Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1103

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
23-000872-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke geldboete voor opzettelijk aanwezig hebben van 835,7 gram hennep

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 835,7 gram hennep. In hoger beroep heeft het gerechtshof het vonnis van de politierechter vernietigd en de zaak opnieuw beoordeeld. De verdachte stelde dat hij geen wetenschap had van de gedroogde hennep, maar slechts van het kweken van hennepplanten door zijn toenmalige partner. Het hof oordeelde echter dat het opzet op het aanwezig hebben van de hennep niet werd weggenomen, omdat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid en feitelijke beschikkingsmacht had.

Het hof achtte het bewezen dat de verdachte op 6 november 2023 in Westzaan opzettelijk 835,7 gram hennep aanwezig had. Er werden geen omstandigheden gevonden die de strafbaarheid uitsloten. De advocaat-generaal vorderde een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week, terwijl de raadsman primair vrijspraak en subsidiair een geldboete verzocht.

Het hof nam bij de strafoplegging de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting in acht. Gezien de aard en ernst van het feit vond het hof toepassing van artikel 9a Sr niet passend en legde een voorwaardelijke geldboete van €1.000 op met een proeftijd van twee jaar. De geldboete wordt niet ten uitvoer gelegd tenzij de verdachte binnen de proeftijd opnieuw een strafbaar feit pleegt.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €1.000 voor het opzettelijk aanwezig hebben van 835,7 gram hennep.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000872-25
datum uitspraak: 21 april 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 juli 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-065173-24 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1959,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 6 november 2023 te Westzaan, gemeente Zaanstad opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 835,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het opzet, nu de verdachte geen wetenschap had van de aangetroffen gedroogde hennep, maar enkel van het kweken van hennep in de ‘tuin’.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat zijn toenmalige partner twee hennepplanten in de zogenoemde ‘tuin’ van de boot had, en dat zij hennep teelde voor eigen gebruik. Hij wist naar eigen zeggen niet dat de planten in zijn boot lagen te drogen. Dit laatste neemt het opzet op het aanwezig hebben van de hennep echter niet weg. De verdachte was zich bewust van de aanwezigheid van de hennep en had daar de feitelijke beschikkingsmacht over. Dat wordt niet anders indien de hennepplanten van zijn toenmalige partner waren. Het ten laste gelegde feit is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 6 november 2023 te Westzaan, gemeente Zaanstad, opzettelijk aanwezig heeft gehad 835,7 gram hennep.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week, met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman heeft primair verzocht geen straf of maatregel aan de verdachte op te leggen (artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr)), en subsidiair verzocht een (voorwaardelijke) geldboete op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van ruim 800 gram hennep. Het gebruik van hennep kan schadelijke gevolgen meebrengen voor de gezondheid van gebruikers.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor het aanwezig hebben van 500 tot 2.500 gram softdrugs een taakstraf voor de duur van 100 uren genoemd. Het hof ziet in de aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en een andere straf op te leggen. Het toepassen van artikel 9a Sr acht het hof, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, niet passend.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J. Roos, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 april 2026.