Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1038

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
200.338.900/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:142 BWArt. 6:225 lid 2 BWArt. 6:37 BWArt. 27 ABV 2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt rechtsgeldige overdracht en opeising geldleningen met rente- en informatieverplichtingen

In deze civiele procedure stond de rechtsgeldigheid van de overdracht van geldleningen en de opeising daarvan centraal. Geïntimeerde had een vordering uit geldlening op appellante overgedragen gekregen en eiste deze op wegens tekortkomingen in de nakoming van rente- en informatieverplichtingen. De rechtbank had de overdracht erkend maar de opeising afgewezen. Het hof bevestigde de rechtsgeldigheid van de overdracht en oordeelde anders dan de rechtbank dat de opeising geoorloofd was.

De feiten betreffen leningen verstrekt door een bank aan een vennootschap, later overgedragen aan geïntimeerde. Appellante was eigenaar van een villa die als onderpand diende. Diverse correspondentie en procedures gingen over de vraag wie bevoegd was tot opeising en incasso, en over de nakoming van verplichtingen door appellante. Het hof ging uit van het gezag van gewijsde van eerdere uitspraken en beoordeelde de opeisingsbevoegdheid op grond van artikel 27 van Pro de Algemene Bankvoorwaarden 2009.

Het hof oordeelde dat de opeisingsbevoegdheid inherent is aan de vordering en rechtsgeldig was overgegaan op geïntimeerde. Appellante was in verzuim met rentebetalingen en informatieverstrekking, wat de opeising rechtvaardigde. De termijn voor betaling was mogelijk kort, maar niet ongeldig. Ook was geen sprake van schuldeisersverzuim. Het hof vernietigde het bestreden vonnis voor zover de opeising was afgewezen en veroordeelde appellante in de proceskosten van beide instanties.

Uitkomst: Het hof verklaart de overdracht rechtsgeldig en de opeising van de leningen geoorloofd en veroordeelt appellante in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.338.900/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/719461 / HA ZA 22-502
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 april 2026
in de zaak van
de vennootschap naar Antilliaans recht
[appellante],
gevestigd te [stad] , [land 1] ,
appellante in principaal appel,
tevens geïntimeerde in incidenteel appel,
advocaat: mr. P.H.J. Körver te `s-Gravenhage,
tegen
de vennootschap naar Duits recht
[geïntimeerde],
gevestigd te [plaats 1] , [land 2] ,
geïntimeerde in principaal appel,
tevens appellante in incidenteel appel,
advocaat: mr. T. Hekman te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [appellante] en [geïntimeerde] worden genoemd.

1.De zaak in het kort

[geïntimeerde] heeft een vordering uit geldlening op [appellante] overgedragen gekregen, en deze opgeëist op grond van tekortkomingen van [appellante] in haar rente- en informatieverplichtingen. Gelijk de rechtbank oordeelt het hof de overdracht aan [geïntimeerde] rechtsgeldig en, anders dan de rechtbank, de opeising geoorloofd.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
[appellante] is bij dagvaarding van 19 december 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 20 september 2023 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellante] als gedaagde (hierna ook: het bestreden vonnis).
2.2.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven [appellante] , met producties 62-64;
- memorie van antwoord [geïntimeerde] , tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties 43-47;
- memorie van antwoord in incidenteel appel [appellante] , met producties 65-66.
2.3.
Op 3 december 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Namens partijen is de zaak toegelicht door hun voornoemde advocaten, ieder aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnota’s. Van de zijde van [geïntimeerde] zijn bij die gelegenheid nadere producties (49-52) in het geding gebracht.
2.4.
Vervolgens heeft [geïntimeerde] een akte met productie 53 genomen. [appellante] heeft daarop bij antwoordakte gereageerd.
2.5.
Ten slotte is arrest bepaald.

3.Feiten

3.1.
Behoudens het bezwaar van [geïntimeerde] tegen rov. 2.17 en 2.23 van het bestreden vonnis, zijn de door de rechtbank in paragraaf 2 van dat vonnis vastgestelde feiten niet in geschil. Het hof gaat ook van die onbestreden feiten uit, en overigens van het volgende, voor zover van belang.
3.2.
[appellante] investeert in vastgoed. De aandeelhouders van [appellante] zijn de vijf kinderen van [naam 2] . Hij is enig bestuurder van [appellante] .
3.3.
[appellante] is eigenaar van een villa in [plaats 2] , ook wel aangeduid als Villa [naam 1] . De villa wordt sinds maart 2016 verhuurd aan de kinderen van [naam 2] voor een huurprijs van € 120.000,- per jaar.
3.4.
Ter financiering van de aankoop van Villa [naam 1] heeft [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) op 31 juli 2003 een geldlening verstrekt van € 4.400.000,- (de Grote lening), die op 27 januari 2005 is uitgebreid met een tweede geldlening van € 500.000,- (de Kleine lening). Beide leningen (gezamenlijk ook: de leningen) hebben een looptijd van 30 jaar.
3.5.
De leningen zijn aanvankelijk verstrekt aan [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) en later overgenomen door [appellante] . Tot zekerheid van de leningen heeft [appellante] aan [bedrijf 1] onder meer een hypotheekrecht verstrekt op Villa [naam 1] en een pandrecht op de vorderingen in verband met de verhuur van Villa [naam 1] . In de hypotheekakte van 27 oktober 2003 zijn de Algemene Voorwaarden voor Hypotheken van [bedrijf 1] (de AVH) van toepassing verklaard.
3.6.
In de op 25 september 2003 en 7 februari 2005 namens [bedrijf 2] ondertekende aktes betreffende de Grote en de Kleine Lening zijn de Algemene Voorwaarden voor Geldleningen van [bedrijf 1] (de AVG) en de Algemene Voorwaarden, geldende tussen de bank en haar cliënten (de ABV) op de leningen van toepassing verklaard.
3.7.
Een brief van 27 januari 2005 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] (hierna ook de kredietbrief), die namens [bedrijf 2] mede is ondertekend, vermeldt, voor zover hier van belang:
“Hierdoor delen wij u mede, dat u kunt beschikken over een verhoogde kredietfaciliteit, groot EUR 4.758.330,00 (…)
Op onze relatie zijn de Algemene Voorwaarden Rekening-courant van [bedrijf 1] , alsmede de Algemene Voorwaarden van [bedrijf 1] , welke gelijkluidend zijn aan Algemene Voorwaarden
van de Nederlandse Vereniging van Banken, van toepassing;
(…)
Bijzondere bepalingen
Aan de beschikbaarstelling van onderhavige kredietfaciliteit verbinden de navolgende voorwaarden:
(…)
- dat u ons tijdig zult informeren over bijzondere ontwikkelingen in uw onderneming;
- dat u ons telkenjare, na het gereedkomen ervan, in het bezit zult stellen van uw accountantsrapport.(…)”
3.8.
In een brief van 6 maart 2012 heeft [bedrijf 1] de kredietrelatie met [appellante] opgezegd.
3.9.
Op 30 september 2015 heeft [bedrijf 1] de leningen, die waren ondergebracht bij haar Afdeling Bijzonder Beheer Vastgoed, overgedragen aan [bedrijf 3] (hierna [bedrijf 3] ). Daarna discussieerden [appellante] en [bedrijf 3] over de vraag of [appellante] gehouden was tot verdere aflossingen en of [bedrijf 3] het rentepercentage op de leningen mocht verhogen.
3.10.
In een brief van 25 oktober 2017 heeft [bedrijf 3] het krediet opgezegd en de executie aangezegd, omdat [appellante] haar aflossingsverplichtingen niet zou zijn nagekomen, zij niet meewerkte aan het verhogen van de rentepercentages en zij haar informatieplicht zou hebben geschonden.
3.11.
Vervolgens is [appellante] een procedure gestart bij de rechtbank Amsterdam over in de kern de opzegging van het krediet door [bedrijf 3] . De rechtbank heeft in die procedure bij tussenvonnis van 7 augustus 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:5729) prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. De eerste vraag zag op de overdraagbaarheid van het vorderingsrecht van een bank op een niet-bank. De tweede prejudiciële vraag stelde aan de orde of een niet-bank die een door hypotheek gedekte vordering uit lening krijgt overgedragen van een bank, tegenover de leningnemer een zorgplicht heeft en, zo ja, hoe die zorgplicht zich verhoudt tot de voor de bank geldende zorgplichten en publiekrechtelijke regels.
3.12.
Op 10 oktober 2019 heeft [bedrijf 3] haar leningenportefeuille met daarin de leningen aan [appellante] met een akte van cessie overgedragen aan [geïntimeerde] , die voor dat doel is opgericht.
3.13.
Bij brieven van 16 oktober 2019 heeft [bedrijf 4] (hierna [bedrijf 4] ), de entiteit die de leningen eerst voor [bedrijf 3] en vervolgens voor [geïntimeerde] heeft beheerd, [appellante] namens [geïntimeerde] van de cessie op de hoogte gesteld. Verder heeft zij geschreven dat [geïntimeerde] graag van de gelegenheid gebruik wil maken om kennis te maken waarbij kon worden gesproken over een commerciële oplossing voor de afwikkeling van het krediet.
3.14.
Bij e-mails van 1 en 19 november 2019 heeft [bedrijf 4] aan de voormalige advocaat van [appellante] de volgende documenten toegestuurd: een uittreksel van de [overeenkomst] tussen [bedrijf 3] en [geïntimeerde] , de Deed of Contract Takeover, een kopie van de akte van cessie tussen [bedrijf 3] en [geïntimeerde] en een uittreksel uit het kadaster waarin [geïntimeerde] als hypotheekhouder is ingeschreven.
3.15.
In een depotovereenkomst van 8 november 2019 met haar notaris heeft [appellante] vastgelegd dat de rentebetalingen die verschuldigd zijn uit hoofde van de leningen bij haar notaris in depot worden gesteld en zullen worden uitgekeerd aan de juiste begunstigde nadat over de vraag wie de bevoegd schuldeiser is van [appellante] onherroepelijk is beslist en de uitspraak kracht van gewijsde heeft. Bij brief van 20 november 2019 heeft [appellante] hiervan mededeling gedaan aan [geïntimeerde] .
3.16.
In brieven van 25 en 26 november 2019 hebben [bedrijf 3] en [bedrijf 1] aan [appellante] geschreven dat haar financieringsverplichtingen ten aanzien van de leningen (enkel) bevrijdend kunnen worden voldaan aan [geïntimeerde] en dat betalingen aan [bedrijf 3] of [bedrijf 1] niet als bevrijdend zullen worden beschouwd.
3.17.
In een brief van 6 december 2019 heeft (de voormalig advocaat van) [geïntimeerde] aan [appellante] geschreven dat [geïntimeerde] ermee akkoord kan gaan dat de rente vooralsnog naar een kwaliteitsrekening (zoals van de door [appellante] genoemde notaris) wordt overgemaakt. Hieraan heeft [geïntimeerde] de voorwaarde gesteld dat er een depotovereenkomst wordt opgesteld waarbij (o.a.) [appellante] en [geïntimeerde] partij zijn en het depot tot uitbetaling komt zodra er een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is verkregen waarbij [appellante] tot betaling wordt veroordeeld.
3.18.
Bij brief van 8 juli 2020 heeft de notaris een conceptpartijverklaring aan [geïntimeerde] toegestuurd. In de verklaring verklaren partijen akkoord te zijn met en zich te conformeren aan de inhoud van de op 8 november 2019 gesloten depotovereenkomst. [geïntimeerde] heeft de verklaring niet ondertekend.
3.19.
Naar aanleiding van de hiervoor onder 3.11 vermelde prejudiciële vragen heeft de Hoge Raad op 10 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1274) een prejudiciële beslissing gegeven. De rechtbank Amsterdam heeft vervolgens bij eindvonnis van 17 februari 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:956) onder meer geoordeeld dat [bedrijf 1] de leningen rechtsgeldig heeft gecedeerd aan [bedrijf 3] , dat de opzeggingen van het krediet door [bedrijf 1] en [bedrijf 3] geen rechtsgevolg hebben gehad en dat [appellante] tegenover [bedrijf 3] niet toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar informatieverplichting.
3.20.
In een brief van 9 maart 2021 heeft [geïntimeerde] [appellante] verzocht om betaling van achterstallige rente van in totaal € 28.084,42. Daarnaast verzocht zij [appellante] om binnen twee weken de volgende informatie aan te leveren:
- de jaarrekeningen van [appellante] over 2018 tot en met 2020,
- een RICS gecertificeerd taxatierapport niet ouder dan drie maanden inzake [naam 1] ,
- een overzicht van de huurders van [naam 1] , inclusief NAW-gegevens en onderliggende huurovereenkomsten,
- een overzicht van de exploitatiekosten van [naam 1] ,
- een overzicht van de onderhoudswerkzaamheden die de afgelopen twaalf maanden hebben plaatsgevonden en die de komende twaalf maanden moeten worden uitgevoerd,
- een kopie van de opstalverzekering.
[geïntimeerde] kondigde in deze brief aan dat indien [appellante] niet tijdig betaalt of niet tijdig de gevraagde informatie aanlevert, zij in verzuim is en [geïntimeerde] zich vrij acht om rechtsmaatregelen te treffen.
3.21.
In een e-mail van 9 april 2021 aan onder meer directeuren en vertegenwoordigers van [geïntimeerde] , heeft [naam 2] namens [appellante] afwijzend gereageerd op het verzoek van [geïntimeerde] .
3.22.
In een brief van 13 april 2021 heeft [geïntimeerde] [appellante] geschreven dat zij op drie punten tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen: (i) [appellante] heeft niet aan haar lopende renteverplichtingen voldaan, (ii) zij komt haar informatieverplichting niet na, en (iii) er is sprake van een verstoorde relatie waardoor voortzetting van het krediet niet van [geïntimeerde] gevergd kan worden. [geïntimeerde] voegde hieraan toe dat zij bevoegd is het krediet op te eisen en dat als gevolg van deze opeising het krediet ineens en onmiddellijk opeisbaar is, en dat zij [appellante] verzocht om het openstaande bedrag (€ 3.606.167,25) binnen twee weken te voldoen.
3.23.
In een brief van 27 mei 2021 heeft [geïntimeerde] aan [appellante] laten weten tot uitwinning van zekerheden over te gaan. Daarbij heeft zij een voorstel gedaan voor een regeling, inhoudende dat [appellante] tot eind 2021 de tijd krijgt om de leningen te herfinancieren. Het voorstel is gedaan onder de voorwaarde dat [appellante] de betalingsachterstand van inmiddels € 29.339,01 uiterlijk op 10 juni 2021 heeft betaald.
3.24.
Bij arrest van 14 januari 2025 heeft dit hof beslist op de appellen van zowel [appellante] als [geïntimeerde] tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2021 (hiervoor, 3.19). Het hof oordeelde onder meer dat de vordering op [appellante] rechtsgeldig is overgedragen aan [geïntimeerde] , met daarbij het hypotheekrecht op Villa [naam 1] . Dit arrest is in kracht van gewijsde gegaan.

4.Procedure in eerste aanleg; vorderingen in hoger beroep

4.1.
In eerste aanleg – in de onderhavige procedure – heeft [geïntimeerde] verklaringen voor recht gevorderd dat:
de overdracht van de leningen door [bedrijf 3] aan [geïntimeerde] rechtsgeldig is geschied
de leningen tussen [geïntimeerde] en [appellante] rechtsgeldig zijn opgeëist door [geïntimeerde] .
4.2.
De rechtbank heeft de gevraagde verklaring voor recht sub a toegewezen en die sub b afgewezen, met compensatie van kosten.
4.3.
In het hoger beroep concludeert [geïntimeerde] samengevat, na wijziging van eis, tot gedeeltelijke vernietiging van het vonnis, met veroordeling van [appellante] in de kosten, en dat het hof voor recht verklaart dat:
de overdracht van de leningen door [bedrijf 3] aan [geïntimeerde] rechtsgeldig is geschied, althans [geïntimeerde] de rechtsgeldige schuldeiser is van [appellante] van de vorderingen uit hoofde van de leningen
de leningen rechtsgeldig zijn opgeëist door [geïntimeerde] .
4.4.
[appellante] concludeert tot vernietiging van het vonnis voor zover de vorderingen van [geïntimeerde] daarin zijn toegewezen en alsnog afwijzing daarvan, en afwijzing van de gewijzigde eis, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

5.Beoordeling in hoger beroep

De vordering op [appellante] is rechtsgeldig overgedragen aan [geïntimeerde]
5.1.
doet terecht een beroep op het gezag van gewijsde van het oordeel van dit hof in het arrest van 14 januari 2025 (hiervoor, 3.24) dat de vordering op [appellante] rechtsgeldig is overgedragen aan [geïntimeerde] . Het standpunt van [appellante] dat zij in de onderhavige procedure ter betwisting van de rechtsgeldigheid van die overdracht omstandigheden heeft aangevoerd die zij niet in die andere procedure heeft aangevoerd maakt dit niet anders. Overigens leiden die omstandigheden inhoudelijk ook niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd wat betreft vordering (a), conform de primaire en in zoverre ongewijzigde eis (a) in hoger beroep.
[geïntimeerde] stond het opeisingsrecht van artikel 27 van Pro de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) 2009 ten dienste
5.2.
Zoals hiervoor (3.22) vermeld, heeft [geïntimeerde] in haar brief van 13 april 2021 geschreven dat zij bevoegd is het krediet op te eisen en dat als gevolg van deze opeising het krediet ineens en onmiddellijk opeisbaar is, en dat zij [appellante] verzocht om het openstaande bedrag (€ 3.606.167,25) binnen twee weken te voldoen. [geïntimeerde] heeft daarbij een beroep gedaan op onder meer artikel 27 ABV Pro. Op het moment van overdracht van de vordering door [bedrijf 1] Bankiers op [bedrijf 3] waren de ABV 2009 van toepassing (vlg. ook conclusie van antwoord, 6.6 en 6.98). Artikel 27 ABV Pro 2009 bepaalde het volgende:

Artikel 27 Onmiddellijke Pro opeisbaarheid
Als de cliënt in verzuim is met de nakoming van enige verplichting jegens de bank, mag de bank haar vordering op de cliënt door opzegging onmiddellijk opeisbaar maken, tenzij dit gelet op de geringe betekenis van het verzuim niet gerechtvaardigd is. Een dergelijke opzegging geschiedt schriftelijk met vermelding van de reden.”
5.3.
De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat [geïntimeerde] met haar opeising van het krediet de gehele kredietrelatie heeft opgezegd (c.q. bedoeld heeft op te zeggen), maar dat de opzeggingsbevoegdheden uit de oorspronkelijk toepasselijke algemene voorwaarden niet krachtens de cessie op haar zijn overgegaan, zodat de gestelde opzegging zonder rechtsgevolg is gebleven. [geïntimeerde] grieft terecht tegen dit oordeel van de rechtbank. De opeisingsbevoegdheid die [bedrijf 1] op grond van artikel 27 ABV Pro 2009 had, betreft een aan de vordering inherente bevoegdheid, die daarom op grond van artikel 6:142 BW Pro als nevenrecht mee is overgegaan met de cessies aan [bedrijf 3] en vervolgens [geïntimeerde] . Dat met zodanige opeising in dit geval effectief de hele kredietrelatie (vervroegd) zou worden beëindigd, maakt dit niet anders.
5.4.
[appellante] heeft nog aangevoerd dat [geïntimeerde] niet opeisingsbevoegd was omdat zij aan [bedrijf 3] een last tot incasso had gegeven. Dit betoog faalt omdat uit niets blijkt dat die lastgeving privatief was, en [geïntimeerde] dit ook betwist.
[geïntimeerde] heeft rechtsgeldig en op goede gronden opgeëist
5.5.
[appellante] heeft zich beroepen op de toelichting 2009 bij de ABV 2009 met betrekking tot artikel 27 ABV Pro 2009, die luidt als volgt:
“Wanneer een cliënt een van zijn verplichtingen jegens de bank niet nakomt, zal de bank uiteraard haar totaalpositie in het oog houden. De bank kan zich dan gedwongen zien om tot daadwerkelijke opeising van al haar vorderingen over te gaan. De bank zal daartoe pas overgaan als zij van oordeel is dat er sprake is van een voldoende ernstig verzuim en na de cliënt daarvan schriftelijk vooraf met vermelding van de reden in kennis te hebben gesteld.”
5.6.
[appellante] stelt dat [geïntimeerde] op grond van deze toelichting haar opeising vooraf had moeten aankondigen en dat zij dat niet heeft gedaan. Het hof volgt [appellante] hierin niet. In de eerste plaats staat in de toelichting niet dat voorafgaande kennisgeving van de opeising als zodanig nodig is. [geïntimeerde] heeft terecht aangevoerd dat in elk geval haar brief van 9 maart 2021 (hiervoor, 3.20), waarin van het tekortschieten in de rentebetalingen melding werd gemaakt en om betaling werd gevraagd, om informatie werd gevraagd, en rechtsmaatregelen werden aangekondigd voor het geval dat daaraan niet zou worden voldaan, genoegzaam beantwoordde aan wat de toelichting 2009 op artikel 27 ABV Pro 2009 in het vooruitzicht stelde. Voor [appellante] kon het bovendien geen verrassing zijn dat [geïntimeerde] daarbij (mede) opeising en executie op het oog had, gelet op de eerdere correspondentie (hiervoor, 3.13). [appellante] erkent ook dat de brief van 9 maart 2021 voorsorteerde op opzegging (c.q. opeising) van het krediet (conclusie van antwoord, 6.94).
5.7.
In de tweede plaats heeft [appellante] onvoldoende toegelicht dat en waarom de toelichting 2009 op de ABV 2009 in aanmerking moet worden genomen en niet in plaats daarvan de toelichting 2014 op die ABV 2009, die volgens die nieuwe toelichting zelf en overigens ook volgens de eigen stellingen van [appellante] geldend was vanaf 1 oktober 2014 (dus vóór de overdracht van de vordering door [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] ) en die [appellante] in ander verband juist voor deze procedure relevant achtte (conclusie van antwoord, 6.10). De toelichting 2014 op artikel 27 ABV Pro 2009 vermeldt niets (meer) over enige voorafgaande kennisgeving.
5.8.
Zoals hiervoor (3.22) vermeld, heeft [geïntimeerde] in haar brief van 13 april 2021 het krediet opgeëist op onder meer de grond dat [appellante] niet voldeed aan haar rente- en informatieverplichtingen. Het hof oordeelt hierover als volgt.
renteverplichting
5.9.
Uit de hiervoor in 3.15-3.17 vermelde gang van zaken blijkt dat tussen partijen geen afspraken zijn gemaakt over rentebetalingen op een kwaliteitsrekening. [appellante] heeft daarvoor een voorstel gedaan, dat [geïntimeerde] niet heeft geaccepteerd. [geïntimeerde] heeft verklaard (vooralsnog) onder afwijkende voorwaarden akkoord te gaan met rentebetalingen op een kwaliteitsrekening, maar daarmee heeft [appellante] zich niet akkoord verklaard. De afwijking was niet een ondergeschikt punt, zodat de overeenkomst niet op grond van artikel 6:225 lid 2 BW Pro conform die afwijking tot stand kwam.
5.10.
Met haar brief van 9 maart 2021 heeft [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op rentebetalingen rechtstreeks aan haar. Voor zover er tot dat moment nog een aanbod van haar kant lag om te bewilligen in rentebetalingen op een kwaliteitsrekening (onder de door haar gestelde voorwaarden), heeft zij kennelijk bedoeld dat aanbod toen in te trekken. [appellante] was dus in verzuim met haar rentebetaling en zij werd met de brief van 9 maart 2021 in de gelegenheid gesteld om dat verzuim te zuiveren. Dat geld was beschikbaar op de kwaliteitsrekening en de daarvoor gegeven termijn (van twee weken) was mede daarom niet onredelijk.
5.11.
[appellante] heeft zich beroepen op een opschortingsrecht omdat voor haar niet duidelijk was, zo stelt zij, aan wie zij moest betalen (artikel 6:37 BW Pro). Dat [geïntimeerde] schuldeiser was en is, is thans wel duidelijk (hiervoor, 5.1). [appellante] kon in redelijkheid daaraan ook niet twijfelen, gegeven de aan haar ter zake toegezonden stukken (hiervoor, 3.14) en het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2021 (hiervoor, 3.19). Voor zover zij heeft willen betogen dat zij er rekening mee moest houden dat niet [geïntimeerde] maar [bedrijf 3] exclusief inningsbevoegd was geworden op grond van de door [geïntimeerde] aan [bedrijf 3] gegeven last tot incasso, faalt dat betoog. Die lastgeving was niet privatief (vlg. hiervoor, 5.4) en [appellante] had ook geen aanknopingspunt om iets anders te veronderstellen. De enkele omstandigheid dat haar niet was gebleken dat de last niet privatief was, was daarvoor in elk geval onvoldoende. En als zij zich hiervan toch wilde vergewissen, dan had zij dat bij [bedrijf 3] kunnen navragen. Zonder dat te doen had zij geen redelijke grond voor twijfel c.q. opschorting. Gesteld noch gebleken is dat wanneer [appellante] [bedrijf 3] om opheldering had gevraagd, deze niet zou hebben geantwoord dat [geïntimeerde] (ook) incassobevoegd was.
5.12.
Het verzuim wat betreft de renteverplichting was op zichzelf van voldoende gewicht om de opeising te rechtvaardigen. De opeising op (onder meer) deze grond was ook niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De omstandigheid dat na de opeising door [geïntimeerde] , de incassodienst [bedrijf 5] namens haar in september en oktober 2021 slechts rentebetalingen heeft gevorderd, maakt dit niet anders. Deze handelwijze is ook te begrijpen in het licht van de brief van [geïntimeerde] van 27 mei 2021 waarin zij voorstelde [appellante] respijt te geven voor de aflossing tot eind 2021, op voorwaarde van stipte rentebetaling (hiervoor, 3.23).
informatieverplichting
5.13.
Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] als cessionaris tegenover [appellante] (ten minste) aanspraak had op informatie betreffende het onderpand. Het gezag van gewijsde van het oordeel van de rechtbank Amsterdam in het vonnis van 17 februari 2021 dat de informatieverplichting tegenover [geïntimeerde] aanzienlijk minder ruim was dan de oorspronkelijke contractuele informatieverplichting tegenover [bedrijf 1] , maakt dit niet anders. De rechtbank Amsterdam onderkende in datzelfde vonnis ook dat [geïntimeerde] wél recht had op informatie betreffende het onderpand. Het informatieverzoek in de brief van 9 maart 2021 ziet voor een belangrijk deel (indirect) op het onderpand, en in elk geval de gevraagde actuele taxatie en kopie opstalverzekering kunnen daartoe worden gerekend. Het belang van die informatie voor [geïntimeerde] als hypotheekhouder is ook evident. [appellante] beschikte over een actuele taxatie waarover [geïntimeerde] niet beschikte. Op de mondelinge behandeling in het hoger beroep heeft mr. Körver medegedeeld dat hij niet zeker wist of [appellante] een opstalverzekering had afgesloten, omdat [naam 2] niet snel verzekeringen afsluit en vaak wanneer nodig uit eigen vermogen betaalt. Het eventueel ontbreken van een opstalverzekering zou voor [geïntimeerde] als hypotheekhouder vanzelfsprekend zeer relevante informatie zijn. Maar ook als er wél een opstalverzekering zou zijn, had zij gewoon aanspraak op inzage daarin. Als zou moeten worden aangenomen dat [geïntimeerde] in haar brief van 9 maart 2021 om méér informatie vroeg dan waarop zij aanspraak had, dan mocht dat voor [appellante] geen reden zijn om helemaal geen informatie te verstrekken. Zij heeft daarvoor ook geen goede reden gegeven. Ook in deze verplichting schoot [appellante] dus tekort.
termijn van opeising
5.14.
[geïntimeerde] gaf in haar brief van 13 april 2021 een terugbetalingstermijn voor de totale kredietsom van twee weken. Die termijn moet wellicht – afhankelijk van de (her)financieringsmogelijkheden voor [appellante] destijds – als onredelijk kort worden aangemerkt. Dat maakt de opeising als zodanig echter niet ongeldig, hooguit de termijn. [geïntimeerde] heeft in haar brief van 27 mei 2021 alsnog aangeboden dat [appellante] respijt kreeg tot eind 2021 (op voorwaarde van stipte rentebetaling). Dat ook die termijn onredelijk kort was, heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd.
[geïntimeerde] verkeerde en verkeert niet in schuldeisersverzuim
5.15.
[appellante] heeft nog aangevoerd dat [geïntimeerde] in schuldeisersverzuim verkeert of heeft verkeerd en dat dit aan toewijzing van de vorderingen in de weg staat. Zij voert aan dat [geïntimeerde] niet wilde meewerken aan uitbetaling aan haarzelf. Zij wijst op een e-mailbericht van [geïntimeerde] aan [appellante] van 27 september 2021. In dat bericht schrijft [geïntimeerde] geen partij te zijn bij de door [appellante] gestelde depotovereenkomst, daarover daarom ook geen (mede)zeggenschap te hebben, en om die reden niet de gevraagde bevestiging aan de notaris te kunnen geven dat de depotgelden aan haar kunnen worden uitbetaald. Klaarblijkelijk is [geïntimeerde] er bevreesd voor om met de gevraagde bevestiging impliciet zeggenschap de claimen met betrekking tot de depotgelden, en daarmee instemming met het depot tot uitdrukking te brengen, terwijl zij daarmee (in plaats van betaling aan haarzelf, dan wel een depot onder de door haar gestelde voorwaarden) nooit akkoord is gegaan. Wat hiervan zij, in de brief schrijft [geïntimeerde] tevens dat het [appellante] (uiteraard) vrijstaat om aan haar verplichtingen tegenover [geïntimeerde] te voldoen en dat dit ook kan door middel van betaling vanaf de kwaliteitsrekening van de notaris, zolang maar duidelijk is dat het om een betaling van [appellante] gaat. Deze mededeling laat niets aan duidelijkheid te wensen over. Wat dit betreft is van schuldeisersverzuim dan ook geen sprake.
Slotsom; proceskosten
5.16.
Het voorgaande betekent dat ook de gevraagde verklaring voor recht sub (b) moet worden toegewezen. De grieven behoeven voor het overige geen bespreking. [appellante] heeft geen feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen voor zover de vorderingen van [geïntimeerde] zijn afgewezen en deze alsnog toewijzen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties. Het hof begroot deze kosten als volgt:

6.Beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 september 2023, voor zover het gevorderde daarin is afgewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd;
6.2.
bekrachtigt het vonnis voor het overige;
6.3.
verklaart voor recht dat de Grote en de Kleine lening rechtsgeldig zijn opgeëist door [geïntimeerde] ;
6.4.
veroordeelt [appellante] alsnog in de proceskosten van de eerste aanleg van [geïntimeerde] , begroot op € 9.289,21, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest;
6.5.
veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 20.799,-, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt nadat niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledige voldoening aan het arrest heeft plaatsgevonden, al deze bedragen steeds te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest respectievelijk (voor de extra nakosten en de kosten van betekening) de betekening, aan de kostenveroordeling is voldaan;
6.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en H.O. Kerkmeester en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.