Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1210

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
23-000494-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak vuurwapenbezit en veroordeling voor handel in harddrugs en mishandeling verkeersregelaar

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd en een nieuwe uitspraak gedaan. De verdachte werd beschuldigd van handel en verwerking van harddrugs, het voorhanden hebben van vuurwapens en mishandeling van een verkeersregelaar.

Het hof sprak de verdachte vrij van het bezit van vuurwapens omdat niet wettig en overtuigend kon worden vastgesteld dat hij zich bewust was van de wapens in een tas die hij had geplaatst. Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte in de periode van mei tot augustus 2020 cocaïne heeft bereid, verwerkt, verkocht en vervoerd, dat hij op 25 augustus 2020 MDMA bij zich had en dat hij op 13 juli 2020 een verkeersregelaar met opzet heeft mishandeld.

De strafoplegging hield rekening met de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact van drugscriminaliteit en mishandeling in het openbaar, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof legde een gevangenisstraf van zeven maanden op, met aftrek van voorarrest, en matigde de straf vanwege overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Daarnaast werden bepaalde voorwerpen verbeurd verklaard en andere onttrokken aan het verkeer, terwijl een groot aantal voorwerpen aan de verdachte werd teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zeven maanden gevangenisstraf voor drugshandel en mishandeling, vrijgesproken van vuurwapenbezit.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000494-21
datum uitspraak: 10 april 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 februari 2021 in de strafzaak onder de parketnummers 13-178374-20 en 13-665401-18 (TUL) tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1998,
adres: [adres] , thans gedetineerd in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 juni 2023, 27 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2020 tot en met 25 augustus 2020 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt (onder meer aan: [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of een of meerdere overige personen) en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne en/of MDMA, zijnde cocaïne en/of heroïne en/of MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 augustus 2020 tot en met 25 augustus 2020 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen van categorie II onder 2 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een automatisch militair aanvals-/legergeweer, van het merk Zastava, type/model M70AB2, kaliber 7.62mmx39 (een zogeheten Kalasjnikov/AK-47), zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, en/of (bijbehorende) patronen/munitie
en/of een wapen van categorie II onder 2 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een pistoolmitrailleur, van het merk Zastava, type/model 84, kaliber 7.65mm Browning (een zogeheten Skorpion), zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, en/of (bijbehorende) patronen/munitie
en/of een wapen van categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een pistool (getransformeerd dubbelloops enkelschots alarmpistool), van het merk Kimar, type/model Derringer, kaliber .22 Long Rifle, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, en/of (bijbehorende) patronen/munitie
en/of een zak met een hoeveelheid munitie/patronen van het kaliber .22 Long Rifle,
voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 25 augustus 2020 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meerdere zakjes met ongeveer 5,36 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4.
hij op of omstreeks 13 juli 2020 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal, (met gebalde vuist) in/tegen het gezicht te slaan en/of duwen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 1
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bereiden en bewerken van drugs over de hele ten laste gelegde periode. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de bij de verdachte aangetroffen dealertelefoons actief waren vanaf maart 2020 en dat beide telefoons vooral de zendmast in de buurt van de woning van de verdachte aanstraalden. Ook is de stem van de verdachte te horen op de telefoontaps. Alhoewel de in hoger beroep gehoorde getuigen de verdachte niet herkennen, stellen zij dat de verklaringen die zij bij de politie hebben afgelegd – waar zij de verdachte wel herkenden – juist zijn.
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte voor een deel van de periode moet worden vrijgesproken en daartoe aangevoerd dat de verdachte de dealertelefoon pas later van een buurjongen heeft overgenomen en de zendmastgegevens dat scenario niet uitsluiten.
Het hof overweegt als volgt.
Over de periode waarin de verdachte drugs verkocht, lopen de verklaringen van de afnemers uiteen. De verdediging heeft gewezen op diverse inconsistenties in die verklaringen en bepleit dat met de verklaringen van deze (aan drugs verslaafde) getuigen met grote voorzichtigheid moet worden omgegaan. Het hof zal inderdaad met behoedzaamheid met die verklaringen omgaan en slechts uitgaan van de getuigenverklaringen, voor zover die passen binnen de overige onderzoeksbevindingen, zoals de tapgesprekken en historische telefoongegevens.
De historische telefoongegevens wijzen uit dat de meest gebruikte zendmast van de deallijnen zich vlakbij de woning van de verdachte bevindt en die nummers sinds maart 2020 actief zijn. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij rond eind mei, begin juni, de dealertelefoon van een buurjongen heeft overgenomen. De in het dossier aanwezige tapgesprekken zien niet op het begin van de tenlastegelegde periode. Gelet op het voorgaande kan niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte reeds in februari betrokken was bij de deallijnen. Het hof zal uitgaan van de verklaring van de verdachte, dat hij is begonnen na de ramadan, en hem partieel vrijspreken voor zover de tenlastelegging ziet op de periode daarvoor.
Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof verder van oordeel dat de verdachte eveneens partieel dient te worden vrijgesproken van het dealen van heroïne en MDMA omdat het dossier daar geen wettig en overtuigend bewijs voor bevat.
Ten aanzien van feit 2
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte wist, dan wel bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat er vuurwapens in de tas zaten.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit omdat de verdachte geen wetenschap had van de wapens in de tas.
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (WWM) vereist is dat de verdachte het wapen bewust aanwezig heeft gehad. De verdachte moet zich bewust zijn geweest van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of tot de exacte locatie van dat wapen. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.
Het hof stelt vast dat de tenlastegelegde vuurwapens zijn aangetroffen in een tas op de zolder van de woning van [persoon 1] . De verdachte verklaart dat hij die tas op de zolder van [persoon 1] heeft geplaatst op verzoek van een kennis en dat hij niet wist dat er vuurwapens in de tas zaten. Gelet op deze verklaring die niet door de inhoud van het dossier wordt weerlegd, is naar het oordeel van het hof niet met de voor bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vast komen te staan dat de verdachte de wapens bewust aanwezig heeft gehad.
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging feit 4

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld.
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat de verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, om [slachtoffer] te slaan of duwen en hem daarmee pijn te doen dan wel letsel toe te brengen.
Het hof acht bewezen dat de verdachte op 13 juli 2020 in Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld.
Het hof verwerpt het verweer van de verdachte dat hij geen opzet heeft gehad. De verdachte heeft op zijn minst voorwaardelijk opzet gehad om aangever te mishandelen. De verdachte heeft met zijn vuist een voorwaartse beweging gemaakt naar het gezicht van [slachtoffer] . Gelet op het bij [slachtoffer] ontstane letsel moet dit een slaande beweging zijn geweest die met kracht is gemaakt. Door zo te handelen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat aangever pijn of letsel zou krijgen en verdachte heeft die kans willens en wetens aanvaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 24 mei 2020 tot en met 25 augustus 2020 te Amsterdam opzettelijk heeft bereid en verwerkt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;
en
hij in de periode van 24 mei 2020 tot en met 25 augustus 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd (onder meer aan: [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en [persoon 4] en [persoon 5] en [persoon 6] en meerdere overige personen) en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;
3.
hij op 25 augustus 2020 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meerdere zakjes met ongeveer 5,36 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA;
4.
hij op 13 juli 2020 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] met gebalde vuist in het gezicht te slaan;
Hetgeen onder 1, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden met aftrek.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek.
De raadsvrouw heeft, gelet op de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten, verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die niet hoger is dan de duur van de voorlopige hechtenis. Indien het hof meent dat een hogere straf passend is, verzoekt de raadsvrouw om deze voorwaardelijk op te leggen, dan wel als (onvoorwaardelijke) taakstraf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal feiten. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in en het bereiden van harddrugs. Ook heeft de verdachte MDMA voorhanden gehad. Gebruik van harddrugs is zeer schadelijk voor de gezondheid en de financiering ervan gaat vaak gepaard met diverse vormen van overlastgevende criminaliteit. De verdachte heeft dit door zijn strafbare handelen in de hand gewerkt, hetgeen het hof de verdachte aanrekent.
Verder heeft de verdachte een verkeersregelaar mishandeld. Door zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft hij een voor hem angstige situatie geschapen. Niet alleen de lichamelijke integriteit speelt hierbij een rol, maar ook het feit dat de mishandeling heeft plaatsgevonden op de openbare weg en is gezien door veel mensen. Dit brengt daarnaast voor de omstanders gevoelens van onrust en onveiligheid met zich mee. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarbij is rekening gehouden met de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) – zoals deze golden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Het oriëntatiepunt voor (enkel) het dealen van harddrugs gedurende een periode van ongeveer drie maanden, is reeds een gevangenisstraf van zes maanden. Daar komen het bereiden van die drugs, het voorhanden hebben van MDMA en de mishandeling nog bij.
In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden, zoals die door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep zijn toegelicht. Uit informatie van de reclassering, in het bijzonder de verklaring van [deskundige] , reclasseringsmedewerker, ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de verdachte pro criminogene houding van de verdachte is afgenomen, hetgeen ook blijkt uit het strafblad van de verdachte van 13 maart 2026. Daarnaast heeft de medewerker van de reclassering verklaard dat de verdachte afspraken bij zijn begeleid wonen nakomt, en zich gemotiveerd inzet voor de schuldhulpverlening. De verdachte heeft verklaard dat hij graag een positieve maatschappelijke bijdrage wil leveren.
Tegelijkertijd stelt het hof vast dat deze positieve ontwikkeling nog pril is. Sinds zijn vrijlating is het de verdachte niet gelukt om gedurende een aaneengesloten periode van drie maanden een stabiel inkomen te verwerven. Ook heeft hij op dit moment geen vaste dagbesteding, bijvoorbeeld in de vorm van (vrijwilligers)werk. Daarom beoordeelt het hof de positieve ontwikkelingen met enige voorzichtigheid.
Het hof houdt tevens rekening met het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht en voorts met de omstandigheid dat het hof op dezelfde dag in een andere strafzaak tegen de verdachte arrest wijst, waarbij het aan de verdachte eveneens een gevangenisstraf oplegt.
Het hof komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat een gevangenisstraf van 8 maanden in beginsel passend is. Het hof stelt echter ook vast dat het in artikel 6, eerste lid, EVRM opgenomen recht om binnen en redelijke termijn te worden berecht – welke termijn in de hoger beroep fase voor een niet gedetineerde verdachte wordt bepaald op twee jaar – is geschonden. Namens de verdachte is op 26 februari 2021 hoger beroep ingesteld en op 10 april 2026 wordt dit eindarrest gewezen. Dit betekent dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting in hoger beroep niet binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel is afgerond met een einduitspraak. De redelijke termijn is overschreden met meer dan drie jaar, één maand een twee weken. Het hof is van oordeel dat dit een matiging van de straf tot gevolg moet hebben, in die zin dat het hof gevangenisstraf met een maand zal verminderen.
Het hof acht, alles afwegende, een na te melden duur passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Beslag

Verbeurdverklaring
De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen 2 en 3 zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte onder 1 begane feit aangetroffen. Zij behoren aan de verdachte toe en kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Nu met behulp van de voorwerpen 2 en 3 het onder 1 bewezenverklaarde is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.
Onttrekking aan het verkeer
De voorwerpen 41, 42 en 43 zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, omdat dit bij gelegenheid van het onderzoek naar de aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde misdrijven werd aangetroffen en dit voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl dit voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. De voorwerpen behoren aan de dader van het feit toe.
Nu voorwerp 44 is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane misdrijven, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan van een soortgelijk misdrijf en het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is niet de wet of het algemeen belang wordt dit voorwerp ook onttrokken aan het verkeer.
Teruggave
Het hof oordeelt dat van de voorwerpen 1, 4 tot en met 40 en 45 niet kan worden vastgesteld dat er een relatie bestaat tussen de bewezenverklaarde feiten en de voorwerpen. De tas waar de wapens in zaten, staat niet op de beslaglijst. De voorwerpen 1 en 4 tot en met 40 zullen aan verdachte worden teruggegeven. Voorwerp 45 zal worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2019 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De raadsvrouw heeft primair verzocht om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen. Subsidiair heeft zij verzocht de proeftijd voor één jaar te verlengen. Meer subsidiair heeft zij verzocht de vordering tenuitvoerlegging gedeeltelijk toe te wijzen, om te zetten in een taakstraf.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
7 (zeven) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
2: 1 STK Weegschaal (Omschrijving: FH-100t, merk: zwart) 3: 1 STK Weegschaal (Omschrijving: zwart, merk: FB 100).
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
41: 1 STK Pistoolmitrailleur (Omschrijving: goednr. 5961201, scorpion)
42: 1 STK Mitrailleur (Omschrijving: goednr. 5961202, zastava)
43: 1 STK Pistool (Omschrijving: goednr. 5961205, kimar derringer)
44: 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: hennep 1,3 gram).
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1: 1 STK Zonnebril (Omschrijving: Ray ban)
4: 1 STK Tas (Omschrijving: bruin, Gucci)
5: 1 STK Koffer (Omschrijving: grijs, merk: Louis Vuitton)
6: 1 STK Portemonnee (Omschrijving: bruin, Louis Vuitton)
7: 1 STK Tas (Omschrijving: grijs, merk: Clutch Louis Vuitton)
8: 1 STK Tas (Omschrijving: bruin, Louis Vuitton)
9: 1 STK Jas (Omschrijving: zwart, North Face)
10: 1 STK Jas (Omschrijving: Parajumpers, groen) 10: 1 STK Jas (Omschrijving: Parajumpers, groen)
11: 1 STK Jas (Omschrijving: The north face, zwart)
12: 1 STK Jas (Omschrijving: Parajumpers, blauw)
13: 1 STK Tas (Omschrijving: bruin, Louis Vuitton, merk: reistas aangetrof)
14: 1 STK Portemonnee (Omschrijving: grijs, Louis Vuitton)
15: 1 STK Broek (Omschrijving: Dsquared, blauw)
16: 1 STK Shirt (Omschrijving: zwart, Versace, merk: opdruk ketting)
17: 1 STK Shirt (Omschrijving: grijs, Versace, merk: opdruk drie hoofden)
18: 1 STK Shirt (Omschrijving: wit, Philip Plein, merk: opdruk 78pp)
19: 1 STK Shirt (Omschrijving: zwart, Philip Plein, merk: opdruk doodskop)
20: 1 STK Shirt (Omschrijving: Moncler, groen, merk: polo witte kraag)
21: 1 STK Shirt (Omschrijving: Moncler, merk: volledig groen)
22: 1 STK Shirt (Omschrijving: Moncler, wit, merk: opdruk wolf)
23: 1 STK Shirt (Omschrijving: wit, Stone island, merk: polo)
24: 1 STK Shirt (Omschrijving: bruin, Kenzo, merk: opdruk leeuw)
25: 1 STK Shirt (Omschrijving: grijs, Kenzo, merk: opdruk leeuw)
26: 1 STK Broek (Omschrijving: wit, Ralph Lauren, merk: korte broek)
27: 1 SIK Trui (Omschrijving: Ralp Lauren, blauw)
28: 1 STK Trui (Omschrijving: Dsquared, grijs, merk: verfvlekken)
29: 1 STK Trui (Omschrijving: grijs, Dolce & Gabban, merk: opdruk give the game)
30: 1 STK Trui (Omschrijving: Stone Island, grijs)
31: 1 STK Trainingspak (Omschrijving: grijs, The North Face)
32: 1 STK Broek (Omschrijving: Ice Berg, blauw, merk: donker blauw)
33: 1 STK Broek (Omschrijving: Armani, blauw, merk: licht blauw wit knie)
34: 1 STK Jas (Omschrijving: zwart, The North Face)
35: 1 STK Jas (Omschrijving: zwart, The North Face, merk: rode touwtjes)
36: 1 STK Jas (Omschrijving: The North Face, groen, merk: carnouflage)
37: 1 STK Jas (Omschrijving: Canada Goose, beige, merk: scheur op linker)
38: 1 STK Jas (Omschrijving: Woolrich, zwart)
39: 1 STK Schoenen (Omschrijving: schoenen paar, merk: Louboutin)
40: 1 STK Schoenen (Omschrijving: schoenen paar, merk: Valentino
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
45: 1 STK Pas (Omschrijving: 5960912, ING betaalpas onv 1. [naam] , ING bank).
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2019, parketnummer 13-665401-18, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
7 (zeven) maanden.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. A.P.M. van Rijn en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 april 2026.
=========================================================================
[…]