In deze zaak klaagt klager tegen notarissen over het niet verstrekken van een afschrift van de verklaring van erfrecht in de nalatenschap van een in 2023 overleden erflaatster. Klager stelt dat hij als gevolmachtigde en namens diverse entiteiten recht heeft op inzage, maar de notarissen weigeren de stukken te verstrekken. De kamer voor het notariaat verklaarde de klacht deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk.
Klager tekent hoger beroep aan tegen deze beslissing. Het hof stelt vast dat de door klager genoemde entiteiten niet als klager kunnen worden aangemerkt, omdat niet is gebleken dat zij rechtspersoonlijkheid bezitten of dat klager hen rechtsgeldig vertegenwoordigt. Daarnaast heeft klager zelf geen (testamentair) erfgenaam- of ander belang in de nalatenschap.
Het hof overweegt dat het begrip redelijk belang ruim moet worden uitgelegd, maar dat klager geen redelijk belang heeft bij de klacht. Klager is geen erfgenaam, legitimaris, legataris of lastbevoordeelde en heeft ook geen indirect financieel belang. Zijn actieve bemoeienis met de entiteiten en het zelf inschrijven van het kerkgenootschap in het boedelregister, in strijd met een vonnis, verandert hier niets aan.
Daarom verklaart het hof klager niet-ontvankelijk en vernietigt de bestreden beslissing. De klacht wordt niet inhoudelijk behandeld. De uitspraak is gedaan door de rolraadsheer namens het hof op 28 april 2026.