De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 835,7 gram hennep. In hoger beroep heeft het gerechtshof het vonnis van de politierechter vernietigd en de zaak opnieuw beoordeeld. De verdachte stelde dat hij geen wetenschap had van de gedroogde hennep, maar slechts van het kweken van hennepplanten door zijn toenmalige partner. Het hof oordeelde echter dat het opzet op het aanwezig hebben van de hennep niet werd weggenomen, omdat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid en feitelijke beschikkingsmacht had.
Het hof achtte het bewezen dat de verdachte op 6 november 2023 in Westzaan opzettelijk 835,7 gram hennep aanwezig had. Er werden geen omstandigheden gevonden die de strafbaarheid uitsloten. De advocaat-generaal vorderde een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week, terwijl de raadsman primair vrijspraak en subsidiair een geldboete verzocht.
Het hof nam bij de strafoplegging de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting in acht. Gezien de aard en ernst van het feit vond het hof toepassing van artikel 9a Sr niet passend en legde een voorwaardelijke geldboete van €1.000 op met een proeftijd van twee jaar. De geldboete wordt niet ten uitvoer gelegd tenzij de verdachte binnen de proeftijd opnieuw een strafbaar feit pleegt.