Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1037

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
200.337.151/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:87 BWArt. 6:89 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen aansprakelijkheid verkoopbegeleider voor onttrokken gelden bij aandelenverkoop

Appellanten, minderheidsaandeelhouders van een vennootschap, stelden de verkoopbegeleider en commissaris aansprakelijk wegens tekortschieten bij de verkoop van aandelen en het onttrekken van cashmiddelen door meerderheidsaandeelhouders. De verkoopbegeleider had de opdracht om het verkoopproces te leiden en partijen adequaat te informeren.

Het hof oordeelde dat de verkoopbegeleider weliswaar eerder had kunnen informeren over de uitkering van de excess cash, maar dat appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat dit tot het voorkomen van schade had geleid. Daarnaast was de verkoopbegeleider als commissaris vrijgesteld van aansprakelijkheid, behalve bij opzet of fraude, wat niet was gebleken.

De gewijzigde koopprijsstructuur was een voorstel van de koper en werd door alle verkopers geaccepteerd. De discussie over de verdeling van de cashpositie was een onderlinge kwestie tussen aandeelhouders, waar de verkoopbegeleider geen bindende rol in had. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellanten in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van appellanten af wegens onvoldoende causaal verband en vrijwaring.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.337.151/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/725793/ HA ZA 22-970
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 april 2026
in de zaak van

1.[appellant 1] ,

wonende in [stad 1] , [land] ,
2.
[appellant 2] ,
wonende in [stad 1] , [land] ,
appellanten,
advocaat: mr. B.D. Bos te Rotterdam,
tegen
de maatschap
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [stad 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A.E. Goossens te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
[appellanten] waren 20%-aandeelhouders van [bedrijf 1] . De overige aandelen in [bedrijf 1] werden indirect gehouden door [naam 1] en [naam 2] (hierna samen: [naam 1] ), die beiden ook indirect bestuurder waren van [bedrijf 1] . Tussen [appellanten] en [naam 1] bestond een groot aantal geschillen. Tegen de achtergrond van deze geschillen is op verzoek van [appellanten] door de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam bij beschikking van 28 februari 2020 een commissaris benoemd bij [bedrijf 1] : mr. B.M.A van Hussen , advocaat en destijds werkzaam bij [geïntimeerde] .
1.2.
In 2021 heeft Van Hussen in opdracht van (onder anderen) [appellanten] en [naam 1] de verkoop van onder meer de aandelen in [bedrijf 1] begeleid. Volgens [appellanten] is Van Hussen tekort geschoten in de nakoming van die opdracht, dan wel in haar rol als door de Ondernemingskamer aangestelde commissaris en is zij uit dien hoofde aansprakelijk voor de daardoor door hen geleden schade. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen.
1.3.
Het hof komt tot het oordeel dat Van Hussen als verkoopbegeleider [appellanten] eerder had kunnen en moeten informeren over de uitkering aan [naam 1] van de zogenoemde excess cash over 2020, maar dat [appellanten] jegens haar ( [geïntimeerde] ) geen aanspraak kunnen maken op schadevergoeding omdat zij onvoldoende hebben onderbouwd dat er causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en het handelen van Van Hussen . Als commissaris is Van Hussen evenmin aansprakelijk. Op grond van een door [appellanten] gegeven vrijwaring kan alleen sprake zijn van aansprakelijkheid van Van Hussen als commissaris in geval van opzet en/of fraude en daarvan is niet gebleken. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 20 december 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 22 november 2023 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
2.2.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven; en
- memorie van antwoord met twee producties.
2.3.
Op 8 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.
2.4.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1.
De rechtbank heeft onder 2. van het bestreden vonnis de feiten weergegeven die zij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten dienen ook het hof tot uitgangspunt. Met inachtneming van grief I van [appellanten] en aangevuld met andere feiten die niet in geschil zijn, komen de feiten neer op het volgende.
3.2.
[appellanten] hielden 20% van de aandelen in [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). [naam 1] hielden via hun persoonlijke houdstermaatschappijen ieder 40% van de aandelen in [bedrijf 1] en waren ook (indirect) bestuurders van [bedrijf 1] .
3.3.
[appellanten] en [naam 1] hadden een groot aantal geschillen en voerden verschillende procedures tegen elkaar. Eén van de geschillen betrof de frambozenactiviteiten van [bedrijf 1] en de aan [naam 1] gelieerde vennootschappen [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) en [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ). Volgens [appellanten] hoorden de frambozenactiviteiten thuis in [bedrijf 1] en hebben [appellanten] ook recht op de met die activiteiten door [bedrijf 2] en [bedrijf 3] gegenereerde opbrengsten.
3.4.
[appellanten] hebben zich op 24 juli 2019 tot de Ondernemingskamer gewend met – voor zover hier relevant – het verzoek een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van [bedrijf 1] en bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding een commissaris bij [bedrijf 1] te benoemen die toezicht houdt op het bestuur en die een goedkeuringsrecht heeft met betrekking tot door de commissaris aan te wijzen besluiten.
3.5.
Bij beschikking van 27 februari 2020 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van [bedrijf 1] over de periode vanaf 1 juli 2021 bevolen en een nader aan te wijzen persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten. De Ondernemingskamer heeft voorts bij wijze van voorlopige voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van het geding een nader aan te wijzen persoon tot commissaris van [bedrijf 1] benoemd. In haar beschikking heeft de Ondernemingskamer overwogen dat deze commissaris als onderdeel van het te houden toezicht op het bestuur, in het bijzonder toezicht zal houden op alle transacties en betalingen tussen [bedrijf 1] en vennootschappen gelieerd aan [naam 1] en op adequate informatievoorziening van [appellanten] De Ondernemingskamer achtte het vooralsnog niet nodig om bepaalde bestuursbesluiten aan de goedkeuring van de te benoemen commissaris te onderwerpen en/of [bedrijf 1] te verbieden uitkeringen of betalingen te doen aan partijen gelieerd aan [naam 1]
3.6.
Bij beschikking van 28 februari 2020 heeft de Ondernemingskamer Van Hussen aangewezen als commissaris als bedoeld in haar beschikking van 27 februari 2020.
3.7.
Van Hussen heeft in het kader van haar benoeming als commissaris van [bedrijf 1] , van [appellanten] een vrijwaring gevraagd. Bij (ongedateerde) verklaring van maart 2020 hebben [appellanten] jegens Van Hussen – onder meer – afstand gedaan van het recht om haar als commissaris aansprakelijk te stellen voor schade die is of kan ontstaan ten gevolge van, of in verband met, haar handelen in voornoemde hoedanigheid, behoudens in geval van fraude en/of opzet (deze verklaring hierna: de vrijwaringsverklaring).
3.8.
Het gerechtshof Amsterdam heeft in een tussen onder anderen [appellanten] en [naam 1] aanhangige procedure op 21 april 2020 een deelarrest gewezen. Daarin heeft het hof onder meer overwogen dat bepaalde kwekersrechten en daaraan gelieerde licentie-inkomsten ter zake van frambozenactiviteiten onderdeel van de samenwerking tussen partijen waren en – samengevat – [appellanten] in staat gesteld nader te preciseren aan welke vennootschappen deze rechten en inkomsten toekwamen.
3.9.
Per brief van 22 december 2020 heeft de advocaat van Van Hussen , namens Van Hussen als commissaris van [bedrijf 1] , aan [appellanten] een voorstel gedaan, waarin onder meer is geschreven:
Cliënte heeft de heren [naam 1] en [naam 2] , die doordrongen zijn van het realiteitsgehalte van de momenteel te behalen meeropbrengst, bereid gevonden mee te werken aan een collectief verkoopproces en de opbrengst daarvan met uw cliënt te delen als was die 20% aandeelhouder van het geheel.
3.10.
[appellanten] en [naam 1] hebben onderhandeld over de gevolgen van het deelarrest en het voorstel van Van Hussen om tot verkoop over te gaan. Deze onderhandelingen hebben geleid tot een schikking die is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van 25 maart 2021 (hierna: de VSO) tussen [appellanten] en [naam 1] en aan hen gelieerde vennootschappen. Partijen bij de VSO zijn – samengevat – overeengekomen dat alle frambozenactiviteiten (ongeacht welke juridische entiteit daarvan rechthebbende was) zullen worden verkocht en dat [appellanten] 20% van de verkoopopbrengst zullen ontvangen (ook al waren zij slechts aandeelhouder van [bedrijf 1] ). Van Hussen kreeg van partijen bij de VSO de opdracht om als verkoopbegeleider op te treden en [naam 3] van [bedrijf 4] de opdracht om daarbij als corporate finance adviseur (in de VSO gedefinieerd als ‘Adviseur’) op te treden. Van Hussen heeft als blijk van aanvaarding van deze opdracht de VSO op 1 april 2021 ondertekend.
3.11.
In de VSO is onder meer het volgende opgenomen:
1.1
Partijen komen overeen dat zij alle aandelen en/of activa en/of passiva, ongeacht van en/of in welke vennootschap zich bevindend of op welke naam geregistreerd, met betrekking tot de veredeling en exploitatie van frambozenrassen waaronder kruisingen en selecties, alles in de ruimste zin van het woord (…) te koop zullen aanbieden. Deze Frambozenactiviteiten en de daaraan verbonden activa bestaan onder andere uit de activiteiten respectievelijk activa van de Vennootschap[hof: dit is [bedrijf 1] ]
alsmede de activiteiten respectievelijk activa van andere Partijen genoemd in de opdrachtbrief aan [bedrijf 4] , waaronder, maar niet uitsluitend veredelings-kramen, (aanvragen op) kwekersrechten, rassen in trial, royaltybeheer en administratie, weefselkweek, frambozenplanten, klanten, personeel, know how, royalty-dienstverlening, licentieovereenkomsten alles in de ruimste zin van het woord en alomvattend zonder enige beperking, een en ander met als doel de realisatie van de in artikel 1.2 omschreven maximale verkoopopbrengst.
1.2
Partijen hebben bij de in artikel 1.1 bedoelde verkoop als gezamenlijke doelstelling het realiseren van een maximale verkoopopbrengst voor de Frambozenactiviteiten en daarmee maximering van het Pro rata aandeel van ieder der partijen in euro’s zoals omschreven in artikel 2 van Pro deze Overeenkomst. (…)
1.3
[appellanten] zal in het Verkoopproces vertegenwoordigd worden door haar advocaat mr. B. Bos c.q. diens kantoorgenoten en [naam 1] en [naam 2] c.s. zullen in het Verkoopproces vertegenwoordigd worden door hun advocaat mr. L. Koning c.q. diens kantoorgenoten. De Vennootschap wordt vertegenwoordigd door Van Hussen , daarbij waar nodig bijgestaan door mr. [naam 4] . (…)
1.5
Ieder der partijen verleent door ondertekening van deze overeenkomst ieder voor zich opdracht en volmacht aan Van Hussen om op te treden als verkoopbegeleider en, samen met de Adviseur, alles te doen wat nuttig en nodig is om te komen tot een effectieve en optimaal renderende Verkoop aan een derde partij (…). Deze opdracht wordt hierbij door Van Hussen aanvaard en daarop worden van toepassing verklaard de door [geïntimeerde] gehanteerde algemene voorwaarden (…)
1.6
Van Hussen en/of de Adviseur zal daar waar nuttig en nodig voor het Verkoopproces de relevante personen van Partijen betrekken bij (onderdelen van) het Verkoopproces. Het is in dit kader helder tussen Partijen dat de relevante personen die betrokken zijn bij de onderneming van de Frambozenactiviteiten werkzaam zijn bij de Partijen [naam 1] en [naam 2] c.s.
1.7
Van Hussen is gehouden Partijen adequaat en regelmatig te informeren over het Verkoopproces. Gelet op artikel 1.6 voornoemd alsook het feit dat [appellanten] minderheidsaandeelhouder is en niet optreedt als bestuurder van de Vennootschap, zal Van Hussen in het bijzonder aandacht hebben voor de informatievoorziening aan [appellanten]
1.8
Van Hussen zal materiële beslissingen in het Verkoopproces ter goedkeuring voorleggen aan (1) [appellanten] , (2) [naam 1] , en (3) [naam 2] c.s., welke goedkeuring niet op onredelijke gronden zal worden onthouden. (…)
1.1
Elke Partij verbindt zich hierbij jegens de andere Partijen om op eerste verzoek van Van Hussen en/of de Adviseur onverwijld alle handelingen te verrichten die noodzakelijk mochten zijn om uitvoering te geven aan de vervreemding en overdracht van de Frambozenactiviteiten als opgenomen in deze Overeenkomst.
2.1
De verdeling van de netto-opbrengst van de Verkoop (de Opbrengst) geschiedt als volgt: [appellanten] ontvangt 20% van de Opbrengst, [naam 1] 40% van de Opbrengst en [naam 2] c.s. 40% van de Opbrengst (het Pro rata aandeel). Deze verdeling van de Opbrengst is deels gekwalificeerd als koopprijs voor aandelen en/of activa van de Frambozenactiviteiten en deels als schadevergoeding die verschuldigd is uit hoofde van de Schikkingen.
3.12.
In verband met de beoogde verkoop van de frambozenactiviteiten (ook wel aangeduid als: [bedrijf 5] ) aan [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6] ) heeft Van Hussen een Letter of Intent (hierna: LOI) opgesteld, die [bedrijf 6] en de verkopers op 9 april 2021 hebben ondertekend. Hierin is over de koopprijs opgenomen:
The Purchase Price to be paid by the Buyer to the Sellers for [bedrijf 5] shall be equal to the enterprise value adjusted for:
(i)
debt, debt-like items, cash-like items of the Company, in each case per the Effective Date, (…)
3.13.
In een door Van Hussen op basis van de LOI vervolgens opgestelde concept koopovereenkomst (Share Purchase Agreement; hierna: SPA) van 19 april 2021 is over de koopprijs opgenomen:
3.1
The aggregate purchase price for the Shares (The Purchase Price) shall be an amount equal to:
(a) a cash and debt free consideration in the amount of EUR 19,000,000, being the value of the Companies, on a cash and debt free basis, representing the value of [bedrijf 5] ;
(
(b) adding the Cash at Completion and subtracting the Debt at Completion;
(…)
3.14.
Op 14 mei 2021 heeft Van Hussen aan de advocaten van [appellanten] en [naam 1] de terugkoppeling van [bedrijf 6] naar aanleiding van het due diligence onderzoek gestuurd, bestaande uit een voorstel voor de koopprijs en een issue list voor de SPA. In het door [bedrijf 6] opgestelde Excel document staat onder meer:
EV after Normalised WC Adj. 17.376
Cash available 1.910
Total Proceeds to the Shareholders 19.286
Naast de woorden ‘Cash available’ is de volgende zin opgenomen:
Note to Seller: for illustrative purposes only, since it only includes net cash as of Dec- 20 (see next tab for further detail) – Cash to be distributed pre-closing.
3.15.
Van Hussen heeft op 31 mei 2021 een e-mailbericht van [bedrijf 6] van 10 mei 2021 doorgestuurd aan (onder anderen) de advocaten van [appellanten] en [naam 1] , waarin onder meer staat:
In de concept SPA, (…) werd uitgegaan van een reguliere Completion Accounts structuur, waarbij Purchaser na een paar maanden Completion Accounts opstelt. De [bedrijf 5] maken op dit moment geen maandelijkse balansen, waardoor de verwachting dat er degelijke Completion Accounts kunnen worden gemaakt niet reëel lijkt. [bedrijf 6] stelt daarom een aangepaste koopprijsstructuur voor, waarbij Cash en Debt op Completion allebei tot EUR 0 zullen worden gebracht, zodat in principe geen C/D correctie nodig zou moeten zijn.
3.16.
Op 31 mei 2021 heeft mr. Bos, advocaat van [appellanten] , aan mr. Koning, advocaat van [naam 1] , een lijstje met punten gestuurd om door te spreken. Op dit lijstje staat onder meer:
De wijze van vaststellen, controleren en uitbetalen van de cash positie nu [bedrijf 6] kenbaar heeft gemaakt cash en debt free te willen overnemen met een nacalculatie (…).
3.17.
Namens [appellanten] is op 1 juni 2021 (11.52 uur) aan Van Hussen geschreven:
Gezien er een koopprijs structuur wordt voorgesteld waarbij Cash en Debt op Completion allebei op EUR 0 zullen worden gebracht, gaat [appellanten] ervan uit dat de excess cash per de datum van overdracht aan [bedrijf 6] zal worden uitgekeerd aan de aandeelhouders. Het is voor [appellanten] van belang op welke (namens [appellanten] te controleren) wijze dit zal geschieden. Ook hiervoor geldt, wat is jouw idee hierover?
3.18.
Vervolgens heeft mr. Koning per e-mail van 1 juni 2021 (15.26 uur) aan mr. Bos (advocaat van [appellanten] ) laten weten dat Van Hussen het punt over de uitkering van de cash oppakt, waarna mr. Bos heeft gereageerd dat hij een overleg plant met Van Hussen om dit te bespreken, en hij aansluitend een e-mail aan Van Hussen heeft gestuurd met het verzoek om een Teams overleg.
3.19.
Op 8 juni 2021 (10.03 uur) heeft Van Hussen mrs. Bos en Koning per e-mail bericht dat er volgens haar twee discussie stromen relevant zijn: [bedrijf 6] versus de verkopers, en de verkopers onderling, waarbij zij over de laatste stroom schrijft:
deze discussie loopt tussen jullie. Er is immers at the end gekozen dat jullie de VSO onderling uitonderhandelen dus daar wil ik niet tussen gaan zitten omdat het ruis creëert. Voorzover jullie discussies de deal zouden ophouden, wordt mijn rol hier mogelijk relevant want deze discussie stroom mag de eerste discussiestroom niet dwarsbomen. Ik ga er echter vanuit dat alles op te lossen is met elkaar.
3.20.
Mr. Bos heeft op 8 juni 2021 (12.13 uur) aan Van Hussen geschreven dat hij nog op zijn lijstje had staan om met haar te spreken over de issue list van [bedrijf 6] en de wijze van vaststellen, controleren en uitbetalen van de cash positie. Van Hussen heeft daarop, ook op 8 juni 2021 (14.19 uur), gereageerd dat in de aftastende discussies met [bedrijf 6] de oude SPA lijst weer een beetje achterhaald is, maar dat ze hem op de hoogte zal houden. In deze reactie is Van Hussen niet ingegaan op de vraag over de cash.
3.21.
Uit de specificatie bij de factuur van de financieel adviseur van [bedrijf 1] volgt dat op 8 juni 2021 overleg heeft plaatsgevonden met onder andere [naam 3] , over de pre-completion cash onttrekking en over een voorstel voor een dividenduitkering en dat de uitvoering van de pre-completion dividenduitkering op 11 juni 2021 heeft plaatsgevonden. Er heeft geen dividenduitkering plaatsgevonden aan [appellanten] over het boekjaar 2020.
3.22.
Op 1 juli 2021 heeft Van Hussen vervolgens een nieuw concept van de SPA gedeeld met [appellanten] , waarin ten aanzien van de nieuwe koopprijsstructuur het volgende is opgenomen:
3.2
The reference enterprise value for the Companies equals to EUR 16,700,000 (…) assuming that the Estimated Indebtedness and the Cash at Completion of each Company is equal to EUR 0 (zero). Cash at Completion has been agreed among the Parties to be EUR 0 (Zero).
3.23.
In reactie op de nieuwe koopprijsstructuur heeft mr. Bos op 5 juli 2021 (23.00 uur) aan [naam 3] geschreven, met onder andere Van Hussen en mr. Koning in de cc:
Dit betekent dus, zo begrijpen wij, dat de onmiddellijk voorafgaand aan Completion date aanwezige cash moet worden uitbetaald aan de aandeelhouders. Wij hebben eerder al de vraag gesteld hoe dat gaat plaatsvinden, maar die vraag is wat blijven hangen en onbeantwoord gebleven. Inmiddels ben ik daarover in gesprek met mr. Koning. Ten behoeve daarvan verzoek ik jullie mij te informeren over het verloop en de huidige stand van de cash positie in de [bedrijf 5] .
3.24.
In een telefoongesprek op 6 juli 2021 heeft mr. Koning aan mr. Bos laten weten dat de cashpositie die per eind 2020 in de ondernemingen aanwezig was, volledig aan zijn cliënten toekomt.
3.25.
Mr. Bos heeft op 7 juli 2021 (09.10 uur) per e-mail aan mr. Koning en Van Hussen geschreven:
Er is een issue met de cash en dat moet eerst worden opgehelderd en opgelost. Anders wordt er niet getekend.
3.26.
Van Hussen heeft zowel [appellanten] als [naam 1] bij e-mail van 7 juli 2021 gewaarschuwd voor de gevolgen indien de overeenkomst door partijen niet zou worden getekend. Ook mr. [naam 4] heeft op die dag namens Van Hussen een e-mail gestuurd met die strekking, waarbij [appellanten] en [naam 1] bovendien aansprakelijk zijn gesteld voor het geval de overeenkomst niet zou worden ondertekend en de beoogde transactie geen doorgang zou vinden.
3.27.
Mr. Bos heeft per e-mail van 8 juli 2021 een brief gestuurd aan mr. Koning. Die brief is niet met Van Hussen gedeeld. In de brief is onder meer opgenomen dat mr. Koning zich tegenover mr. Bos op het standpunt heeft gesteld dat [appellanten] niet meedelen in de uitkering van de cash aan de aandeelhouders, omdat zij daarvoor in de VSO finale kwijting hebben verleend, en verder:
Partijen zijn overeengekomen dat alle activa mee gaan in de verkoop en daarvoor een koopprijs wordt betaald die wordt gedeeld in de verhouding 40/40/20. Ook de aanwezige cash is een actief en valt dus onder “alle activa”. (…)
Ik heb het noodzakelijk geacht u het standpunt van cliënten nogmaals duidelijk te maken. Het standpunt van uw cliënten alsmede de belangen en risico’s als verwoord in de e-mail van mr. [naam 4] d.d. gisteren zijn cliënte ook duidelijk. Gelet daarop heeft cliënte besloten dat zij ex artikel 6:87 BW Pro haar vordering tot nakoming van de gemaakte afspraak dat (ook) de cashpositie mee gaat in de verkoop, zal omzetten in een aanspraak op vervangende schadevergoeding.
3.28.
Mr. Bos heeft per e-mail van 8 juli 2021 (11.39 uur) aan Van Hussen onder meer geschreven:
Hierbij bericht dat er een oplossing is gerealiseerd voor het cash issue. Dat is dus geen bezwaar meer voor het ondertekenen van de documenten. [appellanten] is bereid de documenten te tekenen zoals die gisteren, bij haar bekend waren.
3.29.
De ondertekening van de SPA vond op 13 juli 2021 plaats, waarna de aandelen op 27 juli 2021 aan [bedrijf 6] werden geleverd.
3.30.
Na effectuering van de aandelentransactie met [bedrijf 6] is de benoeming van Van Hussen als commissaris van [bedrijf 1] beëindigd. Het door de Ondernemingskamer bevolen onderzoek naar de gang van zaken bij [bedrijf 1] heeft niet plaatsgevonden.
3.31.
Per brief van 10 maart 2022 hebben [appellanten] Van Hussen aansprakelijk gesteld. Van Hussen heeft deze aansprakelijkheid bij brief van 4 augustus 2022 betwist en afgewezen.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
Samengevat hebben [appellanten] bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] te veroordelen om ten titel van schadevergoeding aan [appellanten] te betalen (i) € 397.600,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 27 juli 2021, en (ii) buitengerechtelijke incassokosten van € 3.763,- en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
4.2.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen en [appellanten] in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellanten] hebben dertien grieven tegen het bestreden vonnis gericht en concluderen tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – toewijzen van hun vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.
5.2.
Volgens [geïntimeerde] moet het hof de vorderingen van [appellanten] afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in beide instanties, vermeerderd met wettelijke rente.

6.Beoordeling

6.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter omdat [appellanten] in het buitenland wonen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is. Tegen het oordeel van de rechtbank over de toepasselijkheid van Nederlands recht is geen grief gericht, zodat ook het hof het geschil zal beoordelen naar Nederlands recht.
6.2.
[appellanten] hebben de maatschap [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld. Van Hussen was, ten tijde van haar werkzaamheden op grond van de VSO, maat van deze maatschap. Voor het antwoord op de vraag of [geïntimeerde] aansprakelijk is jegens [appellanten] moet het handelen van Van Hussen worden beoordeeld, zodat hierna in de beoordeling alleen gesproken wordt over Van Hussen en niet over [geïntimeerde] .
6.3.
De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. [appellanten] stellen dat Van Hussen is tekortgeschoten in de uitoefening van haar taak als verkoopbegeleider en in haar rol als door de Ondernemingskamer aangestelde commissaris. De door [appellanten] gestelde tekortkomingen spitsen zich – kort gezegd – toe op de gang van zaken omtrent de gewijzigde koopprijsstructuur in de SPA. Volgens [appellanten] is in de VSO overeengekomen dat alle activa, inclusief de cashpositie, onderdeel zijn van de verkoop. [appellanten] stellen – samengevat – een deel van de verkoopopbrengst te zijn misgelopen doordat de cashpositie van [bedrijf 1] per 31 december 2020 vóór de verkoop en levering van de aandelen aan [bedrijf 6] naar nul is gebracht, zonder dat zij daar 20% van hebben ontvangen. Het was aan Van Hussen om erop toe te zien dat de verkoop conform de afspraken in de VSO plaatsvond. Volgens [appellanten] heeft Van Hussen de belangen van [appellanten] daarbij onvoldoende in acht genomen, ten onrechte toegestaan dat de cashpositie over 2020 uitsluitend aan [naam 1] is uitgekeerd, en [appellanten] onvoldoende hierover geïnformeerd.
6.4.
Van Hussen betwist dat zij is tekortgeschoten in de uitvoering van haar werkzaamheden als opdrachtnemer en in haar rol als commissaris. Van Hussen voert in dit verband verder nog onder meer aan dat het causaal verband tussen haar eventuele tekortkoming en de gestelde schade ontbreekt, dat [appellanten] eigen schuld hebben aan hun schade en dat [appellanten] niet tijdig hebben geklaagd (artikel 6:89 BW Pro), zodat zij geen beroep meer kunnen doen op een gebrek in de prestatie door Van Hussen . Voor wat betreft de door [appellanten] gestelde aansprakelijkheid van Van Hussen als commissaris beroept Van Hussen zich op de vrijwaringsverklaring.
Van Hussen is niet aansprakelijk als commissaris
6.5.
Over de stelling van [appellanten] dat Van Hussen aansprakelijk is in haar rol van commissaris, kan het hof kort zijn. De vrijwaringsverklaring staat eraan in de weg dat Van Hussen aansprakelijk kan worden gesteld als commissaris, behalve in geval van opzet of fraude. [appellanten] hebben in dat kader slechts gesteld dat Van Hussen opzettelijk zou hebben toegelaten dat de aanwezige cashpositie aan de onderneming(en) werd onttrokken en aan [naam 1] uitgekeerd. Achtergrond van dat verwijt is dat zij stellen uit hoofde van de VSO recht te hebben op 20% van die cashpositie. Van Hussen heeft hiertegen terecht aangevoerd dat zij als OK-commissaris niet de taak of verplichting had om uitvoering te geven aan de VSO. Ten overvloede voegt het hof daaraan toe dat het feitelijk onttrekken van de cashpositie en uitkeren daarvan aan [naam 1] op zichzelf bovendien niets afdoet aan de aanspraken die [appellanten] willen ontlenen aan de VSO, zodat zij door die enkele onttrekking als zodanig dus nog geen schade lijden. Waarom Van Hussen , als OK-commissaris, die uitkering had moeten tegenhouden en het nalaten daarvan jegens hen onrechtmatig is geweest, hebben [appellanten] dan ook onvoldoende toegelicht. De conclusie is dat Van Hussen zich terecht op de vrijwaring beroept.
Van Hussen is ook niet aansprakelijk als verkoopbegeleider
6.6.
Over de rol en bijbehorende verantwoordelijkheden van Van Hussen als verkoopbegeleider overweegt het hof het volgende. Aan Van Hussen is (in artikel 1.5 VSO) de opdracht en volmacht gegeven, en die heeft zij door ondertekening van de VSO aanvaard, om als verkoopbegeleider een koopovereenkomst tot stand te brengen waarbij alle frambozenactiviteiten worden verkocht en die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1.1 en artikel 1.2 van de VSO. In artikel 1.10 VSO ligt besloten dat zij aan die verkoop ook sturing kon geven. Van Hussen had de leiding over het verkoopproces. Tevens heeft Van Hussen zich in artikel 1.7 van de VSO verplicht tot het adequaat informeren van de partijen over het verkoopproces, en daarbij bijzondere aandacht te hebben voor de informatievoorziening aan [appellanten] als minderheidsaandeelhouders en vanwege het feit dat [appellanten] geen bestuurders van [bedrijf 1] waren. In de considerans van de VSO (onder E.) is ook opgenomen dat de Ondernemingskamer aan Van Hussen de opdracht heeft gegeven om – kort gezegd – toezicht te houden op tegenstrijdige belangen en informatieverstrekking. De verwijten van [appellanten] aan Van Hussen moeten in het licht van deze rol en verantwoordelijkheden worden beoordeeld.
6.7.
Kort samengevat leggen [appellanten] de volgende stellingen ten grondslag aan hun vordering jegens Van Hussen .
1. In de VSO ligt de afspraak besloten, hetgeen mede blijkt uit haar ontstaansgeschiedenis, dat [appellanten] recht hebben op 20% van alle assets van de frambozenactiviteiten, ongeacht in welke rechtspersoon zij destijds waren ondergebracht. Onder die assets valt ook het (gecombineerde) saldo van cash en debts per ultimo 2020 (hierna: het cash/debt-saldo 2020) van alle betrokken vennootschappen.
2. Voortbouwend op dat uitgangspunt is in de VSO overeengekomen dat alle assets van de frambozenactiviteiten worden verkocht, met als doelstelling in artikel 1.2 van de VSO: maximalisatie van de verkoopopbrengst en ieders aandeel daarin. In artikel 2.1 van de VSO is overeengekomen dat [appellanten] een aandeel van 20% in de verkoopopbrengst zouden krijgen.
3. Met deze VSO is daarom niet verenigbaar dat [naam 1] vervolgens, kort voor de ondertekening van de verkoopovereenkomst, een bedrag van € 1.988.000 (zijnde het cash/debt-saldo 2020) ‘uit’ de frambozenactiviteiten hebben gehaald en uitsluitend aan henzelf hebben doen uitkeren zonder dat [appellanten] daarvan 20% ontvangen.
6.8.
[appellanten] stellen dat Van Hussen is tekort geschoten in haar verplichtingen onder de VSO. Zij stellen allereerst dat Van Hussen (namens hen) jegens koper [bedrijf 6] niet akkoord had mogen gaan met de gewijzigde koopprijsstructuur. [appellanten] stellen ook dat Van Hussen niet had mogen toestaan dat [naam 1] een deel van de opbrengst van de frambozenactiviteiten – in strijd met de afspraken in de VSO – aan henzelf lieten uitkeren zonder [appellanten] daarin voor 20% te laten delen. Relevant is dat [appellanten] na het voorstel om de structuur van de transactie te wijzigen, waarbij het cash/debt-saldo 2020 voorafgaand aan de koop zou worden uitgekeerd aan de verkopers, duidelijk hebben gemaakt dat zij wilden weten en kunnen controleren hoe de uitkering van dat bedrag aan de verkopers zou gaan plaatsvinden. Van Hussen had de onttrekking door [naam 1] c,s, daarom niet mogen toestaan. Zij stellen dat Van Hussen de mogelijkheden die zij had op basis van de VSO had moeten aanwenden, bijvoorbeeld door [naam 1] te sommeren om uitvoering te geven aan de VSO, in die zin dat [appellanten] ook 20% van het cash/debt-saldo 2020 zou ontvangen. [appellanten] stellen ten slotte – eerst in hoger beroep – dat Van Hussen hen in ieder geval (eerder) had moeten informeren over het onttrekken van het cash/debt-saldo 2020 door [naam 1]
6.9.
[appellanten] stellen dat zij door deze gang van zaken schade hebben geleden. Zij begroten hun schade op € 397.600, zijnde 20% van het door [naam 1] onttrokken cash/debt-saldo 2020. Voor die schade stellen zij Van Hussen aansprakelijk.
6.10.
Met hun standpunten stellen [appellanten] indirect de voorvraag aan de orde of de VSO zo moet worden uitgelegd dat onder ‘opbrengst’ van de verkoop van alle frambozenactiviteiten niet alleen moet worden verstaan de koopprijs die de koper heeft betaald, maar (ook) alle geldstromen die, in het kader van de onderhandelingen en afspraken met koper en als onderdeel van de overeengekomen structuur van de transactie, ten goede (zouden) komen aan de verkopers (zijnde [naam 1] en [appellanten] ). Bij die laatste uitleg hebben [appellanten] inderdaad recht op 20% van het bedrag van het cash/debt-saldo 2020 dat [naam 1] kort voor de closing van de transactie, als onderdeel daarvan aan zich hebben laten uitkeren; in het eerste geval niet.
6.11.
Het hof hoeft deze voorvraag echter niet te beantwoorden. Ook als de VSO wordt uitgelegd zoals [appellanten] betogen en het uitgekeerde cash/debt-saldo 2020 valt onder de ‘opbrengst’ van de verkoop als bedoeld in artikel 2.1 van de VSO, kan hun vordering tegen Van Hussen niet worden toegewezen. Het hof overweegt daartoe als volgt.
6.12.
Feitelijk is het als volgt gegaan. In verband met de inrichting van de boekhouding van de betrokken vennootschappen (er werd niet gewerkt met maandbalansen), is door koper ( [bedrijf 6] ) voorgesteld om de ‘excess cash’ per 31 december 2020 geen onderdeel te laten zijn van de koopprijs maar deze vóór de effectuering van de transactie uit te keren. Het betrof een voorstel van de koper, die geheel buiten de onderlinge verdeling van de verkoopopbrengst tussen de verkopende aandeelhouders stond. [appellanten] en [naam 1] hebben – na het doorsturen door Van Hussen van dit voorstel van de koper – geen bezwaar gemaakt tegen de gewijzigde koopprijsstructuur. Op die basis zijn toen de onderhandelingen voortgezet. Voor de ‘excess cash’ over 2021 is in de SPA vervolgens een separate afspraak gemaakt.
6.13.
[appellanten] vernamen kort vóór het ondertekenen van de koopovereenkomst, op 7 juli 2021, van (de advocaat van) [naam 1] en de verkoopadviseur van [bedrijf 4] dat niet alleen reeds uitvoering was gegeven aan de afspraak met de koper dat het cash/debt-saldo 2020 vóór de closing ‘uit’ de te verkopen vennootschappen zou worden gehaald, maar dat het onttrokken bedrag ook al in zijn geheel was uitgekeerd aan [naam 1] . [appellanten] kregen op dat moment te horen dat [naam 1] van mening waren dat [appellanten] geen enkele aanspraak op dat bedrag konden maken (omdat dat saldo volgens hen niet werd mee verkocht). Toen zij kennis kregen van deze gang van zaken hebben [appellanten] gedreigd de koopovereenkomst niet te zullen ondertekenen als dit probleem niet werd opgelost. Nadat zowel Van Hussen als [naam 1] hadden gereageerd dat de schade enorm zou zijn als de transactie geen doorgang zou vinden, heeft vervolgens overleg plaatsgevonden rechtstreeks tussen (de wederzijdse advocaten van) [appellanten] en [naam 1] zonder betrokkenheid van Van Hussen . Dat overleg heeft er toe geleid dat [appellanten] op 8 juli 2021 aan Van Hussen hebben bericht dat er ‘geen issue’ meer was, waarna [appellanten] de koopovereenkomst op de afgesproken datum hebben ondertekend. In hoger beroep hebben [appellanten] verklaard dat zij het ‘issue’ destijds hebben opgelost door (per brief van 8 juli 2021) hun aanspraak jegens [naam 1] op 20% van het cash/debt-saldo 2020 – volgens hen een aanspraak tot nakoming van de VSO – om te zetten in een vordering tot betaling van vervangende schadevergoeding (art 6:87 lid 1 BW Pro). In hoger beroep hebben [appellanten] tevens verklaard dat zij jegens [naam 1] sindsdien nog geen enkele stap hebben gezet tot het geldend maken van die aanspraak op schadevergoeding.
6.14.
De eerste vraag is wat Van Hussen , gegeven de verwijten van [appellanten] , tegen de achtergrond van haar verplichtingen uit de VSO in de betreffende periode anders had kunnen en moeten doen.
6.15.
Het hof stelt voorop dat [appellanten] geen bezwaar hebben gemaakt tegen de gewijzigde koopprijsstructuur. [appellanten] zijn vanaf 14 mei 2021 op de hoogte gesteld van de wens van koper [bedrijf 6] om het cash/debt-saldo 2020 geen onderdeel te laten zijn van de transactie en hebben daartegen niet geprotesteerd. Zij kunnen Van Hussen dan ook niet verwijten dat zij als verkoopbegeleider tegenover [bedrijf 6] met die structuur heeft ingestemd en op basis daarvan verder heeft onderhandeld.
6.16.
Van Hussen heeft op geen enkel moment een eigen standpunt ingenomen over de verdeling van de verkoopopbrengst en heeft benadrukt (bijvoorbeeld met haar e-mail van 8 juni 2021) dat dit een zaak tussen [naam 1] en [appellanten] was. Uit de VSO blijkt niet, en [appellanten] hebben dit evenmin gesteld, dat [naam 1] en [appellanten] in de VSO – of anderszins – aan Van Hussen de opdracht of bevoegdheid hebben gegeven om tussen hen bindend te beslissen over hun eventuele onderlinge geschillen over de uitleg van de VSO of over de verdeling van de verkoopopbrengst. Evenmin volgt uit de VSO of is door [appellanten] gesteld dat Van Hussen op grond van de VSO bevoegd was te verhinderen dat [naam 1] het volledige cash/debt-saldo 2020 lieten uitkeren aan henzelf. De verwijten van [appellanten] dat Van Hussen de uitkering van het cash-debt saldo 2020 aan [naam 1] had moeten tegenhouden, dan wel dat Van Hussen de uitleg die [appellanten] aan de VSO geven, ook dwingend aan [naam 1] had kunnen en moeten opleggen, treffen daarom geen doel.
6.17.
Hiermee resteert ter beoordeling alleen de door [appellanten] gestelde tekortkoming dat Van Hussen hen eerder had kunnen en moeten informeren over de (voorgenomen) uitkering van het cash/debt-saldo 2020.
6.18.
Mr. Bos heeft namens [appellanten] in ieder geval op 1 en 8 juni 2021 aan Van Hussen gevraagd naar de wijze van vaststellen, controleren en uitbetalen van de cash positie, en daarbij duidelijk gemaakt dat [appellanten] dit van belang vond. Daar heeft Van Hussen niet aantoonbaar inhoudelijk op gereageerd. Van Hussen heeft tijdens de zitting verklaard dat zij dit zag als een onderling te regelen kwestie, hetgeen zij op 8 juni 2021 ook aan partijen heeft laten weten. Uit de stukken en de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling is voldoende duidelijk geworden dat Van Hussen al enige tijd eerder dan [appellanten] wist dat [naam 1] het cash/debt-saldo 2020 lieten uitkeren aan zichzelf (althans naar gelieerde partijen) en meenden dit saldo niet te hoeven delen met [appellanten] Aan Van Hussen kan daarom op zichzelf worden verweten dat zij die kennis niet aanstonds met [appellanten] heeft gedeeld. Zij had in de VSO immers de plicht op zich genomen om [appellanten] goed geïnformeerd te houden, en zij wist dat [appellanten] juist aan de verdeling van het cash/debt-saldo 2020 en het voor hen controleerbaar zijn daarvan, veel belang hechtten.
6.19.
De vraag is vervolgens of de gestelde schade van [appellanten] is ontstaan doordat Van Hussen hen niet eerder heeft geïnformeerd. Van Hussen heeft in eerste aanleg dit causaal verband nadrukkelijk betwist, en daarbij tevens een beroep gedaan op eigen schuld van [appellanten] Zij heeft in hoger beroep opnieuw naar dit verweer verwezen, met nog een nadere toelichting daarop, zodat het hof nu, in het kader van de devolutieve werking, dit verweer – waaraan de rechtbank niet is toegekomen – zal bespreken.
6.20.
Het verweer slaagt. Het hof stelt daarbij voorop dat de discussie over de verdeling van het cash/debt-saldo 2020 pas is ontstaan nádat [appellanten] en [naam 1] beiden geen bezwaar hadden gemaakt tegen de door [bedrijf 6] voorgestelde transactiestructuur – waarin deze
cash-outwerd geïntroduceerd – en Van Hussen dus op die basis verder is gaan onderhandelen met [bedrijf 6] . Een eventuele uit deze nieuwe transactiestructuur voortvloeiende discussie over de verdeling van dat cash/debt-saldo 2020 was bovendien een discussie tussen [appellanten] en [naam 1] onderling. [bedrijf 6] stond daar sowieso geheel buiten, en Van Hussen heeft steeds, van begin af aan, duidelijk gemaakt dat zij voor zichzelf geen rol zag bij de verdeling van de verkoopopbrengst omdat dit een onderlinge kwestie was tussen [appellanten] en [naam 1] waarover zij onderling hadden onderhandeld en die door henzelf in de VSO was vastgelegd. Weliswaar had Van Hussen [appellanten] eerder kunnen en moeten informeren over het standpunt van [naam 1] over de beoogde verdeling van het cash/debt-saldo 2020 (zie daarover 6.18) maar dat laat onverlet de vraag of [appellanten] hierdoor schade hebben geleden.
6.21.
De vraag is immers wat er anders zou zijn gegaan als Van Hussen eerder [appellanten] had geïnformeerd dat [naam 1] meenden dat [appellanten] geen aanspraak konden maken op het cash/debt-saldo 2020 en dit saldo (€ 1.988.000,-) ook al aan henzelf hadden laten uitkeren.
6.22.
[appellanten] hebben geopperd dat als zij eerder waren geïnformeerd zij [bedrijf 6] dan misschien toch hadden kunnen bewegen om in te stemmen met terugkeer naar de oorspronkelijke transactiestructuur. Van Hussen heeft dat betwist, en toegelicht dat [bedrijf 6] een andere transactiestructuur nu juist had voorgesteld omdat zij niet het risico wilde lopen dat zij zou betalen voor meer
cashdan daadwerkelijk in de onderneming zat. Het ging bij het cash/debt-saldo 2020 om een bedrag van bijna 2 miljoen euro terwijl de koopprijs voor de gehele onderneming (exclusief aftrek voor schulden) 16,7 miljoen euro was, en dus niet om een detail, aldus Van Hussen . Haar betoog vindt bovendien steun in de e-mail van 10 mei 2021 van de advocaat van [bedrijf 6] , waarin de ‘Purchase Price structuur’ wordt genoemd als een van de drie onderwerpen die voor [bedrijf 6] de kern uitmaken van ‘een sloot van wijzigingen’ in de SPA. [appellanten] hebben dit verweer van Van Hussen niet (voldoende gemotiveerd) weersproken.
6.23.
[appellanten] hebben ook nog als alternatief aangevoerd dat als zij eerder waren geïnformeerd, met [naam 1] (andere) afspraken hadden kunnen worden gemaakt over de toedeling c.q. verdeling van het cash/debt-saldo 2020. Van Hussen heeft er echter met juistheid op gewezen dat [appellanten] in hun memorie van grieven zelf stellen dat zij destijds meenden niet in de positie te verkeren om met [naam 1] te kunnen onderhandelen over die verdeling, omdat zij de transactie met [bedrijf 6] niet in gevaar wilden brengen. Op dit verweer van Van Hussen sluit aan dat de verwijten van [appellanten] aan Van Hussen er in de kern telkens op neerkomen dat Van Hussen hun probleem met [naam 1] voor hen had moeten oplossen; met name had van Hussen hun visie over de uitleg van de VSO en over de verdeling van het cash/debt-saldo 2020 aan [naam 1] moeten opleggen en afdwingen. Hierboven (zie 6.16) is echter al geoordeeld dat dit buiten de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van Van Hussen viel. Gezien dit een en ander hebben [appellanten] dan ook niet aannemelijk gemaakt dat bij eerder informeren door Van Hussen (alsnog) tussen hen en [naam 1] de afspraak was gemaakt dat zij 20% kregen van het cash/debt-saldo 2020.
6.24.
[appellanten] hebben verder niets anders gesteld dat de conclusie kan dragen dat als Van Hussen hen eerder had geïnformeerd, zij de door hen gestelde schade (mogelijk) niet hadden geleden. Dat brengt tevens mee dat zij vergeefs een beroep doen op het leerstuk van kansschade.
6.25.
De conclusie van dit alles is dat [appellanten] niet het door hen gestelde maar door Van Hussen betwiste causale verband hebben aangetoond tussen de door hen gestelde en gevorderde schade en hetgeen zij Van Hussen kunnen verwijten. Zij hebben op dit punt bovendien geen bewijs aangeboden.
6.26.
Het voorgaande brengt mee dat er geen deugdelijke grondslag is voor toewijzing van de vorderingen van [appellanten] en die vorderingen dus niet toewijsbaar zijn. Alle grieven van [appellanten] stuiten hierop af, zodat het hof deze niet nog afzonderlijk hoeft te bespreken en ook de verdere verweren van Van Hussen niet meer hoeft te bespreken.
Slotsom, bewijsaanbod en kosten
6.27.
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd en [appellanten] hebben verder geen belang meer bij behandeling van hun grieven. Voor zover in de stellingen van [appellanten] al een bewijsaanbod moet worden gelezen, ziet dit niet op voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
6.28.
[appellanten] zijn in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep. Ook de over de proceskosten gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar. Het hof stelt deze proceskosten als volgt vast:
- griffierecht € 5.689,-
- salaris advocaat
€ 11.238,- +(tarief VII à € 5.619,-, twee punten)
Totaal € 16.927,-.

7.Beslissing

Het hof:
7.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
7.2.
veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 16.927,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan deze veroordeling is voldaan;
7.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. van den Berg, J.L.M. Groenewegen en T.M. Snoep en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.