Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1218

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
23-000102-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231 SrArt. 1 Wet op de identificatieplichtArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijk gebruik van niet op eigen naam gesteld identiteitsbewijs

Op 7 januari 2025 werd verdachte te Amsterdam staande gehouden en gevraagd zich te identificeren. Hij toonde een foto van een Nederlands rijbewijs dat op naam stond van een ander persoon. Ondanks dat de persoonsfoto niet zichtbaar was, verklaarde verdachte dat hij de persoon op het rijbewijs was. De verbalisanten constateerden dat de gegevens niet overeenkwamen met de werkelijke identiteit van verdachte.

De verdediging voerde aan dat verdachte geen opzet had om zich met het identiteitsbewijs van een ander te identificeren en dat de foto werd gebruikt om via de bankrekening van zijn zus geld te ontvangen. Het hof verwierp dit verweer en achtte bewezen dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maakte van het niet op zijn naam gestelde identiteitsbewijs.

De politierechter had verdachte veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Het hof bevestigde deze straf en legde daarnaast de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 1 maand op, omdat verdachte het bewezenverklaarde feit pleegde tijdens de proeftijd van die straf.

Het hof benadrukte het belang dat overheidsdienaren kunnen vertrouwen op officiële documenten en achtte het gebruik van het rijbewijs van een ander ernstig. De straf is onvoorwaardelijk en passend gelet op de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf voor het opzettelijk gebruik van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000102-25
Datum uitspraak: 3 maart 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 januari 2025 in de strafzaak onder de parketnummers
13-006032-25 en 13-324625-23 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1985,
adres: [adres]
adres raadsvrouw: Johan Huizingalaan 757, 1066 VH Amsterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
17 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouwen naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 7 januari 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht, te weten (een foto van) een Nederlands rijbewijs, voorzien van het nummer [nummer] , ten name gesteld van [naam] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1968 , door voornoemd document, althans een afschrift/foto van dit document, ter vaststelling van zijn identiteit en/of nationaliteit aan verbalisant(en) [ verbalisant ] en/of [verbalisant 2] (beiden werkzaam als aspirant bij de Eenheid Amsterdam), te tonen en/of te overhandigen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het hof verzocht de verdachte vrij te spreken omdat hij, kort weergegeven, niet het opzet had om zich te identificeren met (de foto van) het rijbewijs van een ander zoals tenlastegelegd.
Daartoe is gewezen op de feitelijke gang van zaken tijdens de controle en op de alternatieve verklaring die de verdachte heeft gegeven voor het bezit van de foto van het rijbewijs van een ander, namelijk dat hij deze foto gebruikt om, via de bankrekening van zijn zus, geld te kunnen ontvangen.

Bewijsoverwegingen

Op 7 januari 2025 te Amsterdam is de verdachte staande gehouden, om zijn identiteitsgegevens op te vragen. De verbalisant hoorde hem verklaren dat hij geen identificerende documenten bij zich had. De verbalisant heeft vervolgens gevraagd of de verdachte een foto had van zijn identiteitskaart, rijbewijs of paspoort. De verbalisant zag dat de verdachte zich identificeerde met de foto van een geldig Nederlands rijbewijs, waarbij de afbeelding van de persoonsfoto niet zichtbaar was. Het rijbewijs was op naam gesteld van: [naam] , geboren op [geboortedatum 2] 1968 te [geboorteplaats 2] .
De verbalisant zag op de RDW-foto die gelinkt is aan het rijbewijs dat de persoon op deze foto en de verdachte niet overeenkwamen. Hij heeft de verdachte gevraagd: 'de naam op dit rijbewijs ben jij?' Hij hoorde de verdachte zeggen: 'Ja dit ben ik.'
De verbalisant heeft de verdachte gevraagd zijn echte naam en geboortedatum op te schijven. Hij zag dat de geschreven gegevens overeenkwamen met de gegevens op de getoonde foto van het rijbewijs.
De verbalisant vroeg aan de verdachte wat zijn verblijfsadres was. Hij hoorde de verdachte zeggen: "ik woon hier net". De verbalisant zag in de GBA gegevens dat de inschrijving van het adres van [naam] sinds 2021 was. Hij vroeg de verdachte wat zijn leeftijd was. Hij hoorde de verdachte antwoorden: "55". De verbalisant zag in de GBA gegevens van [naam] dat de leeftijd van [naam] 57 betrof.
De verbalisant hoorde de verdachte zeggen dat hij zijn echte naam zou opschrijven, want hij wilde door naar zijn werk. De verdachte gaf op te zijn genaamd: [naam] , geboren op [geboortedatum 1] 1985 te [geboorteplaats 1] . De verbalisant heeft de opgegeven personalia gecontroleerd en zag in een strafketenregistratie een foto van de verdachte. Op basis van de foto in overeenkomst met de verdachte heeft de verbalisant een positieve identificatie kunnen maken. [1]
Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de feitelijke gang van zaken zoals beschreven door de verbalisanten. Uit het proces-verbaal kan worden afgeleid dat de verdachte, op het verzoek zich te identificeren, de foto heeft getoond van een deel van het rijbewijs van een ander, enkel met de bedoeling om te voldoen aan dat verzoek. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat sprake was van taalproblemen of andere miscommunicatie. De omstandigheid dat de verdachte aanvankelijk heeft verklaard dat hij geen identiteitsbewijs bij zich had, maakt het voorgaande niet anders. Datzelfde geldt voor de alternatieve verklaring die de verdachte heeft gegeven voor het bezit van de foto van het rijbewijs.
Het hof is daarom van oordeel dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs zoals tenlastegelegd, door een foto van dat document te tonen aan de verbalisanten.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 7 januari 2025 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht, te weten een foto van een Nederlands rijbewijs, voorzien van het nummer [nummer] , ten name gesteld van [naam] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1968, door een foto van dit document, ter vaststelling van zijn identiteit aan verbalisanten
[ verbalisant ] en [verbalisant 2] , te tonen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in het bewijsmiddel zijn vervat, zoals opgenomen onder het kopje bewijsoverwegingen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van het voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsvrouw heeft het hof verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich geïdentificeerd door het tonen van een foto van het rijbewijs van een ander. Overheidsdienaren moeten kunnen vertrouwen op getoonde officiële documenten zoals een rijbewijs. Het hof neemt het tonen van het rijbewijs de verdachte kwalijk. Uit het pleidooi van de verdediging maakt het hof bovendien op dat de verdachte vaker de identiteit van een ander gebruikt, hetgeen het hof zorgelijk acht. De straf zoals in eerste aanleg opgelegd en in hoger beroep is gevorderd door de advocaat-generaal is naar het oordeel van het hof passend en geboden. Gelet op de ernst van het feit kan geen andere dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd. In hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd over de persoonlijke omstandigheden ziet het hof geen aanleiding in dit geval een lagere straf op te leggen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 februari 2026 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld; het bewezenverklaarde feit is gepleegd terwijl de verdachte in de proeftijd bij de eerder opgelegde straf liep.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 december 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft de tenuitvoerlegging gevorderd.
De raadsvrouw heeft het hof primair verzocht de vordering af te wijzen, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft zij verzocht de vordering gedeeltelijk toe te wijzen, aangezien de eerder voorwaardelijk opgelegde straf zag op een vermogensdelict, een wezenlijk ander delict dan het onderliggende.
Het hof overweegt als volgt.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van
13 december 2023, parketnummer 13-324625-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P. M. van Rijn , mr. P. Greve, en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van
mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
3 maart 2026.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van bevindingen van 7 januari 2025, opgesteld door de verbalisanten [ verbalisant ] en [verbalisant 2] , dossierpagina’s 6 en 7.