De zaak betreft een hoger beroep tegen de afwijzing door de kantonrechter van een machtigingsverzoek voor schenkingen aan kleinkinderen uit het onder bewind staande vermogen van een dementerende rechthebbende. De verzoekers, kinderen van de rechthebbende en tevens bewindvoerders, hadden zonder voorafgaande toestemming in 2024 bedragen geschonken aan de kleinkinderen.
Het hof oordeelt dat de rechthebbende ten tijde van de schenkingen niet meer wilsbekwaam was, zodat voorafgaande machtiging van de kantonrechter vereist was. De verzoekers stelden dat er een schenkingstraditie bestond, maar het hof vond onvoldoende objectieve aanwijzingen hiervoor, mede omdat de vermeende afspraak niet schriftelijk was vastgelegd en er geen levenstestament bestond.
Het hof benadrukt dat de bewindvoering conserverend van aard is en gericht moet zijn op het behoud van het vermogen. Zonder aantoonbare schenkingstraditie of bijzondere omstandigheden kan geen machtiging worden verleend. De verklaring van de rechthebbende tijdens het verhoor was onvoldoende specifiek en overtuigend om een schenkingstraditie aan te nemen.
De door verzoekers aangevoerde omstandigheden, zoals een aanvullend testament en fiscale voordelen, rechtvaardigen geen afwijking van dit uitgangspunt. Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking en wijst het verzoek af, hoewel het erkent dat de verzoekers te goeder trouw hebben gehandeld.