Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1304

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.360.368/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beëindiging gezamenlijk gezag en toewijzing eenhoofdig gezag aan moeder

De zaak betreft het gezag over een minderjarige geboren in 2016. De rechtbank Amsterdam had op 21 juli 2025 het verzoek van de moeder toegewezen om het gezamenlijk gezag te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te wijzen. De vader ging hiertegen in hoger beroep.

In hoger beroep heeft het hof het verzoek van de vader afgewezen en de bestreden beschikking bekrachtigd. Het hof oordeelde dat de ouders al geruime tijd geen contact hebben en dat de vader mentale problemen heeft, waardoor het onwaarschijnlijk is dat zij binnen afzienbare tijd gezamenlijk het gezag adequaat kunnen uitoefenen.

De vader heeft geen fysiek contact met de minderjarige sinds meer dan vijf jaar en heeft meerdere keren zijn toestemming voor gezagsbeslissingen geweigerd, wat de moeder dwong vervangende toestemming te vragen. De moeder onderhoudt de vader wel via periodieke informatievoorziening.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde eveneens de beschikking te bekrachtigen, omdat het belang van het kind voorspelbaarheid, continuïteit en emotionele veiligheid vereist. Het hof benadrukte dat de beëindiging van het gezag losstaat van het contactrecht van de vader.

Ten aanzien van de proceskosten wees het hof het verzoek van de moeder af om de vader te veroordelen, omdat het recht op hoger beroep vrijstaat en compensatie van kosten in familierechtelijke procedures gebruikelijk is.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezamenlijk gezag en wijst het eenhoofdig gezag toe aan de moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.368/01
zaaknummer rechtbank: C/13/767175 / FA RK 25-2483 (KO/JS)
beschikking van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. D. de Heuvel te Papendrecht,
en
[de moeder],
wonende te [plaats B ] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. K. Tijsterman te Uithoorn.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , geboren [in] 2016.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over het gezag over [minderjarige] (negen jaar oud). De rechtbank Amsterdam heeft op 21 juli 2025 het verzoek van de moeder om alleen het gezag over [minderjarige] te krijgen, toegewezen. De vader is het daar niet mee eens en vindt dat het verzoek van de moeder (alsnog) moet worden afgewezen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 15 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 juli 2025 (hierna: bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 26 november 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de moeder van 10 maart 2026, met bijlage;
- een bericht van de vader van 16 maart 2026, met bijlagen.
2.4
Het hof heeft [minderjarige] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vindt. Zij heeft aangegeven daar geen gebruik van te willen maken.
2.5
De zitting heeft op 20 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de vader;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door V. Aelbers.
De vader is, ondanks behoorlijk te zijn opgeroepen, niet in persoon ter zitting verschenen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren [in] 2016 te [plaats C] .
De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders hadden tot de bestreden beschikking het gezamenlijk gezag over [minderjarige] .
3.2
Bij beschikking van 6 juni 2023 heeft de rechtbank aan de moeder vervangende toestemming verleend, die de toestemming van de vader vervangt, voor het aanvragen van reisdocumenten ten behoeve van [minderjarige] .
3.3
Bij vonnis van 25 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam aan de moeder vervangende toestemming verleend om met [minderjarige] naar Turkije te reizen voor een vakantie in augustus 2024.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, op verzoek van de moeder het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de moeder voortaan belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking en uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het verzoek van de moeder (alsnog) wordt afgewezen.
4.3
De moeder verzoekt de vader niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek c.q. zijn verzoek af te wijzen, met veroordeling van de vader in de door de moeder gemaakte kosten aan eigen bijdragen in hoger beroep van € 445, -.
4.4
De moeder heeft bij bericht van 11 maart 2026 haar verzoek gewijzigd. Zij verzoekt de vader te veroordelen voor de door haar gemaakte kosten aan eigen bijdragen in hoger beroep van € 717, -.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders, of van één van hen, het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond van waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over het kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De standpunten
5.2
De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat het gezamenlijk gezag van de ouders wordt beëindigd en de moeder voortaan wordt belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . De vader betwist dat de ouders niet in staat zijn om gezamenlijk beslissingen te nemen over [minderjarige] . De man heeft geen omgang met [minderjarige] , omdat de moeder daar niet aan meewerkt. Doordat de moeder hem sinds de bestreden beschikking ook niet meer hoeft te betrekken bij het nemen van belangrijke beslissingen over [minderjarige] , heeft de vader het gevoel dat hij helemaal buiten beeld is geraakt. Dit is niet in het belang van [minderjarige] . De vader wenst dat de moeder met hem gaat samenwerken zodat zij samen invulling kunnen geven aan het gezag.
Ter zitting heeft de advocaat van de vader aangegeven dat het op dit moment niet goed gaat met de vader. Hij heeft psychische problemen, hij is arbeidsongeschikt verklaard en zijn ziektewetuitkering is stopgezet. Momenteel richt hij zich dan ook op zijn behandeltraject bij de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ).
5.3
De moeder vindt dat de rechtbank terecht haar verzoek om eenhoofdig gezag over [minderjarige] heeft toegewezen. De ouders zijn niet in staat om gezamenlijk beslissingen te nemen over [minderjarige] . De vader heeft meermaals zijn toestemming geweigerd bij het nemen van gezagsbeslissingen en hij frustreerde hiermee de uitoefening van het gezag over [minderjarige] . De ouders hebben geprobeerd om hun onderlinge communicatie te verbeteren door middel van het deelnemen aan hulpverleningstrajecten, maar de vader heeft deze trajecten vroegtijdig beëindigd. Hij is in het verleden zonder opgave van reden periodes niet komen opdagen bij de omgangsmomenten en hij heeft nu al meer dan vijf jaar geen fysiek contact meer met [minderjarige] . Daarna is nog enige tijd belcontact geweest, maar dit is ook al enige jaren geleden opgehouden omdat de vader niet meer belde. Dit heeft veel impact gehad op [minderjarige] . [minderjarige] ervaart rust nu zij geen contact meer heeft met haar vader. De vader wordt wel op de hoogte gehouden door de moeder over de ontwikkeling van [minderjarige] . De moeder stuurt eens per drie maanden een foto van [minderjarige] naar de vader met een toelichting over hoe het met [minderjarige] gaat. De moeder heeft voor het versturen van informatie naar de vader hulp gezocht bij de praktijkondersteuner van de huisarts, om de informatievoorziening naar de vader toe zo passend mogelijk te maken, aldus de moeder.
Het advies van de raad
5.4
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd om de bestreden beschikking te bekrachtigen. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat zij voorspelbaarheid, continuïteit en emotionele veiligheid in haar opvoeding ervaart. De raad ziet dat de vader grote uitdagingen heeft in zijn leven en dat het hem op dit moment niet lukt om zijn belangen te laten aansluiten bij de belangen van [minderjarige] . Van de vader mag worden verwacht dat hij actief handelt op basis van de informatie die hij van de moeder ontvangt. De raad heeft (nog) onvoldoende gezien dat de vader dit doet.
De beoordeling door het hof
Gezag
5.5
Aan de orde is de vraag of het gezamenlijk gezag van de ouders moet worden beëindigd en de moeder alleen met het gezag over [minderjarige] wordt belast. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is, in die zin dat de moeder voortaan alleen met het gezag over [minderjarige] wordt belast. Daartoe overweegt het hof als volgt.
5.6
Het hof stelt voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is van de wetgever. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening, waarbij zij (belangrijke) beslissingen over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Ook dienen ouders samen in staat te zijn om vooraf afspraken te kunnen maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen.
Het hof is gebleken dat de ouders een moeizame verstandhouding hebben en dat zij niet of nauwelijks met elkaar communiceren. De vader is al een aantal jaar niet meer betrokken in het leven van [minderjarige] . De vader geeft aan dat hij, met ondersteuning van professionele hulpverlening, met zichzelf aan de slag wil met als doel contactherstel met [minderjarige] . Op dit moment is er echter geen contact en is de vader al lange tijd niet meer betrokken in het leven van [minderjarige] . Verder heeft de vader verscheidene keren zijn toestemming voor gezagsbeslissingen geweigerd. Zo heeft hij in 2023 zijn toestemming geweigerd voor de aanvraag van een paspoort voor [minderjarige] en in 2024 zijn toestemming geweigerd voor een vakantie van de moeder met [minderjarige] naar het buitenland. Gebleken is dat de moeder haar best heeft gedaan om toestemming van de vader te krijgen maar dat de vader, vanuit zijn frustratie richting de moeder, zijn toestemming weigerde. De moeder is tweemaal een procedure bij de rechtbank gestart voor vervangende toestemming, welke zij heeft verkregen. De vader heeft hiermee onvoldoende oog gehad voor de negatieve gevolgen die het weigeren van toestemming heeft gehad voor zowel [minderjarige] als de moeder. Het hof kan zich voorstellen dat het niet adequaat kunnen nemen van gezagsbeslissingen stress opleverde bij de moeder. De moeder dient als verzorgende ouder van [minderjarige] in staat te zijn om zonder (onnodige) vertraging of mentale belasting gezagsbeslissingen te kunnen nemen. Gelet op het feit dat de ouders al geruime tijd geen contact hebben en gezien de mentale problemen van de vader, acht het hof het onwaarschijnlijk dat de ouders binnen afzienbare tijd voldoende in staat zullen zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Concluderend is het hof van oordeel dat wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Het hof wijst het verzoek van de vader af en bekrachtigt de bestreden beschikking ten aanzien van het gezag.
5.7
Evenals de raad kan het hof zich voorstellen dat de beëindiging van zijn gezag voor de vader voelt alsof hij (een deel van) zijn vaderrol kwijtraakt. Het hof benadrukt echter dat de beëindiging van zijn gezag los staat van de mogelijkheid voor de vader om contact met [minderjarige] te zoeken, bijvoorbeeld door haar met enige regelmaat een kaartje te sturen.
Proceskostenveroordeling
5.8
Ten aanzien van de proceskosten verzoekt de moeder de vader te veroordelen in de door haar gemaakte kosten aan eigen bijdrage in hoger beroep, omdat haars inziens het hoger beroep nodeloos door de vader is ingesteld. Ter zitting heeft de advocaat van de vader aangevoerd dat de moeder in eerste aanleg de procedure is gestart om het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te verkrijgen. De vader komt het recht toe om in hoger beroep te komen van de bestreden beschikking.
5.9
Het hof stelt voorop dat het partijen vrijstaat om hoger beroep in te stellen wanneer zij het oneens zijn met de gewezen beschikking van de rechtbank. In zaken waarin partijen in een familierelatie staan of hebben gestaan kunnen de proceskosten worden gecompenseerd en is dit veelal het uitgangspunt. Gelet op de aard van deze procedure ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt. Het verzoek van de moeder tot veroordeling van de vader in de door haar gemaakte proceskosten aan eigen bijdrage in hoger beroep zal daarom worden afgewezen.
5.1
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af;
compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het openbaar register.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. J.M. van Baardewijk en mr. A.R. van Wieren, in tegenwoordigheid van L.C. Evers als griffier en is op 12 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.