ECLI:NL:GHAMS:2026:123

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
200.355.589/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake eenhoofdig gezag over minderjarigen na echtscheiding met huiselijk geweld

In deze zaak gaat het om het gezag van de vader over zijn twee minderjarige kinderen, [minderjarige 1] (12 jaar) en [minderjarige 2] (6 jaar). De rechtbank Amsterdam heeft in een eerdere beschikking van 11 maart 2025 het gezag van de vader beëindigd en de moeder met het eenhoofdig gezag belast. De vader is het hier niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. De moeder is het eens met de beslissing van de rechtbank. De vader betoogt dat er geen reden is om van het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag af te wijken en ontkent de beschuldigingen van huiselijk geweld die door de moeder zijn geuit. De moeder daarentegen stelt dat zij slachtoffer is geweest van langdurig huiselijk geweld door de vader, wat ook de kinderen heeft beïnvloed. Het hof heeft de zaak behandeld en de belangen van de kinderen en de veiligheid van de moeder in overweging genomen. Het hof concludeert dat de moeder het eenhoofdig gezag over de kinderen moet behouden, omdat er geen vertrouwensbasis is voor gezamenlijk gezag en de vader onvoldoende inzicht toont in zijn gedrag. De bestreden beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd, en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.355.589/01
zaaknummer rechtbank: C/13/757950 / FA RK 24-6904 (ED/AH)
beschikking van de meervoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. G. Öntas te Amsterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. K. Spaargaren te Maarsbergen.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] , en
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over het gezag van de vader over [minderjarige 1] (12 jaar) en [minderjarige 2] (6 jaar) (hierna: de kinderen).
1.2
De rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van
11 maart 2025 (hierna: de bestreden beschikking) het gezag van de vader over de kinderen beëindigd en de moeder met het eenhoofdig gezag belast. De vader is het daarmee niet eens en wil zijn gezag over de kinderen behouden. De moeder is het eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 11 juni 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De moeder heeft op 24 juli 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de vader van 1 oktober 2025 met bijlage;
- een bericht van de moeder van 7 november 2025 met bijlagen;
- een bericht van de moeder van 10 november 2025 met bijlage.
2.4
De oudste raadsheer heeft op 4 november 2025, in het bijzijn van de griffier, met de minderjarige [minderjarige 1] gesproken. Ter zitting heeft de oudste raadsheer de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven. De ouders hebben de gelegenheid gehad om daarop te reageren.
2.5
De zitting heeft op 20 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.
Beide advocaten hebben op de zitting een pleitnotitie overgelegd. De vader heeft spreekaantekeningen overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2013 te [plaats B] , en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2019 te [plaats A] .
De ouders zijn getrouwd geweest en hun huwelijk is op 29 november 2022 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 16 november 2022. Sinds de bestreden beschikking oefent de moeder alleen het gezag uit over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
3.2
Bij de hiervoor genoemde echtscheidingsbeschikking is bepaald dat het door de ouders op 2 oktober 2022 ondertekende ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking. In het ouderschapsplan is ten aanzien van de zorgregeling opgenomen dat de kinderen om de week een weekend bij de vader verblijven en de rest van de tijd bij de moeder zijn.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – bestreden beschikking het gezag van de vader over de kinderen beëindigd en de moeder alleen met de uitoefening van het gezag belast.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking en uitvoerbaar bij voorraad, het inleidende verzoek van de moeder om het gezag van de vader over de kinderen te beëindigen en de moeder met het eenhoofdig gezag te belasten alsnog af te wijzen.
4.3
De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep dan wel zijn verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Daarnaast verzoekt de moeder de proceskosten van het hoger beroep tussen de ouders te compenseren.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:251 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat de ouders die gezamenlijk het gezag hebben na ontbinding van het huwelijk dit gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. Uit artikel 1:251a BW volgt dat de rechter na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding op verzoek van de ouders of van één van hen kan bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De standpunten
5.2
De vader betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn gezag over de kinderen heeft beëindigd en de moeder met het eenhoofdig gezag heeft belast. Gezamenlijk gezag is het wettelijk uitgangspunt en er is geen reden om daarvan af te wijken. De vader herkent de door de moeder aangevoerde verwijten over huiselijk geweld niet. Uit de daarover overgelegde stukken blijkt niet dat daarvan sprake zou zijn, omdat daarin enkel moeders ervaring is opgenomen. De vader heeft in de periode van de scheiding vanuit emotie ongepaste berichten naar de moeder gestuurd, maar dat maakt niet dat sprake is geweest van een structureel patroon van onveiligheid, zoals de moeder beweert. Daarbij heeft de vader daarvoor zijn verantwoordelijkheid genomen. Hij heeft na het stopgesprek met de politie geen contact meer met de moeder opgenomen. De vader bagatalliseert de beleving van de moeder dan ook niet en heeft gedaan wat hij kon om de situatie te verbeteren. Ook staat de vader open voor hulpverlening om de communicatie met de moeder te herstellen, maar daarvoor is ook de inzet van de moeder nodig. Het is van belang dat de vader betrokken blijft bij het leven van de kinderen door belangrijke beslissingen over hen te nemen. Bij eenhoofdig gezag van de moeder wordt de vader uit het leven van de kinderen geweerd. Daarbij nam de vader feitelijk altijd al gezagsbeslissingen samen met de moeder tijdens hun relatie, ook al is zijn gezag pas formeel ontstaan door het huwelijk. Verder heeft de vader nooit gezagsbeslissingen tegengehouden en wil hij moeders rol als hoofdopvoeder niet veranderen.
5.3
De moeder wil haar eenhoofdig gezag over de kinderen behouden. Van de moeder kan niet worden verwacht dat zij samen met de vader het gezag uitoefent en dat is ook niet in het belang van de kinderen. De moeder is slachtoffer geweest van langdurig en ernstig huiselijk geweld, in de vorm van intieme terreur, door de vader. Daarvan waren ook de kinderen getuige. Uit de door de moeder overgelegde stukken blijkt dat de politie betrokken is (geweest) en zich ernstige zorgen maakt over de veiligheid van de moeder. De moeder doet hard haar best om het verleden te verwerken met EMDR therapie, zodat zij er voor de kinderen kan zijn. Bij gezamenlijk gezag komt moeders welzijn en daarmee ook dat van de kinderen in het gedrang, omdat de moeder dan steeds opnieuw wordt geconfronteerd met de vader. De vader blijft ontkennen dat hij pleger is van huiselijk geweld en toont geen inzicht in zijn handelen. Ook is hulpverlening gezien het verleden geen optie voor de moeder. Bovendien verandert de rol van de vader niet door het eenhoofdig gezag. De ouders hebben maar kort samen het gezag gehad door hun huwelijk en daarvoor droeg de moeder tijdens hun relatie alleen de zorg voor de kinderen en nam zij zelfstandig de gezagsbeslissingen. Daarbij zorgt de moeder ervoor dat de kinderen contact hebben met hun vader, waardoor vaders vrees dat hij uit het leven van de kinderen verdwijnt niet gegrond is. Verder is de verwachting dat de vader zijn gezag niet constructief zal gebruiken, zoals hij eerder ook niet deed. Zo heeft hij bijvoorbeeld lang gewacht voordat hij toestemming voor een dyslexieonderzoek gaf.
Het advies van de raad
5.4
De raad adviseert om het eenhoofdig gezag van de moeder in stand te laten. Gezamenlijk gezag is niet in het belang van de kinderen. In het verleden heeft de vader hun veiligheid niet gewaarborgd; er is sprake geweest van huiselijk geweld van de vader jegens de moeder en ook de kinderen zijn getuige geweest van geweldsincidenten. De manier waarop de betrokken instanties hebben gehandeld onderstreept ook de ernst van de situatie. Zo zijn Veilig Thuis en de Blijf Groep betrokken geweest en heeft de politie stopgesprekken met de vader gevoerd. Er is geen sprake van een gelijkwaardige relatie tussen de ouders, omdat de moeder niet is opgewassen tegen de vader. Dat is een contra-indicatie voor het gezamenlijk nemen van beslissingen. Daar komt bij dat de vader zijn aandeel in de situatie niet inziet. Hij geeft aan dat hij dingen heeft gedaan die hij niet had moeten doen, maar daarmee toont hij geen inzicht in zijn gedrag en het effect daarvan op de moeder en de kinderen. De verwachting is daardoor niet dat de situatie zal veranderen. Bovendien hebben de moeder en de kinderen rust nodig om de gebeurtenissen uit het verleden te verwerken, waarvoor eenhoofdig gezag noodzakelijk is. Verder is er geen reden voor de vader om bang te zijn dat de kinderen uit zijn leven verdwijnen, aangezien de moeder zich altijd heeft ingespannen voor dit contact en dit contact tussen de vader en de kinderen ondanks alles goed verloopt.
De beoordeling door het hof
5.5
Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting is het volgende gebleken. De ouders hebben ruim tien jaar een relatie gehad en zijn drie maanden getrouwd geweest. Door het huwelijk is het gezamenlijk gezag ontstaan; daarvoor had alleen de moeder formeel het gezag. Na de scheiding zijn de moeder en de kinderen in de echtelijke woning blijven wonen. De vader woont sindsdien bij zijn ouders en is op zoek naar een eigen woning. De ouders hebben een belaste voorgeschiedenis. Er is veel gebeurd tijdens hun relatie en daarna. Politie, Veilig Thuis en de Blijf Groep zijn betrokken geweest omdat er zorgen waren over huiselijk geweld, te weten stalking en bedreiging van de vader jegens de moeder. De politie heeft twee stopgesprekken met de vader gevoerd, waarin er bij hem op is aangedrongen om de moeder niet meer te benaderen. Sindsdien hebben de ouders geen contact meer met elkaar; op dit moment is er al ruim twee jaar geen contact tussen hen. De kinderen zien de vader om de week op zondag bij hem thuis. De zus van de vader regelt het halen en brengen.
5.6
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op juiste gronden geoordeeld dat het gezag over de kinderen alleen aan de moeder toekomt. Gebleken is dat bij de moeder veel angst en wantrouwen jegens de vader bestaat, als gevolg van gebeurtenissen in het verleden en de houding van de vader. De spanning bij de moeder was ook merkbaar tijdens de zitting bij het hof. De moeder heeft met stukken onderbouwd waarom zij spanning ervaart, te weten met
e-mails die de vader haar heeft gestuurd en correspondentie van de betrokken instanties. Het hof ziet dat er geen vertrouwensbasis bij de moeder is die het mogelijk maakt om samen met de vader beslissingen over de kinderen te nemen. Uit de door de moeder overgelegde stukken komt verder naar voren dat vanuit de politie de noodzaak bestond om stopgesprekken met de vader te voeren. Het hof ziet in de stukken aanwijzingen dat de vader destijds een bedreiging vormde voor de veiligheid van de moeder. Het hof is van oordeel dat van de moeder niet kan worden verwacht dat zij samen met de vader het gezag uitoefent. Daarbij zal de spanning die de moeder voelt als zij samen met de vader moet overleggen bij het nemen van beslissingen ook een negatief effect hebben op de kinderen en dat is niet in hun belang. Naar het oordeel van het hof erkent de vader de impact van zijn gedrag op de moeder, en daarmee op de kinderen, onvoldoende. Verder volgt het hof de vader niet in zijn stelling dat eenhoofdig gezag ertoe leidt dat hij uit het leven van de kinderen wordt geweerd. Niet is gebleken dat de moeder daarop uit is; zij faciliteert het contact tussen de kinderen en de vader juist, ondanks haar ervaringen met de vader. Daarbij is de situatie ten aanzien van de omgang stabiel en verloopt het contact goed, zo bleek ook uit het kindgesprek met [minderjarige 1] . Het is dan ook van belang dat dat wordt voorgezet en door het eenhoofdig gezag van de moeder kan de ontstane rust voortduren. De hiervoor genoemde omstandigheden zijn ook voldoende aanleiding om van het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag af te wijken. Concluderend is het hof van oordeel dat de ouders niet in staat zijn tot een behoorlijk gezamenlijke gezagsuitoefening zonder dat de kinderen daarbij klem of verloren raken. Met de raad acht het hof het onwaarschijnlijk dat daarin binnen afzienbare tijd verbetering komt. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.
Proceskosten
5.7
De moeder heeft verzocht de proceskosten te compenseren tussen de ouders. De vader heeft zich daartegen niet verweerd. Het hof zal de proceskosten compenseren, zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van mr. B.F. Beijderwellen als griffier en is op
20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.