Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1211

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
23-001278-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 312 SrArt. 27 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor straatroof met geweld en letsel

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2023 bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging. De verdachte werd veroordeeld voor een straatroof waarbij hij met geweld een horloge van een bejaard slachtoffer trok, wat letsel veroorzaakte. Het hof achtte de feiten bewezen en verwierp het verweer van psychische overmacht.

De straf is gematigd tot zes maanden gevangenisstraf, mede vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn positieve, maar nog prille, ontwikkeling zoals blijkt uit reclasseringsinformatie. De strafvermindering is ook toegekend vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van berechting met meer dan elf maanden.

Daarnaast is de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden gelast, omdat de verdachte zich tijdens de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Het hof heeft de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal acht dagen en de tijd van voorarrest in mindering gebracht op de opgelegde straf.

Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 10 april 2026.

Uitkomst: Gevangenisstraf van 162 dagen met aftrek van voorarrest en tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001378-23
datum uitspraak: 10 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2023 in de strafzaak onder de parketnummers 13-149712-22 en 13-665401-18 (TUL) tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1998,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit daarom bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging (te weten: de gevangenisstraf) en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof:
- acht heeft geslagen op hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd ter terechtzitting in hoger beroep en op het de verdachte betreffend psychologisch onderzoek van 17 januari 2024. Dit heeft het hof niet heeft gebracht tot een andere overweging of conclusie met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte dan zoals vermeld in het vonnis;
- bij de schadevergoedingsmaatregel het maximaal aantal dagen gijzeling stelt op 8 (acht) dagen.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De raadsvrouw heeft, gelet op de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten, verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die niet hoger is dan de duur van de voorlopige hechtenis. Indien het hof meent dat een hogere straf passend is, verzoekt de raadsvrouw om deze voorwaardelijk op te leggen, dan wel als (onvoorwaardelijke) taakstraf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een straatroof, door met kracht een horloge van de pols van het bejaarde slachtoffer te trekken. Het slachtoffer heeft hierdoor letsel aan zijn hand opgelopen. De verdachte heeft zich bij zijn handelen niet bekommerd om wat de gevolgen voor het slachtoffer zouden kunnen zijn. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke delicten nog geruime tijd last kunnen houden van psychische klachten. Bovendien versterken dergelijke delicten gevoelens van onveiligheid in de maatschappij, in het bijzonder bij eventuele omstanders.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarbij is rekening gehouden met de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het oriëntatiepunt voor een straatroof met licht geweld is, indien er sprake is van recidive, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 maart 2026 is hij eerder voor vermogens- en geweldsdelicten onherroepelijk veroordeeld, zodat sprake is van recidive.
Het hof ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep zijn toegelicht, aanleiding om deze straf te matigen. Uit informatie van de reclassering, in het bijzonder de verklaring van [persoon] , reclasseringsmedewerker, ter terechtzitting afgelegd blijkt dat de pro criminogene houding van de verdachte is afgenomen. Dit blijkt ook uit het strafblad van de verdachte. Daarnaast heeft de medewerker van de reclassering verklaard dat de verdachte afspraken bij zijn begeleid wonen nakomt, en zich gemotiveerd inzet voor de schuldhulpverlening. De verdachte heeft verklaard dat hij graag een positieve maatschappelijke bijdrage wil leveren.
Tegelijkertijd stelt het hof vast dat deze positieve ontwikkeling nog pril is. Sinds zijn vrijlating is het de verdachte niet gelukt om gedurende een aaneengesloten periode van drie maanden een stabiel inkomen te verwerven. Ook heeft hij op dit moment geen vaste dagbesteding, bijvoorbeeld in de vorm van (vrijwilligers)werk. Daarom beoordeelt het hof de positieve ontwikkelingen met enige voorzichtigheid.
Het hof houdt rekening met het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht en verder met de omstandigheid dat het hof op dezelfde dag in een andere strafzaak tegen de verdachte arrest wijst, waarbij het aan de verdachte eveneens een gevangenisstraf oplegt.
Het hof komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat een gevangenisstraf van zes maanden met aftrek in beginsel passend is. Het hof stelt echter vast dat het in artikel 6, eerste lid, EVRM opgenomen recht om binnen en redelijke termijn te worden berecht -welke termijn in de hoger beroep fase voor een niet gedetineerde verdachte wordt bepaald op twee jaar- is geschonden. Namens de verdachte is op 4 mei 2023 hoger beroep ingesteld en op 10 april 2026 wordt dit eindarrest gewezen. Dit betekent dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting in hoger beroep niet binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel is afgerond met een einduitspraak. De redelijke termijn is overschreden met meer dan elf maanden. Het hof is van oordeel dat dit een matiging van de straf tot gevolg moet hebben, in die zin dat het hof gevangenisstraf met 10% zal verminderen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2019 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden gevorderd. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De raadsvrouw heeft primair verzocht om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen. Subsidiair heeft zij verzocht de proeftijd voor één jaar te verlengen. Meer subsidiair heeft zij verzocht de vordering tenuitvoerlegging gedeeltelijk toe te wijzen, om te zetten in een taakstraf.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de gevangenisstraf en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
162 (honderdtweeënzestig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
8 (acht) dagen.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2019, parketnummer 13-665401-18, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) maanden.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. A.P.M. van Rijn en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Pattinama, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 april 2026.
=========================================================================
[…]