Op 7 januari 2025 werd verdachte te Amsterdam staande gehouden en gevraagd zich te identificeren. Hij toonde een foto van een Nederlands rijbewijs dat op naam stond van een ander persoon. Ondanks dat de persoonsfoto niet zichtbaar was, verklaarde verdachte dat hij de persoon op het rijbewijs was. De verbalisanten constateerden dat de gegevens niet overeenkwamen met de werkelijke identiteit van verdachte.
De verdediging voerde aan dat verdachte geen opzet had om zich met het identiteitsbewijs van een ander te identificeren en dat de foto werd gebruikt om via de bankrekening van zijn zus geld te ontvangen. Het hof verwierp dit verweer en achtte bewezen dat verdachte opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maakte van het niet op zijn naam gestelde identiteitsbewijs.
De politierechter had verdachte veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Het hof bevestigde deze straf en legde daarnaast de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 1 maand op, omdat verdachte het bewezenverklaarde feit pleegde tijdens de proeftijd van die straf.
Het hof benadrukte het belang dat overheidsdienaren kunnen vertrouwen op officiële documenten en achtte het gebruik van het rijbewijs van een ander ernstig. De straf is onvoorwaardelijk en passend gelet op de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.