ECLI:NL:GHAMS:2026:124

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
200.355.538/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Instelling en bekrachtiging van een mentorschap voor een meerderjarige met geestelijke en lichamelijke beperkingen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de instelling van een mentorschap voor de betrokkene, die als gevolg van haar geestelijke en lichamelijke toestand niet in staat is haar niet-vermogensrechtelijke belangen zelf waar te nemen. De kantonrechter had eerder op 6 maart 2025 een mentorschap ingesteld, waarbij [X] B.V. als mentor was benoemd. De betrokkene, geboren in 1970 in Pakistan, is het niet eens met deze beslissing en heeft hoger beroep ingesteld. Tijdens de zitting op 19 november 2025 is de betrokkene bijgestaan door haar advocaat, terwijl de mentor vertegenwoordigd was door F.J. Koomen. De betrokkene heeft aangevoerd dat zij geestelijk en lichamelijk gezond is en dat er geen noodzaak is voor een mentorschap. De mentor daarentegen heeft gesteld dat de betrokkene kwetsbaar is en dat een mentorschap noodzakelijk is voor haar welzijn. Het hof heeft de argumenten van beide partijen zorgvuldig gewogen en geconcludeerd dat de betrokkene hulp nodig heeft bij het nemen van beslissingen en dat vrijwillige ondersteuning door de familie niet voldoende is. Het hof heeft de bestreden beschikking van de kantonrechter bekrachtigd, waarmee het mentorschap is gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.355.538/01
zaaknummers rechtbank: 11196250 EB VERZ 24-8392 en 11449740 EB VERZ 24-12896
beschikking van de meervoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak van
[betrokkene] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de betrokkene,
advocaat: mr. S. Akkas te Amsterdam,
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [X] B.V. gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna tevens: de mentor);
- [de vader] (hierna: de vader);
- [de moeder] (hierna: de moeder);
- [de zus] (hierna: de zus);
- [broer 1] (hierna: broer [broer 1] );
- [broer 2] (hierna: broer [broer 2] ).

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de vraag of de instelling van een mentorschap terecht is ingesteld en of deze maatregel noodzakelijk is voor de betrokkene.
1.2
De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) heeft in een beschikking van 6 maart 2025 (hierna: de bestreden beschikking) geoordeeld dat de betrokkene tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt ten volle haar niet-vermogensrechtelijke belangen waar te nemen als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand en heeft daarom een mentorschap ingesteld ten behoeve van de betrokkene, met benoeming van [X] B.V. tot mentor.
De betrokkene is het daarmee niet eens en wil dat de bestreden beschikking vernietigd wordt en dat het verzoek tot instelling van een mentorschap wordt afgewezen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De betrokkene is op 5 juni 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
Het hof heeft daarnaast het navolgende stuk ontvangen:
- een bericht van de rechtbank Amsterdam, team bewind, van 1 oktober 2025 met als bijlage het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg.
2.3
De zitting heeft op 19 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- de mentor, vertegenwoordigd door F.J. Koomen;
- broer [broer 2] .
2.4
Nadien zijn bij het hof ingekomen:
- een bericht van de betrokkene van 3 december 2025, met bijlage;
- een bericht van de betrokkene van 17 december 2025, met bijlage.

3.De feiten

3.1
De betrokkene is geboren [in] 1970 te [plaats B] , Pakistan.
3.2
Bij beschikking van de kantonrechter van 28 mei 2024 is met ingang van 29 mei 2024 een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van de betrokkene wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand met benoeming van [X] B.V. (de huidige mentor) tot bewindvoerder.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking, op het verzoek van de zus en op het verzoek van de huidige mentor, tevens bewindvoerder van de betrokkene, ten behoeve van de betrokkene een mentorschap ingesteld wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van [X] B.V tot mentor.
4.2
De betrokkene verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek tot instelling van een mentorschap (alsnog) af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:450, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat de rechter ten behoeve van een meerderjarige een mentorschap kan instellen indien de meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.
5.2
Uit artikel 1:462, tweede lid, BW volgt dat de rechter het mentorschap kan opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het mentorschap niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de mentor of van degene die gerechtigd is het mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 1:451, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.
De standpunten
5.3
De betrokkene vindt dat er geen grond was en is voor het instellen van een mentorschap. Er zijn voorts geen feiten of omstandigheden die de voortzetting van het mentorschap rechtvaardigen. De betrokkene stelt dat zij zowel geestelijk als lichamelijk gezond is en in staat haar niet-vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, zonder dat zij daarbij een mentor nodig heeft. De betrokkene heeft een sterke wens om haar belangen zelfstandig te behartigen, waardoor zij vindt dat het mentorschap niet (langer) nodig is.
5.4
De mentor is van mening dat een mentorschap noodzakelijk is vanwege de behoeften en kwetsbaarheid van de betrokkene. Hoewel de mentor begrijpt dat de familie het beste met de betrokkene voor heeft, ziet zij ook dat veel zaken juist niet goed verlopen door toedoen van de familie.
5.5
Broer [broer 2] heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat de familie goed in staat is voor de betrokkene te zorgen. Hij benadrukt dat de mentor een commercieel oogmerk heeft en de familie veel verwijten maakt, terwijl zij zelf weinig voor de betrokkene doet.
De beoordeling door het hof
5.6
Het hof overweegt als volgt.
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De betrokkene is opgegroeid Pakistan en is op haar elfde jaar naar Nederland gekomen. Uit de nagezonden medische stukken is gebleken dat de betrokkene functioneert op een licht tot matig verstandelijke beperkt niveau. Gedurende haar leven heeft ze altijd in de buurt van haar familie gewoond en voor praktische zaken hulp en steun van hen gekregen. Daarnaast ontvangt zij sinds jaren ondersteuning vanuit de GGZ.
De betrokkene heeft moeite met het accepteren van hulp ter ondersteuning van haar problematiek. Ook is zij gedurende periodes ontrouw geweest in het nemen van haar diabetesmedicatie en is de betrokkene in het verleden uit eigen beweging (zelfs) gestopt met het injecteren van insuline. Daarnaast heeft de betrokkene geen goed inzicht in haar beperkingen en is zij onvoldoende in staat om problemen vanuit verschillende perspectieven te benaderen. Verder ondervindt de betrokkene ook problemen bij het lezen en begrijpen van teksten en invullen van formulieren. Bij het maken van afspraken met instanties wordt zij ondersteund door haar familie. Zelfstandig reizen naar nieuwe plekken lukt haar niet. Hoewel betrokkene in staat is om zichzelf te verzorgen, lukt het haar onvoldoende om haar huishouden te organiseren of voor zichzelf te koken.
Gelet op het voorgaande is het voor het hof duidelijk geworden dat voor betrokkene hulp bij het nemen van beslissingen ten aanzien van de zorg en ondersteuning in haar dagelijkse bezigheden noodzakelijk is.
5.7
De vraag die vervolgens beantwoord moet worden, is of kan worden volstaan met vrijwillige ondersteuning van de betrokkene door bijvoorbeeld haar familie.
Naar aanleiding van een verblijf van (schoon)familie in haar woning heeft de betrokkene in verband met verdenking van woonfraude haar woning op grond van een rechterlijke uitspraak van juli 2024 (uiteindelijk) in oktober 2025 moeten ontruimen. De betrokkene verblijft sindsdien bij haar ouders, terwijl zij vanwege haar beperkingen behoefte heeft aan een stabiele woonplek, waar ze de juiste begeleiding en zorg van derden kan krijgen. Daarnaast heeft de mentor tijdens de zitting in hoger beroep onbetwist gesteld dat de familie zonder toestemming van de betrokkene een persoonsgebonden budget voor haar had aangevraagd.
Hoewel het hof de bereidheid van de familie om ondersteunend te zijn voor de betrokkene positief vindt, acht het hof gelet op het voorgaande deze betrokkenheid ook kwetsbaar. Daarnaast, neemt het hof in aanmerking dat de betrokkene in eerste aanleg heeft aangegeven dat, als een mentorschap zou worden ingesteld, de voorkeur te geven aan een professionele mentor. Zij vond destijds dat haar zus haar belangen onvoldoende behartigde. Dit betekent dat het hof vrijwillige ondersteuning van de betrokkene door bijvoorbeeld de familie onvoldoende vindt om haar belangen van niet-vermogensrechtelijke aard waar te nemen.
5.8
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de kantonrechter op juiste gronden heeft geoordeeld dat een mentorschap diende te worden ingesteld. Het mentorschap is nog steeds noodzakelijk en zinvol. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. M.T. Hoogland en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van de griffier, en is op 20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.