Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1109

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.361.661/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:441 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen machtiging voor schenkingen uit onder bewind staand vermogen aan kleinkinderen

De zaak betreft een hoger beroep tegen de afwijzing door de kantonrechter van een machtigingsverzoek voor schenkingen aan kleinkinderen uit het onder bewind staande vermogen van een dementerende rechthebbende. De verzoekers, kinderen van de rechthebbende en tevens bewindvoerders, hadden zonder voorafgaande toestemming in 2024 bedragen geschonken aan de kleinkinderen.

Het hof oordeelt dat de rechthebbende ten tijde van de schenkingen niet meer wilsbekwaam was, zodat voorafgaande machtiging van de kantonrechter vereist was. De verzoekers stelden dat er een schenkingstraditie bestond, maar het hof vond onvoldoende objectieve aanwijzingen hiervoor, mede omdat de vermeende afspraak niet schriftelijk was vastgelegd en er geen levenstestament bestond.

Het hof benadrukt dat de bewindvoering conserverend van aard is en gericht moet zijn op het behoud van het vermogen. Zonder aantoonbare schenkingstraditie of bijzondere omstandigheden kan geen machtiging worden verleend. De verklaring van de rechthebbende tijdens het verhoor was onvoldoende specifiek en overtuigend om een schenkingstraditie aan te nemen.

De door verzoekers aangevoerde omstandigheden, zoals een aanvullend testament en fiscale voordelen, rechtvaardigen geen afwijking van dit uitgangspunt. Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking en wijst het verzoek af, hoewel het erkent dat de verzoekers te goeder trouw hebben gehandeld.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek om machtiging voor de schenkingen aan de kleinkinderen af en bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.361.661/01
zaaknummer rechtbank: NL:TZ:0000364999:B001
beschikking van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak van

1.[verzoeker 1] ,

wonende te [plaats A] ,

2. [verzoeker 2] ,

wonende te [plaats B] ,
verzoekers in hoger beroep,
hierna respectievelijk: [verzoeker 1] en [verzoeker 2] (gezamenlijk: de verzoekers),
advocaat: mr. C.H.P. Groot-van Ederen te Alkmaar.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [rechthebbende] (hierna: de rechthebbende).

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de vraag of een machtiging nodig is voor een schenking uit onder bewind staand vermogen en zo ja, of die machtiging kan worden verleend.
1.2
De kantonrechter heeft het machtigingsverzoek van de verzoekers met betrekking tot de in 2024 aan de kleinkinderen van de rechthebbende gedane schenkingen afgewezen. De verzoekers zijn het daarmee niet eens en verzoeken te bepalen dat voor de gedane schenkingen aan de kleinkinderen geen machtiging nodig is, of – indien dat wel zo is – alsnog een machtiging hiervoor te verlenen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De verzoekers zijn op 18 november 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 19 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter).
2.2
Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:
- een mailbericht van de verzoekers van 4 februari 2026 met bijlagen;
- een mailbericht van de griffier van het Bewindsbureau van de rechtbank Noord-Holland van 6 februari 2026 met bijlage.
2.3
De zitting heeft op 9 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig de verzoekers, bijgestaan door hun advocaat, alsmede [naam] , echtgenote van [rechthebbende] .
De rechthebbende is opgeroepen maar niet op de zitting verschenen.
2.4
De rechthebbende is op 13 februari 2026 door de voorzitter in verzorgings-/verpleeghuis
[X] in [plaats C] in het bijzijn van een griffier gehoord. Van dit verhoor is een proces-verbaal opgemaakt en aan de verzoekers verzonden, waarbij zij in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk te reageren.
2.5
Het hof heeft een schriftelijke reactie van de verzoekers van 24 februari 2026 ontvangen. Naar aanleiding van deze reactie heeft het hof het proces-verbaal van verhoor aangepast en opnieuw aan de verzoekers verzonden.

3.De feiten

3.1
De rechthebbende is geboren [in] 1939 te [plaats D] . Hij lijdt aan dementie. Sinds mei 2023 verblijft hij in verzorgings-/verpleeghuis [X] in [plaats C] .
3.2
Verzoekers zijn de beide kinderen van de rechthebbende. [verzoeker 1] heeft vier (thans meerderjarige) kinderen en [verzoeker 2] heeft twee (thans meerderjarige) kinderen, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kleinkinderen.
3.3
Bij beschikking van 9 juli 2024 heeft de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende wegens zijn geestelijke of lichamelijke toestand met benoeming van de verzoekers tot bewindvoerders.
3.4
Op 13 november 2024 is door verzoekers zonder voorafgaande toestemming van de kantonrechter vanuit het vermogen van de rechthebbende aan ieder van de kleinkinderen een geldbedrag geschonken (onderscheidenlijk € 1.000,- , € 1.000,- , € 1.000,- , € 1.000,- , € 2.650,- en € 2.650,-).

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, het verzoek van verzoekers om met terugwerkende kracht toestemming te verlenen voor de in 2024 aan de kleinkinderen van de rechthebbende gedane schenkingen, afgewezen.
4.2
De verzoekers verzoeken, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat geen machtiging was vereist voor de in 2024 aan de kleinkinderen van de rechthebbende gedane schenkingen aangezien de rechthebbende daartoe zelf (nog) in staat was, dan wel alsnog een machtiging te verlenen voor de gedane schenkingen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Op grond van artikel 1:441 lid 2 onder Pro a van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de bewindvoerder voor het beschikken en aangaan van overeenkomsten tot beschikken over een onder bewind staand goed toestemming nodig van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter. Schenken is een beschikkingsdaad waarvoor de bewindvoerder toestemming behoeft.
Standpunt verzoekers
5.2
De verzoekers zijn het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Weliswaar heeft de rechthebbende in 2023 de diagnose dementie gekregen, pas in de loop van 2025 heeft de dementie volgens de verzoekers een zodanige ernst bereikt dat niet langer kon worden gesproken van wilsbekwaamheid. [verzoeker 1] heeft na de verhuizing van de rechthebbende naar het verzorgings-/verpleeghuis met de rechthebbende de financiën besproken en met hem afgesproken dat aanvullend op de bestaande schenkingen (het hof begrijpt: aan de kinderen) jaarlijks een bedrag aan de kleinkinderen geschonken zou worden, waarbij de hoogte ervan afhankelijk zou zijn van de financiële mogelijkheden van de rechthebbende, maar gemaximeerd tot de fiscale schenkingsvrijstelling, Aangezien de rechthebbende in 2024 nog in staat was zijn wil te bepalen menen verzoekers in de eerste plaats dat voor de schenkingen in 2024 geen machtiging nodig was van de kantonrechter.
Verder voeren de verzoekers aan dat in 2023 een schenkingstraditie ten aanzien van de kleinkinderen van de rechthebbende is begonnen. Er bestond daarvoor al geruime tijd een schenkingstraditie ten aanzien van de kinderen en in 2023 is, zoals gezegd, met de rechthebbende afgesproken dat in lijn met de al decennialang bestaande praktijk ten aanzien van de kinderen ook jaarlijks geldbedragen aan de kleinkinderen zouden worden overgemaakt.
De beoordeling door het hof
Wilsbekwaamheid
5.3
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de rechthebbende lijdt aan dementie. De rechthebbende verblijft vanwege deze ziekte sinds 2023 met een CIZ-indicatie in verzorgings-/verpleeghuis [X] , waar hij intensieve zorg en ondersteuning voor zijn dementie ontvangt. Op 10 mei 2024 hebben de verzoekers een verzoek gedaan tot onderbewindstelling van de rechthebbende gelet op zijn lichamelijke of geestelijke toestand, waarop op 9 juli 2024 door de kantonrechter de onderbewindstelling is uitgesproken. Verzoekers hebben gesteld dat de rechthebbende in het gehele jaar 2024 nog wilsbekwaam was, maar die stelling hebben zij, in het licht van het CIZ-indicatiebesluit van 26 mei 2023 waaruit blijkt van een indicatie ‘
24-uurszorg, beschermd wonen met intensieve dementiezorg’en het reeds in juli 2024 uitgesproken bewind, onvoldoende (met bewijsmiddelen) onderbouwd. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de rechthebbende ten tijde van de schenkingen aan de kleinkinderen in november 2024 niet (meer) voldoende in staat was om zijn wil te bepalen met betrekking tot de schenkingen. Dit betekent dat de bewindvoerders voorafgaande machtiging nodig hadden voor de beschikkingshandelingen.
Schenkingstraditie
5.4
Het hof overweegt dat de bewindstaak in beginsel conserverend van aard is. De wettelijke maatregel van onderbewindstelling dient ter bescherming van het vermogen van een rechthebbende. Het zijn andermans goederen waarover de bewindvoerder het bewind voert. De bewindvoerder kan niet volstaan met het aanwenden van de zorg die hij ten opzichte van zijn eigen zaken aanwendt, maar de bewindvoerder moet in alle opzichten op de meest nauwgezette wijze zijn taak uitoefenen. Die taakuitoefening brengt met zich dat de bewindvoerder zorgvuldigheid, oplettendheid en voorzichtigheid aan de dag moet leggen. Voor zover geen specifieke belangen kenbaar zijn, zoals bijvoorbeeld een schenkingstraditie die moet worden voortgezet of wensen geuit in een levenstestament, behoort de bewindvoerder zich in de kern op het behoud van het aanwezige vermogen van de rechthebbende te richten.
5.5
Bij de beoordeling van het verzoek neemt het hof verder tot uitgangspunt hetgeen met betrekking tot schenkingen onder meer is vermeld in de ‘Aanbevelingen Meerderjarigenbewind, Curatele en Mentorschap’ (hierna: de Aanbevelingen), zoals deze door het Landelijk Overleg Vakinhoud Toezicht, met het oog op de gewenste uniformering in de rechtstoepassing binnen de bewindspraktijk zijn vastgesteld;
‘Voor schenkingen istoestemmingvan betrokkene nodig als hij zelf in staat is om beschikkingshandelingen uit te voeren (wilsbekwaam is) en dus zelf toestemming kan geven.
Anders is eenmachtigingvan de kantonrechter nodig. Voor het geven van de kleine verjaardags- en sinterklaascadeautjes is geen machtiging nodig. Als betrokkene wilsonbekwaam is, kan een verzoek om te schenken alleen worden toegewezen als eenschenkingstraditiewordt aangetoond. Een schenkingstraditie kan blijken uit eerdere schenkingen van betrokkene voorafgaand aan het bewind (bijv. jaarljjkse donaties aan bepaalde goede doelen, in meerdere jaren schenking aan kinderen van groter omvang dan regulier verjaarscadeau.’(Aanbeveling BJ1)
5.6
Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat ten aanzien van de kleinkinderen onvoldoende is aangetoond dat sprake is van een schenkingstraditie. Uit de stukken van het dossier blijkt dat voor het eerst aan de kleinkinderen bedragen zijn geschonken in 2023.Een eenmalige schenking aan de kleinkinderen is echter op zichzelf onvoldoende om te kunnen spreken van een schenkingstraditie. Naar het oordeel van het hof bestaan onvoldoende objectieve aanwijzingen in het dossier voor de door verzoekers gestelde afspraak in 2023 waarbij de rechthebbende jaarlijks aan de kleinkinderen zou schenken. De gestelde afspraak is niet schriftelijk vastgelegd, een levenstestament waaruit dat zou kunnen blijken bestaat evenmin. In zoverre bestaat dus geen aanknopingspunt voor het aannemen van een schenkingstraditie, of van een tot het vestigen daarvan geuite wens van de rechthebbende, Een bewijsaanbod is door verzoekers verder niet gedaan.
Verzoekers hebben nog gewezen op hetgeen de rechthebbende heeft verklaard tijdens het horen op 13 februari 2026. In het (aangevulde) proces-verbaal staat als verklaring van de rechthebbende vermeld, voor zover van belang:
‘(…) Ik vind het goed dat mijn zoons [verzoeker 1] en [verzoeker 2] af en toe geld geven aan mijn kleinkinderen. Ik heb zes kleinkinderen (…). Het is goed hoe mijn zoons mijn financiën beheren. Het klopt dat ze ook af en toe geld geven aan de kleinkinderen en dat is ook altijd mijn bedoeling geweest. (…)’
De verklaring is op het punt van schenkingen – en de omvang daarvan – aan de kleinkinderen echter te weinig specifiek. Daarbij komt dat alle betrokkenen het erover eens zijn dat de rechthebbende in elk geval thans wilsonbekwaam is. Dit stemt overeen met de eigen waarneming door de raadsheer mr. F. Kleefmann op 13 februari 2026 met betrekking tot de geestelijke toestand van de rechthebbende. Aan de verklaring van de rechthebbende komt met betrekking tot de gestelde afspraak in 2023 dan ook niet de overtuigingskracht toe die verzoekers daarin kennelijk zien.
Ten slotte is het bestaan van een schenkingstraditie ten aanzien van de kinderen onvoldoende om, na een eenmalige schenking in 2023, ook ten aanzien van de kleinkinderen een schenkingstraditie aan te nemen.
Bijzondere omstandigheden
5.7
Verder is het hof van oordeel dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van het uitgangspunt dat een machtiging om te schenken in beginsel niet wordt verleend. Hetgeen verzoekers hebben aangevoerd over het aanvullend testament van rechthebbende van 4 juni 2020 (waarbij aan ieder van de kleinkinderen een legaat ter hoogte van het vrijgestelde bedrag op grond van de Successiewet is toegekend), de reeds bestaande schenkingstraditie ten aanzien van de kinderen en goede doelen, het benutten van het fiscale voordeel (schenkingsvrijstellingen) en het eventuele effect dat verlaging van het vermogen heeft op de hoogte van de eigen bijdrage Wlz-zorg, zijn daartoe onvoldoende.
Ten slotte
5.8
Gelet op hetgeen ter zitting in hoger beroep met verzoekers is besproken, hecht het hof er aan nog te overwegen dat het de overtuiging heeft gekregen dat de verzoekers bij de uitvoering van het bewind de intentie hebben om zo goed mogelijk te handelen in het belang van de rechthebbende en dat van handelen met onzuivere motieven geen sprake is geweest. Met betrekking tot de schenkingen aan de kleinkinderen in 2024 leidt het vooroverwogene echter tot de conclusie dat de verzochte toestemming niet kan worden verleend.
5.9
Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen.
5.1
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, mr. A.N. van de Beek en mr. M.J. Vonk, leden van het hof, bijgestaan door mr. V.A.M. Willemsen als griffier en is op 21 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.