Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1180

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
23-000525-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 6:106 BWArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: medeplegen beroving met geweld en toewijzing immateriële schadevergoeding

Op 25 maart 2020 hebben de verdachte en medeverdachten het slachtoffer in een woning beroofd waarbij sprake was van bedreiging, mishandeling en vernedering. Het slachtoffer voelde zich gedwongen goederen af te staan. De rechtbank veroordeelde de verdachte tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk.

De verdachte ging in hoger beroep tegen het vonnis. Het hof bevestigde de bewezenverklaring maar vernietigde het vonnis voor wat betreft strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij. Het hof hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn stabiele leven en reclasseringsadvies, en matigde de straf wegens een forse overschrijding van de redelijke termijn.

De straf werd vastgesteld op een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden. De immateriële schadevergoeding van €2.000 werd toegewezen wegens geestelijk letsel (PTSS) en lichamelijk letsel, met toepassing van de Rotterdamse Schaal. De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor de schadevergoeding.

Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 28 april 2026.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden, en moet €2.000 immateriële schadevergoeding betalen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000525-21
datum uitspraak: 28 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 25 februari 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-107071-20 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van strafoplegging en -motivering en ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor de in eerste aanleg bewezenverklaarde beroving veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uur subsidiair 90 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
De raadsman van de verdachte heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij is na de onderhavige verdenking niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie en hij heeft zijn leven op orde gekregen. In dit kader wijst de verdediging op het reclasseringsadvies van 27 februari 2026. Tot slot stelt de verdediging dat de redelijke termijn flink is overschreden en dat dit niet aan de verdediging te wijten is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Op 25 maart 2020 hebben de verdachte en de medeverdachten het slachtoffer in een woning beroofd. Het slachtoffer is die dag naar de woning van een van de medeverdachten gegaan om zijn eigendommen op te halen, die nog in die woning lagen. Daartoe had het slachtoffer een afspraak gemaakt met een van de medeverdachten. In de woning ontstond een ruzie over geld die vervolgens is geëscaleerd. Het slachtoffer is bedreigd, geslagen en vernederd in een woning terwijl hij geen kant op kon. De verdachte en de medeverdachten hebben zich tijdens het incident zodanig dwingend, dreigend en gewelddadig gedragen, dat een voor het slachtoffer zeer bedreigende en angstige situatie is ontstaan, waarin hij zich – zoals uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid – gedwongen heeft gevoeld goederen af te staan en/of te dulden dat deze hem werden afgenomen.
De verdachte en de medeverdachten hebben met hun handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en zijn eigendomsrecht geschonden. Dergelijke gevallen van bedreiging en geweld gepleegd in een woning brengen gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweeg, terwijl het slachtoffer naast fysieke ook psychische nadelige gevolgen hiervan heeft ervaren. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.
De ernst van het bewezenverklaarde feit rechtvaardigt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof houdt echter, in strafverminderende zin, rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht en ook blijken uit een verslag van de reclassering van 27 februari 2026. De verdachte heeft thans een vaste baan en een stabiele relatie en gezinsleven. Daarnaast is hij inmiddels schuldenvrij en staat hij vrijwillig onder bewind omdat dit hem rust biedt. Op grond van het voorgaande acht het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden en een taakstraf van 240 uur in beginsel passend.
Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van een strafzaak als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Op 2 maart 2021 is hoger beroep ingesteld en het hof doet uitspraak op 28 april 2026. Bij de behandeling in hoger beroep is de redelijke termijn dus met bijna drie jaar overschreden. In deze forse overschrijding, ziet het hof aanleiding om de op te leggen straf te matigen door de duur van de taakstraf met 60 uur te verminderen.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 180 uren en voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van immateriële schade. Deze bedraagt € 2.000,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De benadeelde partij heeft de gehandhaafde vordering niet schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij volledig dient te worden toegewezen.
Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.
Aanspraak
De benadeelde is blijkens een bericht van zijn regiebehandelaar bij BasisGGZ gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) met een indicatie voor een intensieve behandeling, zodat sprake is van geestelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW Pro. Bovendien heeft de verbalisant bij de aangifte een verdikking op het rechter jukbeen en boven het linkeroog alsmede krassen aan de linkerzijde van de nek van de benadeelde waargenomen, zodat ook sprake is van lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW Pro. Deze letsels als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde zijn niet weersproken door de verdediging.
Begroting
Voor de begroting van de immateriële schade sluit het hof wat betreft het geestelijk letsel aan bij de Rotterdamse Schaal, paragraaf 14.2, categorie d), zijnde Posttraumatische stressstoornis (PTSS), minder ernstig, en voor het lichamelijk letsel paragraaf 13, categorie c), zijnde licht letsel. Het hof acht op basis van het voorgaande de in eerste aanleg gevorderde immateriële schadevergoeding van in totaal € 2.000,00 (zijnde het maximaal toewijsbare bedrag in hoger beroep) in de gegeven situatie billijk, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 25 maart 2020
Hoofdelijke aansprakelijkheid
De verdachte is hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Het hof zal – ook hoofdelijk – de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen sancties zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en -motivering en ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
90 (negentig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 maart 2020.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.R.O. Mooy, mr. P.J. van Eekeren en mr. B. de Wilde, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 april 2026.
Mr. De Wilde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.