Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1306

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.360.366/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:451 BWArt. 1:461 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ontslag moeder als mentor en benoeming professionele mentor voor betrokkene

De zaak betreft het hoger beroep van de moeder van betrokkene tegen de beschikking van de kantonrechter die haar ontsloeg als mentor en een professionele mentor benoemde. Betrokkene heeft een cognitieve ontwikkelingsstoornis en complexe psychiatrische en fysieke problematiek, en verblijft in een zorginstelling.

De moeder stelt dat haar ontslag onterecht is omdat de grondslag, een conflict met de Stichting, is weggevallen en zij een belangrijke rol vervult vanwege haar kennis van betrokkene. De Stichting betoogt dat de communicatie tussen mentoren en zorgverleners ernstig verstoord was, wat de zorg voor betrokkene in gevaar bracht, en dat betrokkene zelf niet wenst dat zijn moeder mentor is.

Het hof oordeelt dat het ontslag terecht is vanwege de ernstige communicatieproblemen en het belang van betrokkene bij rust en stabiliteit. De moeder kan het mentorschap niet op een wijze uitoefenen die in het belang van betrokkene is, mede omdat betrokkene haar niet als mentor wenst. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de kantonrechter en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het ontslag van de moeder als mentor en benoemt een professionele mentor vanwege het belang van betrokkene.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.366/01
zaaknummer rechtbank: 11531771 | BZ VERZ 25-401 MV ZK
beschikking van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. C.A.F. Visser te Wormerveer,
en
[de stichting] ,locatie [X] ,
gevestigd te [vestigingsplaats]
hierna: de Stichting,
advocaat: mr. A.C. de Die
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [betrokkene ] (hierna: (de) betrokkene),
- [de vader] (hierna: de vader van (de) betrokkene),
- [de broer] (hierna: de broer van (de) betrokkene),
- VAO-Bewind B.V. (hierna: de mentor of VAO-Bewind), en
- Beaufin B.V (hierna: Beaufin).

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de vraag of de moeder van de betrokkene door het hof opnieuw als zijn mentor moet worden benoemd. De kantonrechter heeft de moeder en Beaufin ontslagen als mentoren en VAO-bewind benoemd als mentor. De moeder is het daar niet mee eens en vindt dat zij als (mede)mentor van betrokkene moet worden benoemd. De Stichting is het wel eens met de bestreden beschikking. Het hof laat de beschikking van de kantonrechter in stand en legt hierna uit waarom.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 15 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
29 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad (hierna: de kantonrechter).
2. 2 De Stichting heeft op 19 december 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 29 oktober 2025, met bijlagen (procesdossier eerste aanleg);
- een bericht van de zijde van de mentor van 19 december 2025;
- een bericht van de zijde van de moeder van 26 februari 2026 met bijlagen.
2.4
De zitting heeft op 11 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de broer van betrokkene,
- [de oma] , de oma van moederszijde van betrokkene,
- [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] namens de Stichting, bijgestaan door mr. M.F. van der Mersch waarnemend voor en kantoorgenoot van mr. A.C. de Die, en
- [naam 4] namens VAO-Bewind.
De advocaat van de moeder en de advocaat van de Stichting hebben op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
Verzoekster in hoger beroep is de moeder van betrokkene. Betrokkene heeft een genetische afwijking waardoor hij onder meer een cognitieve ontwikkelingsstoornis heeft. Ook kampt hij met complexe psychiatrische problematiek en fysieke problematiek. Hij verblijft, momenteel op basis van een rechterlijke machtiging, in een woonvoorziening.
3.2
Bij beschikking van 1 augustus 2016 heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van betrokkene met benoeming van [naam 5] te [plaats B] tot bewindvoerder. Bij beschikking van 10 mei 2019 heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam Beaufin B.V. benoemd tot opvolgend bewindvoerder.
3.3
Bij beschikking van 16 augustus 2021 heeft de kantonrechter ten behoeve van de betrokkene een mentorschap ingesteld, met benoeming van Beaufin B.V. tot mentor.
3.4
Bij beschikking van 6 maart 2023 heeft de kantonrechter de moeder tot medementor benoemd.
3.5
De betrokkene heeft van 8 januari 2024 tot 15 september 2025 bij de zorglocatie [X] van de Stichting verbleven. Hij is vervolgens overgeplaatst naar zorginstelling ’ [Y] , waar hij tijdelijk kon verblijven. Vanaf 20 februari 2026 verblijft betrokkene in [plaats C] bij de zorginstelling [Z] .
3.6
Bij de – in zoverre niet – bestreden beschikking is Beaufin eveneens ontslagen als mentor van betrokkene.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, op verzoek van de Stichting de moeder ontslagen als mentor van de betrokkene en VAO-Bewind tot opvolgend mentor van de betrokkene benoemd.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, dat zij opnieuw wordt benoemd tot mentor van betrokkene, dan wel tot medementor.
4.3
De Stichting verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:461, eerste lid aanhef en sub e en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de mentor door de kantonrechter ontslag kan worden verleend met ingang van een door deze te bepalen dag, hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om mentor te kunnen worden, zulks op verzoek van de medementor of degene die gerechtigd is mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 1:451, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.
De standpunten
5.2
De moeder vindt dat zij ten onrechte is ontslagen door de kantonrechter en wil dat zij door het hof opnieuw wordt benoemd tot (mede)mentor van betrokkene. De kantonrechter heeft haar mentorschap op basis van een conflict met de Stichting beëindigd. De betrokkene verblijft op dit moment niet meer bij de Stichting en de grondslag van haar ontslag is dus weggevallen. Bovendien waren de problemen in de samenwerking niet aan haar te wijten en betwist de moeder dat de communicatie tussen haar en de Stichting zodanig was verstoord dat haar ontslag noodzakelijk was. De moeder heeft haar rol als mentor altijd zorgvuldig uitgeoefend en er waren geen gewichtige redenen om haar te ontslaan. Het is in het belang van betrokkene dat de moeder weer als (mede)mentor benoemd wordt. Zij kent betrokkene immers al heel zijn leven en heeft veel kennis van zijn medische en sociale geschiedenis. De wet gaat ervan uit dat het benoemen van een familielid als mentor de voorkeur heeft. Bovendien zorgt de combinatie van een professionele mentor en een familielid als mentor voor een evenwichtige invulling van het mentorschap.
5.3
De Stichting is van mening dat de beschikking bekrachtigd moet worden. De communicatie tussen de mentoren en de zorgverleners verliep zodanig slecht dat de zorg voor betrokkene in het geding kwam. Zij zag geen andere mogelijkheid dan in het belang van betrokkene de kantonrechter te verzoeken de mentoren te ontslaan. Verder maakt de gecompliceerde relatie tussen de moeder en betrokkene het niet mogelijk dat de moeder de mentor van de betrokkene is. De betrokkene wil ook niet dat de moeder zijn mentor is. Op dit moment worden de belangen van de betrokkene op juiste wijze behartigd door een professionele mentor.
De beoordeling van het hof
5.4
Het hof is van oordeel dat de kantonrechter terecht en op goede gronden (naast Beaufin ook) de moeder heeft ontslagen als mentor en een (andere) professionele mentor heeft benoemd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de communicatie en samenwerking tussen de mentoren en de Stichting ernstig waren verstoord. Er bestonden wezenlijke verschillen van inzicht over de invulling van de zorg voor betrokkene. De complexiteit van de problematiek van betrokkene in combinatie met de verschillen van inzicht over de in het belang van de betrokkene te nemen beslissingen hebben ervoor gezorgd dat die belangen van betrokkene onder druk kwamen te staan. Belangrijke (zorg)beslissingen ten aanzien van betrokkene stagneerden. De mentoren hadden geen vertrouwen in de Stichting en hierdoor kon de lijn van de bij betrokkene betrokken professionals ten aanzien van diens behandeling niet worden doorgezet. Ook ontstond er telkens verwarring rondom de zoektocht naar een nieuwe zorginstelling. De Stichting zag hierdoor geen andere mogelijkheid dan het verzoek tot ontslag van de mentoren in te dienen.
Hoewel goed te begrijpen is dat de moeder zich zeer betrokken voelde en zich nog steeds zeer verbonden voelt bij de zorg voor betrokkene, heeft dit tot spanningen en onduidelijkheid geleid die niet in het belang van betrokkene zijn. Daarnaast is gebleken dat relatie tussen betrokkene en de moeder door hem, vanuit zijn ziektebeeld, als complex wordt ervaren, hij niet wil dat de moeder informatie over hem ontvangt en voorts dat betrokkene niet samen met zijn moeder in één ruimte wenst te zijn.
Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter gelet op het bovenstaande terecht overwogen dat er gewichtige redenen waren die het ontslag van de moeder als mentor rechtvaardigden en dat een (nieuwe) professionele mentor beter in staat is om in goed overleg en in samenwerking met hulpverleners beslissingen te nemen die in het belang van betrokkene zijn.
5.5
Het hof is van oordeel dat deze gewichtige redenen ook nu nog gelden. Hoewel betrokkene niet langer bij de Stichting verblijft acht het hof gelet op de ernst van de bovenomschreven problematiek het van belang dat in de komende periode rust en stabiliteit blijven gewaarborgd en dat nieuwe communicatieproblemen tussen zorgverleners en de mentor(en) worden voorkomen. Daarnaast geldt dat uit de stukken en uit wat ter zitting in hoger beroep is besproken is gebleken dat betrokkene uitdrukkelijk, ook bij de huidige mentor, heeft aangegeven de moeder niet als zijn mentor te wensen. Dat betekent dat de wettelijke voorkeur tot benoeming van de moeder tot mentor hier niet kan worden gevolgd. Verder is gebleken dat de onder 5.4 beschreven door betrokkene vanuit zijn ziektebeeld ervaren problematiek tussen hem en de moeder nog altijd speelt. Deze feitelijke situatie maakt dat de moeder het mentorschap niet kan uitoefenen op een wijze die in het belang van betrokkene is. Hoe invoelbaar de wens van de moeder ook is, zij is op dit moment niet de aangewezen persoon om het (mede)mentorschap te vervullen.
Het hof heeft er van afgezien om betrokkene te horen, omdat dit niet zinvol zal zijn. Op zitting hebben meerdere belanghebbenden aangegeven het hier mee eens te zijn.
5.6
Ten slotte geeft het hof de huidige mentor in overweging zich, zoals ter zitting besproken, in te spannen de informatievoorziening naar de moeder te verbeteren, zodat zij voor zover mogelijk haar rol als moeder kan vervullen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad, van 29 juli 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. A.V.T. de Bie en mr. S. van Gestel, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Tolman als griffier en is op 12 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.