ECLI:NL:GHAMS:2026:121

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
200.356.603/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gezag over minderjarige in het kader van ouderschap en communicatieproblemen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over het gezag van de ouders over hun dochter, geboren in 2021. De vader had in eerste instantie verzocht om gezamenlijk gezag, maar de rechtbank Noord-Holland had dit verzoek afgewezen. De vader was het hier niet mee eens en ging in hoger beroep. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en de ouders gezamenlijk met het gezag belast. Het hof oordeelde dat er geen bewijs was dat de vader geen toestemming zou verlenen voor belangrijke beslissingen over het kind en dat de communicatieproblemen tussen de ouders niet uitsluitend aan de vader te wijten waren. De moeder had geen open houding ten opzichte van communicatie met de vader, wat de verstandhouding tussen hen niet verbeterde. Het hof benadrukte het belang van gezamenlijk gezag voor de ontwikkeling van het kind en de noodzaak dat beide ouders betrokken blijven bij belangrijke beslissingen. De uitspraak is gedaan in het belang van het kind, waarbij het hof de rol van de vader in het leven van het kind als essentieel beschouwde. De ouders werden aangespoord om met hulpverlening duidelijke afspraken te maken over hun communicatie.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.356.603/01
zaaknummer rechtbank: C/15/332086/ FA RK 22-4384
beschikking van de meervoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. M. Raaijmakers te Hoofddorp,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. F. Heidinga te Hilversum.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
Het hof heeft verder als informanten aangemerkt:
- de gecertificeerde instelling SAVE Jeugdbescherming, hierna: de GI;
- Akwaaba Zorg.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over het gezag over [minderjarige] (4 jaar).
1.2
De rechtbank heeft het verzoek van de vader om de ouders gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] te belasten, afgewezen.
De vader is het daar niet mee eens en wil dat het hof hem alsnog samen met de moeder belast met het gezag over [minderjarige] .
De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking.
Het hof beslist dat de ouders voortaan gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] zijn belast en legt hierna uit waarom.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 8 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Noord- Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) van 9 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2
De moeder heeft op 15 september 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 1 december 2025, met bijlage.
2.4
De zitting heeft op 18 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en door M.M.S.J. van Kaam, tolk in de Engelse taal,
- een vertegenwoordiger van de GI,
- Akwaaba Zorg, vertegenwoordigd door [naam] ,
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2021 te [plaats C] .
De ouders hebben tot medio 2022 een relatie met elkaar gehad.
De vader heeft [minderjarige] erkend.
De moeder oefent van rechtswege alleen het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
De moeder heeft de Ghanese nationaliteit en verblijft sinds 2020 in Nederland. Zij heeft naturalisatie aangevraagd. De vader en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
3.3
Op 19 september 2022 heeft de vader het inleidend verzoekschrift ingediend.
3.4
Bij beschikking van 4 januari 2023 heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter) [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is nadien verlengd en duurt nog voort tot 4 juli 2026.
3.5
Bij beschikking van 9 februari 2023 heeft de rechtbank de beslissing op het inleidende verzoek van de vader aangehouden voor de duur van zes maanden om de ouders de gelegenheid te geven om binnen het kader van de ondertoezichtstelling te werken aan herstel van het onderlinge vertrouwen en verbetering van hun onderlinge communicatie.
3.6
Bij beschikking van 16 december 2024 heeft de kinderrechter – voor zover hier van belang – de volgende omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld:
- elke week is er vier uur per week omgang onder begeleiding, tenzij dit vanwege de dagplanning van het kinderdagverblijf niet mogelijk is;
- de ouders regelen de overdracht persoonlijk en Akwaaba Zorg observeert alleen;
- de omgang wordt zoveel mogelijk op donderdag georganiseerd, tenzij dit vanwege vakanties e.d. niet mogelijk is;
- de vader neemt één keer per maand een familielid mee naar de omgang. Deze zal 30 minuten na de start van de omgang aankomen en 30 minuten voor het eind vertrekken. De vader zal hetzelfde familielid een paar keer achter elkaar meenemen, met een minimum van twee keer;
- de ouders en de GI ontvangen na de omgang een observatielijst van de begeleiding;
- de GI heeft de regie en is bevoegd om na een evaluatie met de ouders de duur en de frequentie van de omgang uit te breiden.
3.7
Per 20 augustus 2025 is voornoemde omgangsregeling uitgebreid tot twee onbegeleide omgangsmomenten per week, waarbij de vader [minderjarige] op donderdag en vrijdag om 14:30 uur uit school ophaalt en haar om 17:30 uur terugbrengt naar de BSO. De moeder haalt [minderjarige] vervolgens op van de BSO, zodat er geen rechtstreeks contact hoeft te zijn tussen de ouders.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de vader om de ouders gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] te belasten, afgewezen.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, zijn inleidende verzoek alsnog toe te wijzen.
4.3
De moeder verzoekt het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Omdat de vader en [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit hebben en de moeder de Ghanese nationaliteit heeft, draagt de zaak een internationaal karakter. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is om over het verzoek van de vader te oordelen. Tussen partijen staat niet ter discussie het (kennelijke) oordeel van de rechtbank in de bestreden beschikking dat Nederlands recht van toepassing is, zodat ook het hof dat als uitgangspunt zal nemen.
Het wettelijk kader
5.2
Uit artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De standpunten
5.3
De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek heeft afgewezen vanwege de communicatieproblemen tussen partijen. Het is de moeder, die geen vertrouwen heeft in de vader, niet met hem om de tafel wenst te gaan zitten, geen informatie over [minderjarige] geeft en nauwelijks tot niet meewerkt met de betrokken hulpverlening. De omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] is inmiddels uitgebreid en verloopt goed. Het feit dat de moeder de communicatie tussen partijen frustreert en haar volledige medewerking aan de hulpverlening weigert, kan en mag er niet toe leiden dat de vader dan maar geen gezag over zijn kind krijgt. Er is geen sprake van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zou raken tussen de ouders. De vader kan heel makkelijk communiceren, zoals de betrokken hulpverleners kunnen beamen. Verder kunnen partijen de communicatie over belangrijke aangelegenheden omtrent [minderjarige] laten verlopen via een daartoe speciaal aangemaakt e-mailadres. Het is nu dan ook tijd dat hij het medegezag krijgt over zijn kind. De betrokken hulpverleningsinstanties onderschrijven dit, aldus de vader.
5.4
De moeder stelt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat er een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders als zij gezamenlijk met het gezag worden belast. Er is nog steeds nauwelijks enige vorm van contact of communicatie tussen de partijen mogelijk, anders dan dat de moeder de vader af en toe informeert over [minderjarige] . Dat is wezenlijk anders dan samen het gesprek aangaan over belangrijke beslissingen die in het leven van [minderjarige] genomen moeten gaan worden. Gelet op de langdurige inzet van hulpverlening op de verbetering van de communicatie en het gebrek aan enig resultaat valt ook niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd verandering in komt, aldus de moeder.
5.5
De GI heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat, als de vader mede met het gezag over [minderjarige] wordt belast, er duidelijke afspraken moeten worden gemaakt over de communicatie tussen de ouders, zoals onder meer dat deze plaatsvindt via e-mail en dat er niet na 17:00 uur wordt gemaild, zodat de moeder weet wanneer zij een mail kan verwachten.
De GI betwijfelt enerzijds of de moeder zal meewerken en of de ouders daadwerkelijk tot gezamenlijke beslissingen zullen komen. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] loopt inmiddels al drie jaar en nog steeds communiceren de ouders niet met elkaar. Voor de GI valt evenwel niet in te zien waarom de moeder meer recht op het gezag heeft dan de vader. Niet gebleken is dat de vader keuzes maakt die niet in het belang van [minderjarige] zijn. Anderzijds verwacht de GI aan de zijde van de moeder een acceptatieproces en dat zij zich uiteindelijk erbij zal neerleggen als de vader mede het gezag krijgt. Wellicht dat als de moeder verder gevorderd is in haar persoonlijke hulpverleningstraject er bij haar ook ruimte ontstaat voor het traject Parallel Solo Ouderschap (PSO), aldus de GI.
5.6
Akwaaba Zorg heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat partijen zich op dit moment in een situatie bevinden, die voor geen van hen optimaal is. Hun wensen en verwachtingen zijn uiteenlopend. Vanwege de verschillende verhalen van de ouders heeft Akwaaba Zorg zich met name gefocust op het contact tussen de vader en [minderjarige] . Dit verloopt goed en over dit contact heeft Akwaaba Zorg al jaren geen zorgen. Geprobeerd is om de vader te doen inzien dat de moeder angst heeft voor hem en dat hij bewust vormgeeft aan de omgang met [minderjarige] en het contact met de moeder. Hij houdt zich goed aan de gemaakte afspraken. Twee keer is het voorgekomen dat de vader per ongeluk de moeder tegen is gekomen. Daarop is gereflecteerd. Akwaaba Zorg heeft bespreekbaar proberen te maken dat de vader de trigger is voor de moeder, ook als er iets per ongeluk gebeurt. De vader heeft aangegeven dat hij ervoor zal proberen te zorgen dat dit niet meer zal gebeuren. Akwaaba Zorg sluit zich aan bij het standpunt van de GI voor wat betreft het gezag. Kijkend naar het contact tussen de vader en [minderjarige] , ziet Akwaaba Zorg geen directe reden waarom de vader geen gezag over [minderjarige] zou moeten krijgen. Wel moet rekening worden gehouden met het feit dat de moeder door haar extreme angst voor de vader geen enkele vorm van communicatie met hem wil, aldus Akwaaba Zorg.
Het advies van de raad
5.7
De raad heeft ter zitting in hoger beroep het volgende naar voren gebracht. Uit het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling maakt de raad op dat [minderjarige] nog steeds geen emotionele toestemming van de moeder krijgt voor het contact met de vader, omdat de moeder zelf heel angstig is. Daardoor wordt bij [minderjarige] een loyaliteitsconflict aangewakkerd en zit zij klem tussen haar ouders. Dat is volgens de GI te merken aan de zorgelijke uitspraken die [minderjarige] bij de ene ouder doet over de andere ouder. De moeder belast [minderjarige] met haar eigen angsten voor de vader, terwijl de school van [minderjarige] en de betrokken hulpverlening geen zorgen hebben over haar veiligheid bij de vader en gezien wordt dat zij geniet van het contact met de vader. Sinds kort staat de moeder open voor hulpverlening om haar trauma en angsten te verwerken. Daarin ligt de sleutel voor [minderjarige] om uit deze situatie te komen. Het is nog niet duidelijk of de moeder kan profiteren van de hulp, omdat zij daarmee recent is gestart, maar de eerste (kleine) stapjes zijn gezet. Positief is ook dat de moeder inmiddels openstaat voor huisbezoeken.
De vader is wel goed in contact met de hulpverlening en heeft daarvan geprofiteerd. Hij staat open voor gesprekken en praat niet langer negatief over de moeder. Hij houdt zich aan de afspraken en houdt ook rekening met de angsten van de moeder. Hij kan niet meer doen dan hij nu doet om [minderjarige] uit de lastige positie te halen. De moeder heeft niet meer recht op het gezag dan de vader. Zonder gezag is het voor de vader ingewikkeld om, ingeval van verdergaande problemen, niet uit beeld te raken en hulpverlening te kunnen inschakelen. De raad ziet de communicatieproblemen tussen de ouders, maar ziet ook mogelijkheden. Wellicht dat er meer vaart achter het PSO-traject gezet kan worden als de ouders gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] belast zijn. Binnen dat traject wordt iedere ouder gestuurd op de eigen situatie en hoeven de ouders elkaar niet (veel) te zien.
De beoordeling door het hof
5.8
Het hof stelt voorop dat gezamenlijk gezag van de ouders over een minderjarig kind het wettelijk uitgangspunt is. Volgens vaste jurisprudentie brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer met zich mee dat in het belang van het kind het gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.
5.9
Uit de stukken van het dossier en het verhandelde tijdens de zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. In februari 2022 is Levvel Spoedhulp bij het gezin betrokken geraakt naar aanleiding van een melding van de moeder dat zij zich onveilig voelt bij de vader. Tijdens het spoedhulptraject heeft Levvel geconstateerd dat tussen de ouders relatieproblemen zijn ontstaan als gevolg van het cultuurverschil, de taalbarrière, het leeftijdsverschil, de integratieproblematiek van de moeder, de huisvestingsproblematiek, de ongelijkwaardigheid in de partnerrelatie en de verschillende visies op het opgroeien van [minderjarige] . In de periode van februari 2022 tot en met september 2022 heeft Veilig Thuis zeven zorgmeldingen ontvangen van de moeder, de politie en de huisarts. De meldingen betroffen onder andere zorgen over huiselijk geweld tussen de ouders, de forse communicatieproblemen tussen de ouders en de beschuldigingen van de moeder van seksueel misbruik van [minderjarige] door de vader. Veilig Thuis heeft daarop besloten het gezin aan te melden bij het Meer-Team en aan [plaats] is gevraagd het gezin opvoedondersteuning te bieden. Dit is echter niet van de grond gekomen. Na een aantal huisbezoeken heeft de moeder de hulpverlening niet meer binnengelaten en afspraken afgezegd. Ook was de moeder niet bereid om met het Meer-Team afspraken te maken over het contact tussen de vader en [minderjarige] . Hierop is besloten om het gezin in te brengen bij de Beschermingstafel, waarna een beschermingsonderzoek door de raad is gevolgd. Hieruit is naar voren gekomen dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling werd bedreigd. Op 4 januari 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld. Sindsdien is ingezet op herstel van het onderlinge vertrouwen tussen de ouders en verbetering van hun onderlinge communicatie, op het ervaren door [minderjarige] van (emotionele) toestemming voor het contact met haar beide ouders en op het niet belasten van [minderjarige] door de eigen problematiek van de ouders. Tot op heden zijn de doelen van de ondertoezichtstelling niet behaald. Er is geen samenwerking tussen de ouders tot stand gekomen, omdat de moeder uit angst voor de vader geen enkel contact met hem wil. Ook kan de moeder [minderjarige] nog altijd geen (emotionele) toestemming geven voor het contact met de vader. Akwaaba Zorg heeft geprobeerd een PSO-traject in te zetten, maar dit is voor de moeder niet haalbaar gebleken. Voor persoonlijke hulpverlening heeft de moeder tot kort voor de zitting in hoger beroep niet open gestaan. Zowel de GI als Akwaaba Zorg hebben zorgen geuit over de persoonlijke problematiek en stabiliteit van de moeder. De vader heeft wel kunnen profiteren van de ingezette hulpverlening. Hij is in therapie gegaan voor zijn emotieregulatie en hij praat niet langer negatief over de moeder of over de moeizame situatie tussen de ouders in het bijzijn van [minderjarige] . Het contact tussen de vader en [minderjarige] is in de afgelopen periode steeds meer uitgebreid en verloopt goed. Aanvankelijk was de omgangsregeling begeleid, maar sinds augustus 2025 is het contact onbegeleid en ook in frequentie toegenomen. De GI en Akwaaba Zorg hebben geen zorgen over het contact tussen de vader en [minderjarige] en hebben ter zitting in hoger beroep aangegeven dat de omgangsregeling in de Kerstvakantie verder zal worden uitgebreid.
5.1
Uit het voorgaande blijkt dat de communicatie en de onderlinge verstandhouding tussen de ouders nog steeds ernstig verstoord is. De stressvolle opvoedsituatie die hiervan het gevolg is, heeft grote weerslag op [minderjarige] die daardoor nog altijd in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Zelfs een jarenlange ondertoezichtstelling heeft hierin tot nu toe geen verandering kunnen brengen. Dat zou aanleiding kunnen geven tot de conclusie dat er een risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders zonder dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering valt te verwachten. Niettemin is het hof in deze zaak van oordeel dat gezamenlijk gezag van de ouders het meest recht doet aan het belang van [minderjarige] . Niet gebleken is dat de vader geen toestemming verleent als er belangrijke beslissingen over [minderjarige] moeten worden genomen, dan wel dat de communicatieproblemen tussen de ouders uitsluitend aan de vader te wijten zijn. Het is juist de moeder die niet openstaat voor communicatie met de vader. Evenmin is gebleken van enig aanknopingspunt dat de verstandhouding en de communicatie tussen de ouders zal verbeteren als de moeder met het eenhoofdig gezag belast blijft. In de afgelopen drie jaar heeft er op dit punt geen enkele verbetering plaatsgevonden. De verwachting is juist dat de situatie tussen de ouders verder zal verslechteren als de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] belast blijft. Zoals de raad ter zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, moet in het belang van [minderjarige] worden voorkomen dat de vader op termijn buiten beeld raakt. De vader heeft een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] en dient betrokken te worden bij de beslissingen die haar betreffen. Daartoe is van belang dat hij door de moeder en door derden geïnformeerd wordt over [minderjarige] , dan wel dat hij zelfstandig om informatie over haar kan verzoeken. Hierbij hoort het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag. Met ondersteuning van de hulpverlening zullen er op korte termijn duidelijke afspraken moeten worden gemaakt over de communicatie tussen de ouders, zoals door de GI is aangegeven. Het hof neemt voorts in aanmerking dat de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] in de afgelopen jaren steeds meer is uitgebreid, waardoor de vader inmiddels een deel van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] succesvol voor zijn rekening neemt. Ook om die reden past een gelijke positie van de ouders voor wat betreft de zeggenschap over [minderjarige] .
Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder aangegeven dat zij recent is gestart met persoonlijke hulpverlening. Met de raad, de GI en Akwaaba Zorg acht het hof dit een positieve ontwikkeling. Zoals de raad ter zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, zit [minderjarige] op dit moment klem tussen haar ouders en kan de moeder deze situatie ten positieve keren door zich actief in te zetten bij het werken aan haar problematiek. Op de moeder rust de verantwoordelijkheid om [minderjarige] de emotionele toestemming te geven voor het contact met haar vader. Het hof spreekt dan ook de hoop uit dat de moeder kan profiteren van deze hulpverlening en dat bij haar de ruimte ontstaat voor het doorlopen van een PSO-traject. Voorkomen moet worden dat [minderjarige] als gevolg van de situatie tussen haar ouders verdere (onherstelbare) schade oploopt. Voor het hof is duidelijk dat beide ouders het beste voor hebben met [minderjarige] en het hof gunt het [minderjarige] om op te groeien met beide ouders in haar leven. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking vernietigen en de ouders gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] belasten.
5.11
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 9 april 2025, en opnieuw beschikkende,
belast de ouders met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] , geboren [in] 2021 te [plaats C] ;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. P.F.E Geerlings en mr. G.J. Baken, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Betlem als griffier en is op 20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.