Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1178

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
23-002168-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep openlijke geweldpleging met zwaar lichamelijk letsel en bedreiging

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is de verdachte veroordeeld voor openlijke geweldpleging in vereniging met zwaar lichamelijk letsel en bedreiging. Het hof bevestigt de bewezenverklaring en vult de bewijsmotivering aan met camerabeelden die het directe causaal verband tussen het handelen van de verdachte en het letsel van het slachtoffer aantonen.

De rechtbank had een taakstraf van 60 uur opgelegd, het hof verhoogt deze tot 150 uur en legt daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaar op, gelet op de ernst van het feit, de gevolgen voor het slachtoffer en de maatschappelijke impact. De verdachte toonde spijt, maar dit woog niet zwaar genoeg om de straf te matigen.

De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding. Het hof wijst €3.114,74 materiële schade toe, waaronder kosten voor huishoudelijke hulp en reiskosten, en €5.500 immateriële schade wegens knieletsel, gebaseerd op de Rotterdamse Schaal. Reiskosten voor bezoeken aan het revalidatiecentrum worden afgewezen. De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor de schade samen met mededaders.

De wettelijke rente wordt vastgesteld vanaf 23 juli 2024. Het hof vernietigt het vonnis voor wat betreft strafoplegging, strafmotivering en schadevergoeding en doet in die onderdelen opnieuw recht. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 28 april 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf 150 uur, voorwaardelijke gevangenisstraf 2 jaar en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoeding van €8.614,74 plus rente.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002168-25
datum uitspraak: 28 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 september 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-300325-24 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging, de strafmotivering en de vordering benadeelde partij – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof voorts de bewijsmotivering ten aanzien van feit 1 aanvult zoals in het navolgende weergegeven.
Het hof zal, na eventueel instellen van het beroep in cassatie, de bewijsmiddelen aanvullen en uitwerken in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Aanvullende bewijsmotivering ten aanzien van feit 1

Het hof overweegt in aanvulling op de overwegingen van de politierechter als volgt.
Ten aanzien van het causaal verband tussen het handelen van de verdachte en het door de aangever opgelopen letsel overweegt het hof dat uit de door de medeverdachte opgenomen camerabeelden blijkt dat de verdachte achter de aangever aanrent, terwijl de verdachte slaande en stompende bewegingen maakt. De aangever moet achteruit lopen om de verdachte te ontwijken. Dit achteruit lopen, onder dreiging van de slaande bewegingen van de verdachte, leidt ertoe dat de aangever struikelt en ten val komt, waardoor hij letsel oploopt. Het hof is van oordeel dat op grond van deze omstandigheden een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen het handelen van de verdachte en het door de aangever opgelopen letsel.
De overige verweren van de verdediging vinden hun weerlegging in de overwegingen van de politierechter en de gebruikte bewijsmiddelen, waarmee het hof zich verenigt.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
De raadsvrouw heeft verzocht een geheel of grotendeels voorwaardelijke straf, althans een taakstraf van beperktere omvang dan de LOVS oriëntatiepunten voorschrijven, op te leggen aan de verdachte en bij de strafoplegging rekening te houden met de beperkte rol van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit zich heeft afgespeeld.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De aangever is hierbij ernstig toegetakeld. Dergelijk geweld veroorzaakt niet alleen bij het slachtoffer pijn, angst en gevoelens van onveiligheid, maar draagt ook in bredere zin bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. De ernst van dit feit wordt in het bijzonder bepaald door de gevolgen voor de aangever, die als gevolg van het geweld zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit rekent het hof de verdachte zwaar aan.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging. Bedreiging is een ernstig feit, omdat daarmee inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke veiligheid van het slachtoffer en gevoelens van angst en onveiligheid worden veroorzaakt. Dat geldt temeer wanneer die bedreiging plaatsvindt in de context van een al geëscaleerde en gewelddadige situatie.
Het hof heeft acht geslagen op straffen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor openlijke geweldpleging, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden genoemd. Gelet op deze oriëntatiepunten en de ernst van de feiten acht het hof een fors hogere straf dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd passend en geboden.
Bij de strafbepaling weegt het hof in het voordeel van de verdachte mee dat hij er terechtzitting in hoger beroep er blijk van heeft gegeven spijt te hebben en dat hij heeft verklaard dat zijn handelen onverstandig was.
Het hof overweegt voorts dat het feit dat de aangever zelf ook een aandeel heeft gehad in het stadium voorafgaand aan de escalatie van de situatie geen matigend effect kan hebben op de straf nu dit het handelen van de verdachte niet rechtvaardigt.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.942,17, bestaande uit € 3.442,17 materiële schade en € 5.500,- immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van
€ 4.601,20, te weten € 1.601,20 materiële schade en € 3.000,- immateriële schade. De benadeelde partij is voor het méér gevorderde niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft de volledige toewijzing van de vordering benadeelde partij gevorderd.
De verdediging heeft ter terechtzitting primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair betwist de verdediging het causaal verband tussen het gestelde handelen van de verdachte en het opgelopen letsel, althans wordt een beroep gedaan op matiging op grond van een redelijke toerekening gelet op de met de 72-jarige leeftijd samenhangende lichamelijke kwetsbaarheid van de benadeelde, die niet voor rekening van de verdachte kan komen.
Ten aanzien van de gevorderde reiskosten is aangevoerd dat dergelijke kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarnaast is onvoldoende onderbouwd waarom structurele huishoudelijke hulp noodzakelijk was. Daar komt bij dat de gevorderde kosten onvoldoende zijn gespecificeerd en onderbouwd en dat dus niet is voldaan aan de schadebeperkingsplicht.
De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het hof de vordering in zijn geheel toewijst.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de medeverdachte rechtstreeks schade heeft geleden, zowel materieel als immaterieel. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft het gevorderde schadebedrag onderbouwd door middel van een schriftelijke toelichting van 8 mei 2025 en een nadere toelichting ter terechtzitting in hoger beroep.
Materiële schade
De vordering ten aanzien van de materiële schade bedraagt € 3.442,17 te vermeerderen met de wettelijke rente en bestaat uit de volgende schadeposten:
Kosten huur rollator € 296,20
Ziekenhuis- en revalidatievergoeding € 1.305,00
Huishoudelijke hulp € 750,00
Reiskosten € 1.090,97
Ad a-b)
De kosten onder a. en b. zijn voldoende onderbouwd en niet (voldoende) inhoudelijk betwist. Nu deze kosten het hof voorts niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, liggen deze twee posten als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde voor toewijzing gereed.
Ad c) en d) toetsingskader
Ten aanzien van de huishoudelijke hulp en reiskosten overweegt het hof als volgt.
Gelet op het bepaalde in artikel 6:107 lid 1 sub a van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), is de aansprakelijke partij gehouden de kosten te vergoeden voor verpleging, verzorging en andere hulp, ook als deze is verleend door derden, zoals familie. Dit wordt ‘verplaatste schade’ genoemd. Het moet dan gaan om hulp waarvan het ‘normaal en gebruikelijk’ is dat deze wordt geboden door een professional, waarvoor kosten in rekening zouden worden gebracht.
Ad c) huishoudelijke hulp
Vaststaat dat de benadeelde partij door de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Op grond van de toelichting van de vordering en bij gebreke van relevante contra indicaties, acht het hof aannemelijk dat de verdachte voor het incident een sportieve, fitte man was van 72 jaar, die actief was in het vrijwilligerswerk als personal trainer. Als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde heeft hij lichamelijk letsel opgelopen, onderbouwd zoals hierna nader te noemen. Hij moest dientengevolge een operatie ondergaan en heeft negen dagen in het ziekenhuis gelegen. Aansluitend heeft hij een periode van 55 dagen verbleven in een revalidatiecentrum voor verdere behandeling en herstel. Het hof acht weliswaar aannemelijk dat hij, gezien de overgelegde ontslagbrief van het revalidatiecentrum, na thuiskomst geen thuiszorg nodig had in de zin van medische zorg, opstaan, aankleden en eten, maar dat hij, gelet op aannemelijke restklachten, nog wel zeer beperkt was in het verrichten van de gebruikelijke huishoudelijke taken. Op basis van de overlegde rollator-facturen is aannemelijk dat hij bij thuiskomst nog een periode rollator-afhankelijk is gebleven. Daarbij komt dat de benadeelde alleenstaand en op leeftijd is. Daarmee heeft de benadeelde, ook in het licht van de betwisting, voldoende aannemelijk gemaakt dat de gevorderde huishoudelijke hulp voor hem tot eind februari 2025 noodzakelijk was als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. Deze huishoudelijke hulp, die ten behoeve van de benadeelde partij door zijn dochter werd verricht, is dan ook volgens vaste jurisprudentie toewijsbaar als verplaatste schade. De daarvoor gevorderde kosten ad c) zijn dus toewijsbaar.
Ad d) reiskosten
De benadeelde partij heeft ook vergoeding gevraagd van de reiskosten die zijn dochter heeft gemaakt om hem te komen bezoeken in het ziekenhuis, in het revalidatiecentrum en vervolgens thuis ten behoeve van het helpen in het huishouden. De voorliggende vraag is in hoeverre deze kosten kunnen worden aangemerkt als “verplaatste schade”. Het hof overweegt als volgt per deelpost.
Reiskosten huishoudelijke hulp
In lijn met het overwogene ad c) zijn deze reiskosten, waarvan de hoogte voldoende is onderbouwd en als zodanig niet weersproken, eveneens toewijsbaar.
Reiskosten bezoeken ziekenhuis
Het hof is van oordeel dat de reiskosten van de dochter voor haar bezoeken de benadeelde partij in het ziekenhuis toewijsbaar zijn als verplaatste schade. De benadeelde partij heeft aangevoerd dat deze bezoeken dienden ter ondersteuning van zijn mentale welzijn. Het hof acht de behoefte aan en noodzaak van mentale steun waarvan het “normaal en gebruikelijk” is dat deze wordt geboden door een professional, aannemelijk gezien de grove en plotselinge inbreuk die door het bewezenverklaarde is gemaakt op zijn lichamelijke integriteit en de negatieve psychische gevolgen die dit alles bij hem teweeg heeft gebracht, onderbouwd zoals hierna nader te noemen. Niet gesteld noch gebleken is dat hij in het ziekenhuis die professionele betaalde zorg heeft gehad. Daarom zijn de hiertoe door de benadeelde partij gevorderde reiskosten van de dochter - waarvan de hoogte voldoende is onderbouwd en niet is bestreden - als verplaatste schade rechtstreeks als gevolg van het bewezenverklaarde toewijsbaar.
Reiskosten bezoeken revalidatiecentrum
Dit geldt niet voor de reiskosten van de bezoeken aan het revalidatiecentrum, door de benadeelde gesteld op € 327,43. Uit de stukken volgt dat de benadeelde partij in het revalidatiecentrum wekelijks professionele psychologische hulp heeft gehad. Naar het oordeel van het hof is onder die omstandigheden de noodzaak van de bezoeken (hoe zeer als zodanig ook te waarderen) in de zin van ‘verplaatste schade’ volgens artikel 6:107 BW Pro niet vast te stellen op basis van de nu voorhanden gegevens. In zoverre wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering zodat hij zich eventueel hiervoor kan wenden tot de civiele rechter.
Conclusie materiële schade
Van het gevorderde totaalbedrag aan materiële schade is een bedrag van € 3.114,74 (zijnde € 3.442,17 minus reiskosten revalidatiecentrum ad € 327,43) toewijsbaar.
Immateriële schade
Het hof is van oordeel dat genoegzaam is onderbouwd dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Er is sprake van objectief vastgesteld lichamelijk letsel in de zin van art. 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek (BW). De verdachte is, terwijl hij slaande bewegingen maakte, achter de benadeelde partij aangerend. De benadeelde partij moest achteruit lopen om hem te ontwijken, waardoor hij ten val is gekomen. Als gevolg van de val heeft de benadeelde partij zwaar lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van gescheurde kniepezen en schaafwonden op zijn rechter elleboog. Het letsel aan zijn knieën was van dien aard dat een operatie noodzakelijk was. Na twee maanden revalideren is de verdachte met aannemelijke restklachten en dus rollatorafhankelijk thuis gekomen, zoals hiervoor is overwogen. Op enig moment is hij thuis gevallen waardoor hij een duimfractuur heeft opgelopen, maar het hof is onvoldoende gebleken dat dit letsel als gevolg van het handelen van de verdachte is ontstaan.
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Verder dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Concreet heeft het hof acht geslagen op de Rotterdamse Schaal (RS) in samenhang met de ‘Aanbevelingen rechtspraak voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW Pro’ (rechtspraak.nl).
Ten aanzien van het knieletsel neemt het hof als uitgangspunt dat tussen ongeveer zes maanden tot twee jaar herstel plaatsvindt, met een bandbreedte tussen € 3.000,- en € 6.000,- (analoog aan RS paragraaf 5.14, sub c, categorie I).
Het hof stelt alles afwegend en in onderlinge samenhang bezien de totale omvang van de vergoedbare immateriële schade van deze benadeelde partij naar billijkheid vast op € 5.500,-.
Ingangsdatum wettelijke rente
Ten aanzien van de materiële en immateriële schade heeft de rechtbank de ingangsdatum bepaald op
23 juli 2024. Het hof zal daar ook vanuit gaan nu daar geen concreet verweer op is gevoerd.
Hoofdelijke aansprakelijkheid voor ontstane schade
In de onderhavige zaak is bewezenverklaard dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde in vereniging met anderen heeft gepleegd. Dit brengt met zich dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor de ontstane schade ten bedrage van in totaal € 8.614,74 plus rente, zoals hiervoor is vastgesteld
Schadevergoedingsmaatregel
Het hof zal – eveneens hoofdelijk – de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging, de strafmotivering en de vordering benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 8.614,74 (achtduizend zeshonderdveertien euro en vierenzeventig cent) bestaande uit € 3.114,74 (drieduizend honderdveertien euro en vierenzeventig cent) materiële schade en € 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.614,74 (achtduizend zeshonderdveertien euro en vierenzeventig cent) bestaande uit € 3.114,74 (drieduizend honderdveertien euro en vierenzeventig cent) materiële schade en € 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 68 (achtenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 23 juli 2024.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. A.R.O. Mooy en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 april 2026.
Mr. De Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.