Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] ,
[appellant 2],
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
grief 1 in principaal hoger beroepaangevoerd dat de door de rechtbank vastgestelde feiten onvolledig zijn en dat de rechtbank deze onjuist heeft gewaardeerd, zo begrijpt het hof. [geïntimeerde] heeft hetgeen [appellanten] in dit verband hebben aangevoerd gemotiveerd weersproken en zij heeft ook zelf een grief (
grief 1 in incidenteel hoger beroep) gericht tegen de feitenvaststelling. Het hof zal met een en ander rekening houden. Daarbij merkt het hof op dat de rechter de relevante feiten selecteert met het oog op de te nemen beslissing, dat de rechter daarbij grote vrijheid toekomt en dat er geen rechtsregel is die de rechter verplicht alle tussen partijen vaststaande feiten te vermelden. Waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
4.Procedure bij de rechtbank
in reconventiesamengevat bepaald dat op kosten van [geïntimeerde] een erfdienstbaarheid wordt gevestigd tot handhaving van de bestaande overbouw (het hof begrijpt: na voltooiing) tegen betaling door [geïntimeerde] aan [appellanten] van een bedrag van € 1.421,00 (vordering 1 subsidiair in reconventie). De rechtbank is bij het bepalen van de schadeloosstelling uitgegaan van een schadebedrag van € 700,00 per m2 en een overbouw van 2,03 m2.
in reconventie[appellanten] hoofdelijk veroordeeld tot het verlenen van onvoorwaardelijke medewerking aan de door [geïntimeerde] uit te voeren werkzaamheden ter afronding van de uitbouw waarvoor het betreden van het perceel van [appellanten] noodzakelijk is en tot, kort gezegd, het verwijderen en verwijderd houden van camera’s met uitzicht op het perceel van [geïntimeerde] , een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom (vorderingen 3 en 6 in reconventie).
in conventie en in reconventiede proceskosten gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
grief 2 in incidenteel hoger beroepvan [geïntimeerde] te bespreken. Daarmee komt zij onder meer op tegen het oordeel van de rechtbank in de overwegingen 5.3. tot en met 5.12. van het tussenvonnis dat [geïntimeerde] geen beroep op verkrijgende of bevrijdende verjaring toekomt. Bij de beoordeling van deze grief stelt het hof verder nog voorop (zoals ook de rechtbank onder 5.3. tot en met 5.5. van het bestreden tussenvonnis) dat op grond van artikel 3:99 BW Pro een bezitter van een onroerende zaak die deze te goeder trouw heeft verkregen, die zaak door een onafgebroken bezit van tien jaar verkrijgt (verkrijgende verjaring). Als sprake is van bezit niet te goeder trouw, is de termijn twintig jaar (bevrijdende verjaring). Voor beide vormen van verjaring is dus bezit van de onroerende zaak noodzakelijk. Bezit is het “houden voor zichzelf”. De bezitter oefent direct of indirect de feitelijke macht over de onroerende zaak uit met de (al dan niet gerechtvaardigde) pretentie rechthebbende te zijn. Dit veronderstelt ook een zekere mate van exclusiviteit: een ander wordt door de bezitter niet erkend als rechthebbende op de onroerende zaak. Of sprake is van bezit moet op grond van artikel 3:108 BW Pro worden beoordeeld naar verkeersopvattingen met inachtneming van de wettelijke regels van de artikelen 3:109 e.v. BW en op grond van uiterlijke feiten. Dit is een objectieve maatstaf: louter de interne wil van de “bezitter” om als rechthebbende op te treden, is van geen betekenis. Die interne wil is alleen van belang voor zover deze wil zich in uiterlijke feiten heeft geopenbaard. De werkelijke rechthebbende tegen wie de verjaring is gericht, moet uit die gedragingen van degene die zich op verjaring wil beroepen duidelijk kunnen opmaken dat deze pretendeert rechthebbende te zijn, zodat hij tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. Het enkele uitoefenen van de feitelijke macht over een perceel grond, betekent niet zonder meer dat sprake is van bezit. Het gaat er immers niet om of iemand bezitsdaden heeft verricht ten aanzien van het perceel maar ten aanzien van het eigendomsrecht. Uit artikel 3:112 BW Pro volgt dat bezit onder meer wordt verkregen door inbezitneming: het zich verschaffen van de feitelijke macht over de zaak (zie artikel 3:113 BW Pro). Bij onroerende zaken moet ook die inbezitneming zodanig zijn dat de machtsuitoefening van de oorspronkelijk eigenaar hierdoor geheel teniet wordt gedaan. Dit moet naar buiten toe kenbaar zijn. Enkele op zich zelf staande machtsuitoefeningen zijn voor inbezitneming onvoldoende. De vraag of sprake is van (in)bezit(neming) in de hiervoor vermelde zin, moet worden beantwoord aan de hand van alle feitelijke omstandigheden van het geval. Het ligt op de weg van degene die zich op verkrijgende of bevrijdende verjaring beroept, om dit bezit - dat dus niet snel wordt aangenomen - voldoende te onderbouwen en bij betwisting te bewijzen. Ten slotte is het interversieverbod van artikel 3:111 BW Pro van belang. Daaruit volgt dat wanneer men heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor een ander te houden, men daarmee onder dezelfde titel doorgaat. Een houder kan dus niet ongemerkt (voor de daadwerkelijk rechthebbende) de bezitter worden.
grief 8 in principaal hoger beroeprichten zij zich tegen de afwijzing van deze vordering door de rechtbank. Volgens [appellanten] ondervinden zij door die hoogte ook onrechtmatige hinder, waaronder een afwateringsprobleem doordat met de huidige hoogte van het dak door [geïntimeerde] op hun dak wordt afgewaterd. [geïntimeerde] betwist dat. Volgens haar loopt de afwatering juist andersom. Dit is een onderwerp voor de deskundige, zoals hierna wordt uitgewerkt.
grieven 3 en 4 in principaal hoger beroephebben [appellanten] samengevat betoogd dat bij [geïntimeerde] wel degelijk sprake is van kwade trouw of grove schuld, zodat artikel 5.54 lid 3 BW zich verzet tegen een erfdienstbaarheid. Zij hebben erop gewezen dat [geïntimeerde] niet aan haar zorg- c.q. onderzoeksplicht heeft voldaan door voor de bouw niet het Kadaster te raadplegen. Voor [geïntimeerde] waren er daarnaast meerdere indicaties die overbouw deden vermoeden, aldus [appellanten] Zo hebben zij tijdens de bouw herhaaldelijk hun zorgen geuit en [geïntimeerde] voor overbouw gewaarschuwd, voor zover zij daartoe in staat waren gezien de voor hen beschikbare informatie. [geïntimeerde] reageerde daarop echter niet maar bouwde juist in versneld tempo door. [appellanten] hebben (inmiddels) de indruk gekregen dat [geïntimeerde] gokte op de legaliserende werking van artikel 5:54 BW Pro. In hun visie sluiten de feiten daarop aan. Volgens [geïntimeerde] kunnen de grieven niet slagen.
grief 2 in principaal hoger beroephebben [appellanten] betoogd dat hun belangen bij inkorting van de uitbouw (waarbij zij uitgaan van inkorting tot aan de erfgrens) onevenredig veel zwaarder wegen dan het belang van [geïntimeerde] bij handhaving van het formaat van de oude uitbouw. [geïntimeerde] heeft aldus hen in dat verband te hoge kosten voor aanpassing opgevoerd. Zij stellen dat [geïntimeerde] in geval van aanpassing slechts enkele tijdelijke en eenmalige nadelen heeft, terwijl bij [appellanten] zelf sprake is van blijvende nadelen bij handhaving van de nieuwe uitbouw. Zo is hun woning door de nieuwe uitbouw niet langer vrijstaand maar geschakeld. De waardevermindering van de woning is getaxeerd op € 70.000,-. Daarnaast is de nieuwe uitbouw (esthetisch) onacceptabel, omdat daardoor de karakteristieke uitstraling van hun woning (waarbij zij doelen op de houten gevelafwerking) wordt onderbroken. De nieuwe uitbouw veroorzaakt verder hinder. Geluidsoverlast ontstaat in verband met de elkaar rakende funderingen en het gevaar voor brand is toegenomen. Het dak van de nieuwe uitbouw watert af op het dak van [appellanten] en de regenpijp van [appellanten] watert niet meer via de gevel af in de grond en deze gewijzigde afwatering zal problemen geven. Tevens zijn er schimmel- en vochtproblemen te verwachten, omdat de luchtspouw niet ventileert. Deze problemen hebben zich ook al voorgedaan. Daarnaast geldt dat [appellanten] de houten geveldelen niet meer kunnen onderhouden en ook de (enkel steense) muur niet. Bovendien is hun perceel door toedoen van [geïntimeerde] kleiner geworden, hetgeen eveneens leidt tot een waardevermindering. [appellanten] hebben ter onderbouwing van een en ander verwezen naar in hun opdracht opgemaakte rapporten van deskundigen.
grief 7 in principaal hoger beroepop tegen de door de rechtbank vastgestelde schadeloosstelling in verband met het vestigen van een erfdienstbaarheid op de overbouw van € 1.421,00 en ook [geïntimeerde] bestrijdt dat bedrag met
grief 3 in het incidentele hoger beroep. Volgens [appellanten] dient de schadeloosstelling € 5.261,- te bedragen, waarbij zij hebben verwezen naar hetgeen zij ter zake in eerste aanleg naar voren hebben gebracht. Daarnaast vorderen zij een bedrag van € 70.000,- als schadevergoeding in verband met de waardevermindering van hun (niet langer vrijstaande) woning. [geïntimeerde] heeft een en ander gemotiveerd betwist. Volgens [geïntimeerde] moet het hof de schadeloosstelling op nihil vaststellen dan wel op een lager bedrag dan de rechtbank heeft bepaald. Aangezien de nieuwe uitbouw slechts 0,84 m2 groter is dan de oude uitbouw en een bedrag van € 300,- per m2 [geïntimeerde] reëel lijkt, leidt dat volgens [geïntimeerde] tot een schadeloosstelling van maximaal € 252,00.