ECLI:NL:GHAMS:2026:1158
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- L. Alwin
- I.A. van der Burg
- A.L. Bervoets
- Rechtspraak.nl
Afwijzing incident tot schorsing van tenuitvoerlegging vonnis in civiele zaak over betaling en opschortingsrecht
In deze civiele procedure is appellante in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter waarin zij is veroordeeld tot betaling van een geldbedrag aan geïntimeerde. Appellante heeft een incidentele vordering ingesteld tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis, althans onder de voorwaarde dat zij zekerheid stelt.
Zij voert aan dat het vonnis berust op kennelijke juridische en processuele misslagen, waaronder een vermeende onjuiste toepassing van verrekening en het negeren van een opschortingsverbod in de agentuurovereenkomst. Tevens stelt zij dat de executie van het vonnis leidt tot liquiditeitsproblemen en een reëel restitutierisico.
Het hof overweegt dat een veroordeling in beginsel uitvoerbaar is, tenzij het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij onmiddellijke tenuitvoerlegging. Het hof oordeelt dat de gestelde misslagen niet zodanig kennelijk zijn dat schorsing gerechtvaardigd is. Ook de financiële risico's zijn onvoldoende concreet onderbouwd. Daarom wijst het hof de incidentele vordering af en houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging af en houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak.