Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1158

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
200.364.966/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incident tot schorsing van tenuitvoerlegging vonnis in civiele zaak over betaling en opschortingsrecht

In deze civiele procedure is appellante in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter waarin zij is veroordeeld tot betaling van een geldbedrag aan geïntimeerde. Appellante heeft een incidentele vordering ingesteld tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis, althans onder de voorwaarde dat zij zekerheid stelt.

Zij voert aan dat het vonnis berust op kennelijke juridische en processuele misslagen, waaronder een vermeende onjuiste toepassing van verrekening en het negeren van een opschortingsverbod in de agentuurovereenkomst. Tevens stelt zij dat de executie van het vonnis leidt tot liquiditeitsproblemen en een reëel restitutierisico.

Het hof overweegt dat een veroordeling in beginsel uitvoerbaar is, tenzij het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij onmiddellijke tenuitvoerlegging. Het hof oordeelt dat de gestelde misslagen niet zodanig kennelijk zijn dat schorsing gerechtvaardigd is. Ook de financiële risico's zijn onvoldoende concreet onderbouwd. Daarom wijst het hof de incidentele vordering af en houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging af en houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.364.966/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 11592566 \ CV EXPL 25-4310
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 april 2026
inzake
[appellant] B.V.,
gevestigd te [plaats] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. B.H.A. Augustin te Urmond,
tegen
[geïntimeerde] h.o.d.n. [bedrijf] ,
wonend te [plaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. P. Thole te Amsterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [bedrijf] genoemd.
[appellant] is bij dagvaarding van 5 februari 2026 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 13 januari 2026 dat onder bovenstaand zaaknummer is gewezen tussen [appellant] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, en [bedrijf] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).
[appellant] heeft een memorie van grieven, met producties, ingediend en daarbij een incidentele vordering ex artikel 351 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingesteld. NIAM heeft incidenteel gevorderd, primair, dat het hof de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis zal schorsen totdat in hoger beroep onherroepelijk is beslist, subsidiair, dat het hof dit zal doen onder de voorwaarde dat [appellant] binnen twintig werkdagen na betekening van het arrest in incident deugdelijk en afdoende zekerheid stelt voor het door haar op basis van het betreden vonnis aan [bedrijf] te betalen bedrag, met veroordeling van [bedrijf] in de kosten van het incident, inclusief nakosten, uitvoerbaar bij voorraad.
[bedrijf] heeft daarop bij conclusie, met producties, geantwoord en geconcludeerd dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad –veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident.
Ten slotte is arrest in het incident gevraagd.

2.Beoordeling

in het incident
2.1.
Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter [appellant] veroordeeld tot betaling aan [bedrijf] van een bedrag van € 14.536,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de vorderingen van [bedrijf] voor het overige afgewezen. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). Het bestreden vonnis is wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad is niet gemotiveerd.
2.2.
Ter onderbouwing van haar incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging stelt [appellant] dat het bestreden vonnis berust op kennelijke juridische en processuele misslagen. Daartoe voert zij, kort gezegd, het volgende aan. Met zijn oordeel dat [appellant] gehouden is tot doorbetaling aan [bedrijf] van het bij Bootz geïnde bedrag van € 14.536,-, heeft de kantonrechter miskend dat (uit de feitenvaststelling volgt dat) [bedrijf] in haar e-mail van 2 oktober 2024 uitdrukkelijk heeft erkend dat haar openstaande schuld aan [appellant] mocht worden verrekend met dit bedrag. Ook heeft de kantonrechter het in de agentuurovereenkomst tussen partijen opgenomen opschortingsverbod genegeerd door te oordelen dat [bedrijf] gerechtigd was haar betalingen op te schorten. De kantonrechter heeft verder de door [appellant] ingediende conclusie van antwoord in reconventie met bijbehorende producties, in verband met de omvang daarvan, integraal buiten beschouwing gelaten, terwijl juist in dat processtuk de onderbouwing van haar stellingen was opgenomen die volgens de kantonrechter op bepaalde punten ontbrak. Ten slotte bevat het bestreden vonnis innerlijk tegenstrijdige vaststellingen ten aanzien van voortzetting, opzegging en ontbinding van de agentuurovereenkomst. Daarnaast stelt [appellant] dat executie van het bestreden vonnis bij haar tot onmiddellijke liquiditeitsdruk en verstoring van de bedrijfsvoering zal leiden en dat er een reëel restitutierisico is. Dit alles maakt volgens [appellant] , zeker nu de kantonrechter de uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet heeft gemotiveerd dat haar belang bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van [bedrijf] , die geen aantoonbaar spoedeisend belang heeft bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van dat vonnis.
2.3.
[bedrijf] heeft verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.
2.4.
Bij de beoordeling van de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, waarin over de uitvoerbaarheid bij voorraad ongemotiveerd is beslist, stelt het hof het volgende voorop
(vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
2.5.
Voor zover [appellant] haar incidentele vordering baseert op inhoudelijke bezwaren tegen het bestreden vonnis gaat het hof daarop in het kader van dit incident niet in. Op het oordeel in de hoofdzaak mag immers niet worden vooruitgelopen. De onder 2.2. weergegeven stellingen van [appellant] leiden verder niet tot het oordeel dat het bestreden vonnis op een kennelijke misslag berust. Daarvoor is ten minste vereist dat dit ‘kennelijk’ het geval is, dat wil zeggen dat reeds op het eerste gezicht, dus zonder relevant nader feitelijk of juridisch onderzoek, zonder meer duidelijk is dat een feitelijk of juridisch oordeel in een bepaalde rechtsoverweging onjuist is. Dat dit in deze zaak – waarin [appellant] naar haar grieven verwijst voor (de nadere uitwerking van) de onderbouwing van de door haar gestelde misslagen – het geval is, is niet gebleken. Voor een verdere beoordeling van de juistheid van de overwegingen van de kantonrechter (waaronder de processuele beslissing een processtuk buiten beschouwing te laten) is in dit incident geen plaats. De stelling van [appellant] dat de omstandigheid dat in het bestreden vonnis de beslissing tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet is gemotiveerd een (bijkomende) reden voor schorsing is, stuit af op de hiervoor weergegeven maatstaf.
2.6.
De uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordelingen betreffen betalingen van geldsommen. Daarmee is het belang van [bedrijf] bij de tenuitvoerlegging van deze veroordelingen in beginsel gegeven. Haar belang is dat zij niet op de betalingen waartoe [appellant] veroordeeld is hoeft te wachten totdat die veroordelingen onherroepelijk zijn geworden. Dat [bedrijf] geen spoedeisend belang bij de tenuitvoerlegging zou hebben, zoals [appellant] stelt, doet, wat hiervan ook zij, aan dit belang van [bedrijf] niet af. De door [appellant] gestelde onomkeerbare financiële schade die het gevolg zou zijn van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis is gebaseerd op vage en niet concreet toegelichte stellingen en legt reeds daarom onvoldoende gewicht in de schaal tegenover het belang van [bedrijf] bij directe tenuitvoerlegging. Ook de enkele, niet nader onderbouwde of geconcretiseerde, stelling van [appellant] dat zich een restitutierisico voordoet, is onvoldoende voor schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordelingen.
2.7.
Op grond van al het voorgaande oordeelt het hof dat er geen - door [appellant] aangevoerde - omstandigheden zijn die kunnen rechtvaardigen dat van het hiervoor onder 2.4 opgenomen uitgangspunt wordt afgeweken, zodat de primaire vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. Dit geldt evenzeer voor de subsidiaire vordering tot schorsing onder de voorwaarde dat [appellant] zekerheid zal stellen.
2.8.
Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
in de hoofdzaak
2.9.
In de hoofdzaak zal de zaak worden verwezen naar de rol voor memorie van antwoord door [bedrijf] .

3.Beslissing

Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 9 juni 2026 voor memorie van antwoord door [bedrijf] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, I.A. van der Burg en A.L. Bervoets en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.