Verzoeker heeft een schadevergoeding gevraagd wegens de invordering van zijn rijbewijs en gemaakte kosten voor rechtsbijstand. De strafzaak eindigde zonder strafoplegging of toepassing van artikel 9a Sr. De advocaat-generaal adviseerde afwijzing vanwege gegronde redenen voor de invordering.
Het hof overweegt dat de onschuldpresumptie vereist dat de motivering van de vergoeding niet mag impliceren dat verzoeker schuldig is aan een strafbaar feit. Het hof vindt echter dat gronden van billijkheid aanwezig zijn om een vergoeding toe te kennen.
Verzoeker stelde een hogere vergoeding te willen dan de forfaitaire dagvergoeding, vanwege loonderving als gymdocent. Het hof oordeelt dat de forfaitaire vergoeding in principe zowel immateriële als materiële schade dekt, en dat verzoeker onvoldoende bewijs heeft geleverd voor extra vergoeding.
De invordering duurde 180 dagen, en het hof kent een vergoeding toe van €15 per dag, totaal €2.700, plus €680 aan kosten rechtsbijstand. Het totaalbedrag van €3.380 wordt toegekend, het overige verzoek wordt afgewezen.