd. De verdachte is op 16 december 2025 voorgeleid aan de rechter-commissaris. Het hof constateert dat die voorgeleiding niet is geschied binnen een termijn van drie dagen en achttien uur, te rekenen van het tijdstip van de aanhouding, hetgeen in strijd is met het voorschrift van artikel 59a, eerste lid, Sv. De verdachte is op 16 december 2025 rauwelijks in bewaring gesteld. Dat de voorschriften omtrent de inverzekeringstelling en voorgeleiding bij de rechter-commissaris niet in acht zijn genomen, geeft het hof aanleiding in strafmatigende zin daarmee rekening te houden.
Gelet op de ernst van het feit en de recidive acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf in beginsel passend, zodat het hof die straf zal opleggen. Het hof zal hiervan – mede gelet op hetgeen hierboven in stafmatigende zin is overwogen – evenwel een deel in voorwaardelijke vorm opleggen. Het hof beoogt daarmee tevens dat de verdachte ervan wordt weerhouden om nogmaals strafbare feiten te begaan.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

4.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht.

5.Voorlopige hechtenis

De advocaat-generaal heeft in het requisitoir naar voren gebracht dat op het tenlastegelegde feit naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld en de rechtsorde ernstig door dat feit is geschokt. De advocaat-generaal heeft daarom gevorderd dat deze in artikel 67a, tweede lid aanhef en onder sub 1, Sv genoemde grond voor voorlopige hechtenis (hierna: ‘twaalfjaarsgrond’) aan de in het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte genoemde grond(en) wordt toegevoegd.
Het hof acht in de huidige stand van de strafrechtelijke procedure, mede gelet op het bepaalde in artikel 75, eerste lid Sv, geen termen aanwezig om de gronden van het bevel tot voorlopige hechtenis met de ‘twaalfjaarsgrond’ uit te breiden en wijst de vordering van de advocaat-generaal dan ook af.

6.BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de (tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk opgelegde gedeelte van de) straf.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.J. Hofstee, mr. M.J.A. Plaisier en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van
mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
21 april 2026.

Voetnoten

1.Zie ook het persbericht van de Rechtbank Noord-Holland van 2 december 2025, https://www.rechtspraak.nl/organisatie-en-contact/organisatie/rechtbanken/rechtbank-noord-holland/nieuws/rechters-gaan-drugskoeriers-schiphol-lager-straffen.
2.Zie HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975.
3.Vgl. onder meer HR 27 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:1236.
4.Zie HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:114
6.Idem, pagina 36, deze oriëntatiepunten golden ook ten tijde van het plegen van het feit.
7.Idem, pagina’s 11-17, waarin onder meer strafverzwarende en strafmatigende omstandigheden zijn vermeld.
8.Voorstel van Wet,
9.Memorie van Toelichting,