Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1104

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
23-000871-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerij op boot

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 21 april 2026 in hoger beroep uitspraak gedaan over een ontnemingsvordering tegen betrokkene, die eerder door de politierechter was veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van hennep op zijn boot.

De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e Wetboek van Strafrecht, waarbij het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel schat op €23.020,16. Dit bedrag is berekend op basis van een oogst van 240 hennepplanten, met opbrengsten en kosten conform het Functioneel Parket Afpakken rapport van 2016.

De verdediging voerde aan dat betrokkene in de teeltperiode in het buitenland verbleef en dat een ander verantwoordelijk was voor de kwekerij. Het hof verwierp deze stellingen wegens onvoldoende bewijs en onwaarschijnlijke verklaringen. Het hof achtte de betrokkenheid van betrokkene aannemelijk en legde hem de betalingsverplichting op.

De beslissing vernietigt het vonnis van de politierechter en stelt het bedrag van wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €23.020,16, met een maximale gijzelingstermijn van 230 dagen.

Uitkomst: Betrokkene is veroordeeld tot betaling van €23.020,16 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt op zijn boot.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000871-25
datum uitspraak: 21 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 juli 2024 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met parketnummer 15-065173-24 tegen de betrokkene:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1959,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 15.070,16.
De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 juli 2024 – kort gezegd – veroordeeld ter zake van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep.
Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 19 juli 2024 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.070,16 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 april 2026 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het opzettelijk aanwezig hebben van hennep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2026.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Grondslag van de vordering

De betrokkene is bij arrest van 21 april 2026 veroordeeld voor het op 6 november 2023 opzettelijk aanwezig hebben van 835,70 gram hennep op zijn boot. Op grond van artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de verplichting worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. De onderhavige vordering is gestoeld op het tweede lid van artikel 36e Sr (andere strafbare feiten dan waarvoor de betrokkene is veroordeeld).
Het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht’ (hierna: het ontnemingsrapport) van 23 januari 2024 [1] biedt, in combinatie met de inhoud van het strafdossier, voldoende aanwijzingen op grond waarvan het hof concludeert dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het telen van hennep.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 23.070,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsman heeft primair verzocht de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af te wijzen, omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de betrokkene een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd en daaruit enig voordeel heeft genoten. De betrokkene verbleef immers blijkens overgelegde foto’s en medische stukken in het buitenland in de teeltperiode waar het ontnemingsrapport van uitgaat (juli-november 2023). De betrokkene heeft verklaard dat een zekere ‘[naam 1]’ in 2021 voor de teelt verantwoordelijk moet zijn geweest. Subsidiair is gesteld dat het voordeel hoogstens kan worden geschat op € 15.070,16.
Het hof oordeelt als volgt.
De politie heeft op 6 november 2023 een hennepkweekruimte op de boot van de betrokkene aangetroffen. Op de boot zijn geen hennepplanten aangetroffen, maar wel goederen en sporen die wezen op een hennepkwekerij, waarvan aannemelijk is dat er een oogst heeft plaatsgevonden. Het hof acht de betrokkenheid van de betrokkene hierbij aannemelijk en wijst in dat verband op de bevindingen in het ontnemingsrapport en het strafdossier.
Vermeend verblijf in het buitenland en ‘[naam 1]’
De verdediging heeft betoogd dat de betrokkene in de vermeende teeltperiode in 2023 niet in Nederland was en dit onderbouwd met foto’s die door de betrokkene zouden zijn gemaakt tijdens zijn verblijf in Tsjechië. Uit deze foto’s is echter niet zonder meer op te maken of de betrokkene deze foto’s, op de daarbij vermelde data, heeft gemaakt.
De verdediging heeft daarnaast stukken in de Tsjechische taal overgelegd, waaruit zou blijken dat de betrokkene dan wel zijn toenmalige partner medicatie voor de betrokkene heeft opgehaald in Tsjechië op de daarop vermelde data. Het hof merkt ten aanzien hiervan op dat daaruit in ieder geval blijkt dat een deel van deze stukken op naam staat van de ‘
pacient’ [naam 2], de inmiddels ex-partner van de betrokkene. De stelling dat de stukken op haar naam staan omdat zij de medicatie voor de betrokkene uit praktische overwegingen ophaalde, is niet onderbouwd of op andere wijze aannemelijk geworden. Bovendien sluit deze stelling niet uit dat de betrokkene in Nederland was op de data waarop zijn ex-partner de medicatie in Tsjechië voor hem zou hebben opgehaald. Uit niets blijkt dat de stukken op naam van de ex-partner betrekking hebben op de betrokkene, waarbij wordt opgemerkt dat die stukken telkens zijn voorzien van een ander adres en nummer dan de stukken waarop de naam van de betrokkene staat vermeld.
Zowel de foto’s als de overige stukken bieden derhalve onvoldoende onderbouwing voor het vermeende (onafgebroken) verblijf in het buitenland van de betrokkene in de periode juli-november 2023, op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat hij geen betrokkenheid kan hebben gehad bij de aangetroffen hennepkwekerij.
Zelfs als wordt aangenomen dat de betrokkene in het buitenland was op de data die bij de foto’s en overige stukken staan vermeld, is daarmee nog niet komen vast te staan dat de betrokkene gedurende een (aaneengesloten) periode van maanden niet op zijn boot is geweest. Bovendien is niet uitgesloten dat de hennepteelt eerder heeft plaatsgevonden dan de onderzoeksperiode die in het ontnemingsrapport is opgenomen. Overigens stelt de betrokkene zelf dat de hennep in 2021 is geteeld. Dat de daadwerkelijke teeltperiode mogelijk afwijkt van de in het rapport vermelde periode, vormt geen belemmering voor toewijzing van de vordering. Doorslaggevend is immers of het aannemelijk is dat de betrokkene voordeel heeft genoten uit hennepteelt. Het hof meent op grond van de dossierstukken dat dat het geval is.
Het alternatieve scenario van de betrokkene, kort gezegd inhoudende dat een persoon met de naam ‘[naam 1]’ zonder medeweten van de betrokkene de hennepkwekerij gedurende verblijf in het buitenland van de betrokkene in 2021 heeft opgezet en geëxploiteerd, is op geen enkele manier handen en voeten gegeven. De betrokkene beschikt niet over verdere gegevens van ‘[naam 1]’, wat verificatie onmogelijk maakt. In het bijzonder de verklaring van de betrokkene dat hij de boot voor € 150.000,00 aan ‘[naam 1]’ zou verkopen en hem in dat verband alvast de sleutel had gegeven, maakt het ontbreken van persoonsgegevens verwonderlijk. Ook anderszins is de verklaring van de betrokkene niet aannemelijk geworden. Het hof acht het bovendien onwaarschijnlijk dat de betrokkene, zoals hij heeft verklaard, na de ontdekking van de hennepkwekerij wel de hennepplanten heeft weggegooid, maar de voor de kweek benodigde attributen twee jaar lang op de boot heeft laten staan.
Kweekruimte
Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt het hof het ontnemingsrapport als uitgangspunt, waarbij wordt uitgegaan van één oogst.
In de kweekruimte zijn 240 plantenpotten aangetroffen die voor het grootste gedeelte waren gevuld met verdroogde potgrond. Anders dan de raadsman en conform het ontnemingsrapport gaat het hof bij de berekening van het voordeel uit van een totaal van 240 planten in één kweekruimte.
Opbrengsten
Het ontnemingsrapport is gebaseerd op standaardberekeningen en -normen uit het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Functioneel Parket Afpakken (voorheen BOOM, verder: FPA-rapport) van 1 juni 2016. [2] In laatstgenoemd rapport wordt uitgegaan van een gemiddelde opbrengst van 28,2 gram hennep per plant. De oogst van de aangetroffen 240 planten bedroeg in totaal 6.768 gram ofwel 6,768 kilogram hennep (240 * 28,2 gram).
De totale opbrengst per kilogram hennep bedraagt minimaal € 4.070,00. Uitgaande van een oogst van 6,768 kilogram hennep, heeft de betrokkene een opbrengst genoten van
€ 27.545,76.
Kosten
De kosten per oogst zijn in het ontnemingsrapport als volgt vastgesteld.
Afschrijvingskosten € 150,00
Hennepstekken € 914,40, waarbij is uitgegaan van € 3,81 per stek
Variabele kosten € 931,20, waarbij is uitgegaan van € 3,88 per plant
Kosten knippers € 480,00, waarbij is uitgegaan van € 2,00 per plant
Totaal € 2.475,60
Uit het FPA-rapport volgt dat de afschrijvingskosten afhankelijk zijn van het aantal planten. De afschrijvingskosten per oogst bedragen € 200,00 bij 200 tot 299 planten. Nu wordt uitgegaan van 240 planten in de kweekruimte, neemt het hof een bedrag van € 200,00 aan afschrijvingskosten mee in zijn berekening van het voordeel. Dat betekent dat het hiervoor genoemde totaalbedrag aan kosten niet € 2.475,60, maar € 2.525,60 bedraagt.
De betrokkene heeft in hoger beroep verklaard dat op zijn boot vaten/tanks aanwezig waren, waarin zich nog duizenden liters diesel bevonden. Alhoewel het hof op basis van de beschikbare stukken niet kan vaststellen of deze vaten/tanks zich op de boot van de betrokkene bevonden, laat staan hoeveel liter diesel zich daarin bevond, is aannemelijk dat de betrokkene elektriciteitskosten heeft gemaakt voor het in werking stellen en houden van de hennepkwekerij. Het hof schat de kosten voor de hiervoor gebruikte diesel of andere middelen om in de benodigde elektriciteit te voorzien op € 2.000,00, conform het standpunt van de advocaat-generaal.
De verdediging heeft niet geconcretiseerd op grond waarvan tenminste € 10.000,00 aan kosten in mindering dient te worden gebracht op het voordeel. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat de betrokkene kosten ter hoogte van dit bedrag heeft gemaakt, ten gevolge waarvan deze kosten niet in de schatting van het voordeel worden meegenomen.
Het hof gaat uit van de volgende kostenberekening.
Afschrijvingskosten € 200,00
Hennepstekken € 914,40, waarbij is uitgegaan van € 3,81 per stek
Variabele kosten € 931,20, waarbij is uitgegaan van € 3,88 per plant
Kosten knippers € 480,00, waarbij is uitgegaan van € 2,00 per plant
Elektriciteitsvoorziening € 2.000,00
Totale kosten
€ 4.525,60
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel betreft de opbrengsten minus de kosten.
Opbrengsten € 27.545,76 minus
Kosten € 4.525,60
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 23.020,16

Verplichting tot betaling aan de Staat

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 23.020,16, nu er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een lagere betalingsverplichting.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
23.020,16 (drieëntwintigduizend twintig euro en zestien cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 23.020,16 (drieëntwintigduizend twintig euro en zestien cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op
230 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J. Roos, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. H.A. Stalenhoef, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 april 2026.
mr. J.W.H.G. Loyson, mr. J.J. Roos en mr. S. den Hartog zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]

Voetnoten

1.Een Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht van 23 januari 2024 [doorgenummerde pagina’s 148 tot en met 153].
2.Overzicht standaardberekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht (update 1 juni 2016).