Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1309

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.359.977/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:377b BWArt. 1:253c BWArt. 8 EVRMArt. 7 lid 1 Verordening Brussel II-ter (EU 2019/1111)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gezamenlijk gezag en omgangsregeling vader met minderjarige wegens belangen kind

De zaak betreft het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag en een omgangsregeling met zijn driejarige dochter, die sinds september 2022 in Nederland woont terwijl hij op Sint Maarten verblijft. De rechtbank had het verzoek van de vader afgewezen en het omgangsrecht ontzegd totdat begeleide omgang mogelijk is, met een informatieregeling voor de vader.

In hoger beroep bevestigt het hof dat gezamenlijk gezag niet toewijsbaar is vanwege het onaanvaardbare risico dat de minderjarige klem of verloren raakt tussen de ouders, die geen communicatie hebben en een gespannen relatie onderhouden. Ook wijst het hof het verzoek tot omgang af, omdat de omgang eerst rustig en begeleid moet worden opgebouwd, wat nu niet mogelijk is door de afstand en het ontbreken van professionele begeleiding.

Wel wordt de informatieregeling uitgebreid: de moeder moet de vader voortaan eens per drie maanden een korte video van de minderjarige sturen, naast de bestaande maandelijkse informatie en foto's. De moeder moet deze informatie naar het door de vader opgegeven e-mailadres sturen. Het hof benadrukt het belang van het kind om te weten wie haar vader is en adviseert de moeder om dit met professionele hulp bespreekbaar te maken.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot gezamenlijk gezag en omgang af en breidt de informatieregeling uit met kwartaalvideo's.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.359.977/01
zaaknummer rechtbank: C/15/361368 / FA RK 25-419
beschikking van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] , Sint Maarten,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. T.M. Coppes te Aerdenhout,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. R. Bottenheft te Velsen-Zuid.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over het gezag over [minderjarige] (3 jaar), de omgang tussen de vader en [minderjarige] en de wijze waarop de moeder de vader over [minderjarige] moet informeren.
De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft in een beschikking van 14 juli 2025 het verzoek van de vader om de ouders gezamenlijk te belasten met gezag over [minderjarige] afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling afgewezen en hem het recht op omgang met [minderjarige] ontzegd. Verder heeft de rechtbank een informatieregeling vastgesteld.
1.2
De vader is het daarmee niet eens en vindt dat de ouders gezamenlijk het gezag over [minderjarige] moeten uitoefenen. Verder wil de vader dat een omgangsregeling wordt vastgesteld en dat de informatieregeling wordt uitgebreid.
1.3
Het hof zal de beschikking van de rechtbank ten aanzien van het gezag en de omgang bekrachtigen en de informatieregeling uitbreiden. Hierna legt het hof uit hoe tot deze beslissingen is gekomen.
2. De procedure in hoger beroep
2.1
De vader is op 2 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van
14 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 25 november 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de moeder van 16 februari 2026 met bijlagen;
- een bericht van de vader van 19 februari 2026 met bijlage, en
- een bericht van de moeder van 25 februari 2026 met bijlage.
2.4
De zitting heeft op 26 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, die deelnam via een videoverbinding, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Engelse taal;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw L. Varkevisser.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2022 te Sint Maarten. De ouders hebben tot januari 2023 een relatie met elkaar gehad. De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder oefent alleen het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
De moeder en [minderjarige] zijn in september 2022 in Nederland gaan wonen. De vader is achtergebleven op Sint Maarten en woont daar tot op heden.
3.3
Omdat het de vader niet lukte om in contact te komen met de moeder en [minderjarige] is hij een kort geding gestart, dat heeft geleid tot een vonnis van 19 september 2024 waarbij de voorzieningenrechter heeft bepaald dat de vader op donderdag 26 september 2024 en op donderdag 3 oktober 2024 twee uur onder begeleiding van de grootouders aan moederszijde contact zal hebben met [minderjarige] .
3.4
Na 3 oktober 2024 heeft de vader [minderjarige] niet meer gezien.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, het verzoek van de vader om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [minderjarige] afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling afgewezen en hem het recht op omgang met [minderjarige] ontzegd, totdat de omgang begeleid plaatsvindt. De rechtbank heeft verder een informatieregeling vastgesteld die inhoudt dat de moeder de vader maandelijks via e-mail op de hoogte moet stellen van gewichtige aangelegenheden met betrekking tot [minderjarige] , en daarbij een recente foto van [minderjarige] moet toezenden.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, dat primair
I. er een omgangsregeling zal gelden, waarbij de vader [minderjarige] de eerste keer zal zien via een opbouwregeling zijnde als volgt:
- tweede dag (na aankomst van de vader in Nederland) 2 uur overdag, door de moeder te bepalen gezien het ritme van [minderjarige] ;
- derde dag: 3 uur;
- vierde dag: 4 uur;
- vijfde dag: 5 uur;
- zesde dag: geen;
- zevende dag: hele dag vanaf 09.00 uur tot 17.00 uur;
- achtste dag: hele dag vanaf 09.00 uur tot 17.00 uur;
- negende t/m laatste dag (voor vertrek van de vader): hele dag vanaf 9:00 uur tot 18:30 zodat de vader ook met [minderjarige] kan eten;
II. er na de eerste keer een omgangsregeling zal gelden waarbij de vader [minderjarige] 4 x per jaar twee weken kan zien, waarvan 2 keer in Nederland en 2 keer in het buitenland, waarbij rekening zal worden gehouden met de vakanties zodra [minderjarige] naar de basisschool gaat. 1 keer per jaar zal deze periode van 2 weken gelden voor dan wel de Kerstweek, dan wel de week van oud/nieuw;
III. in de tijd dat er geen fysiek contact is de vader [minderjarige] 2 keer per week zal (video) bellen;
IV. de vader samen met de moeder het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige]
zullen uitoefenen;
V. de moeder de vader tenminste één keer per 14 dagen een goed gelijkende foto en video van [minderjarige] zal sturen alsmede informatie over [minderjarige] welzijn, gezondheid, leven en bijzondere aangelegenheden die [minderjarige] betreffen, via het e-mailadres [e-mailadres] .
Subsidiair verzoekt de vader dat er begeleide omgang zal zijn, waarbij de moeder binnen twee weken na de door het hof te geven beschikking passende begeleiding zal regelen, bij gebreke waarvan het hof de vader toestaat dit te regelen en de moeder te verplichten haar medewerking te verlenen aan de door de vader geregelde hulpverlening, onder verbeurte van een dwangsom voor elke keer dat de moeder haar medewerking weigert, dan wel de raad verzoekt de begeleiding van de omgang te faciliteren/ de begeleidingsorganisatie te kiezen, waar de moeder zich aan dient te houden.
4.3
De moeder verzoekt het hof de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1
De vader heeft de Jamaicaanse nationaliteit. De moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De zaak heeft daardoor een internationaal karakter. Op grond van art. 7, lid 1 Verordening Brussel II-ter (Verordening EU 2019/1111) is de Nederlandse rechter, als rechter van de lidstaat waar [minderjarige] haar gewone verblijfplaats heeft, bevoegd. De rechtbank heeft het verzoek naar Nederlands recht beoordeeld. Daartegen is niet gegriefd, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
Omgang
Het wettelijk kader
5.2
Uit artikel 1:377a, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel het recht op omgang ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd.
Uit het derde lid volgt dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De standpunten
5.3
De vader is van mening dat de rechtbank ten onrechte geen omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] heeft vastgesteld. Hij stelt dat omgang in het belang van [minderjarige] is en dat zij het recht heeft haar vader te leren kennen. Hij beroept zich op de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). De vader wil een rol in het leven van [minderjarige] kunnen spelen en dat zij weet wie haar vader is. Tot nu toe zijn de contacten die [minderjarige] en de vader hebben gehad altijd positief geweest. Door te bepalen dat de vader geen omgang met [minderjarige] mag hebben totdat begeleide omgang plaatsvindt heeft de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met de afwijzende houding van de moeder. De moeder heeft er alles aan gedaan het contact tussen de vader en [minderjarige] tegen te gaan. Ook zal videocontact tussen de vader en [minderjarige] niet op gang komen zonder dat de moeder hiertoe wordt gedwongen. De rechtbank had de moeder moeten gelasten de noodzakelijke hulp of begeleiding in te schakelen. De moeder zal op vrijwillige basis geen stappen ondernemen om ervoor te zorgen dat er omgang tussen [minderjarige] en de vader wordt gerealiseerd.
De vader wil graag betrokken worden bij en inspraak hebben in het organiseren van de begeleide omgang. Dit om te voorkomen dat de hulpverlening een eenzijdig beeld van de situatie krijgt. Daarnaast wenst hij te benadrukken dat het beeld dat van hem wordt geschetst door de moeder, waarin hij wordt neergezet als dwingend en agressief, onjuist is.
5.4
De moeder vindt dat de rechtbank terecht de door de vader voorgestelde omgangsregeling heeft afgewezen en hem de omgang met [minderjarige] heeft ontzegd. De voorgestelde regeling is niet haalbaar en niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] kent haar vader nagenoeg niet en hij spreekt de Nederlandse taal niet of nauwelijks. Hij weet niet hoe hij [minderjarige] moet verzorgen en [minderjarige] toonde tijdens de omgangsmomenten weerstand jegens de vader. Twee keer per week videobellen is niet realistisch gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] . Bovendien heeft de moeder slechte ervaringen met videobellen in het verleden. De vader nam regelmatig niet op en belde terug op onmogelijke tijden. Verder verliepen de gesprekken op een vervelende manier. De moeder sluit zich aan bij het advies van de raad en stelt dat professionele begeleiding nodig is. Daarnaast heeft de vader een beperkt inkomen en woont hij op Sint Maarten, waardoor hij niet in staat zal zijn regelmatig naar Nederland te komen. Omgang in het buitenland is al helemaal niet haalbaar. De moeder betwist dat zij er alles aan doet of heeft gedaan om het contact tussen de vader en [minderjarige] tegen te gaan. Zij heeft aantoonbaar stappen gezet om de begeleide omgang te realiseren. Via het wijkteam heeft zij met verschillende instanties contact gehad. Omgangsbegeleiding is echter niet goed mogelijk omdat de vader niet in Nederland woont. Verder merkt de moeder op dat zij de vader in hun relatie als zeer dwingend heeft ervaren en nu opnieuw ervaart dat hij controle over haar wil uitoefenen. De hulpverlening kan haar niet gedwongen worden opgelegd en is alleen zinvol als partijen vrijwillig deelnemen.
5.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep herhaald dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] rustig opgebouwd dient te worden in aanwezigheid van een professionele begeleider. De vader zal hiervoor tenminste vier keer per jaar naar Nederland moeten komen. [minderjarige] moet haar vader eerst via de begeleide omgang leren kennen en mogelijk kan vervolgens op termijn een regeling worden vastgesteld waarbij [minderjarige] en haar vader kunnen videobellen. De raad merkt hierbij op dat twee keer per week videobellen niet passend is bij de huidige leeftijd van [minderjarige] .
De raad heeft benadrukt dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij weet dat zij een vader in het buitenland heeft. Het is voor haar (identiteits)ontwikkeling belangrijk dat voor haar duidelijk is wie haar vader is. De moeder heeft een plicht [minderjarige] over haar vader in te lichten. Dat kan plaatsvinden met behulp van de Words and Pictures methode. Indien de moeder niet in staat is om dit zelf vorm te geven, kan de moeder hulp en advies vragen, bijvoorbeeld aan de gemeente of aan haar ouders.
De beoordeling door het hof
5.6
Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting in hoger beroep, is onder meer het volgende gebleken. Toen [minderjarige] 3 maanden oud was is de moeder met [minderjarige] van
Sint Maarten naar Nederland verhuisd. Nadat de vader in 2022 een korte periode bij de moeder en [minderjarige] in Nederland heeft verbleven, is hij, nadat de relatie tussen de ouders was verbroken, in januari 2023 terug naar Sint Maarten gegaan. Sindsdien heeft tussen [minderjarige] en de vader, afgezien van twee omgangsmomenten in 2024, geen fysieke omgang plaatsgevonden. Zowel de moeder als de opa en oma (mz) van [minderjarige] zijn op dit moment niet bereid de omgang tussen de vader en [minderjarige] te begeleiden. De moeder wil geen contact met de vader en tussen de partijen is op dit moment geen enkele vorm van communicatie. Tot op heden is professionele begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] niet van de grond gekomen.
5.7
Als uitgangspunt geldt dat een kind en een ouder recht hebben op omgang met elkaar. Het is voor een kind van groot belang om beide ouders te kennen en een goede band met hen te onderhouden. Het kan echter ook voorkomen dat een situatie ontstaat waarin het in strijd met zwaarwegende belangen van het kind is om een omgangsregeling vast te stellen. Van een dergelijke situatie is in deze zaak sprake.
Hiervoor acht het hof het volgende van belang. De vader heeft voorgesteld dat [minderjarige] na een eenmalige opbouwregeling in een periode van – naar het hof begrijpt – circa twee weken, twee keer per jaar twee weken in Nederland en twee keer per jaar twee weken in het buitenland bij de vader verblijft. [minderjarige] heeft de vader in de afgelopen jaren echter slechts een paar momenten kort gezien en is nog geen vier jaar oud. Zij kent haar vader nauwelijks. Hoewel het hof begrijpt dat de vader [minderjarige] graag een aantal keer per jaar twee weken bij zich wil hebben, zal de omgang tussen de vader en [minderjarige] eerst zorgvuldig moeten worden opgebouwd op een rustig tempo en op voor [minderjarige] voorspelbare wijze. Dat is niet het geval bij een regeling waarbij [minderjarige] de vader eerst in een korte periode dagelijks ziet en vervolgens lange(re) tijd niet. Bovendien zal (de opbouw van) de omgang moeten worden begeleid door een professionele hulpverleningsinstantie, gelet op de verstoorde relatie tussen de ouders. Een complicerende factor is het feit dat de vader op Sint Maarten woont en [minderjarige] in Nederland. Uit de door de moeder overgelegde stukken blijkt dat het vinden van een instantie die in zo’n situatie begeleiding kan verlenen, moeilijk is. Het hof is van oordeel dat voldoende is gebleken dat de moeder haar best heeft gedaan om een hulpverleningsinstantie te vinden. Ook de raad heeft ter zitting kenbaar gemaakt niet bekend te zijn met instanties die in deze situatie omgangsbegeleiding kunnen bieden.
Onder deze omstandigheden is het hof net als de rechtbank van oordeel dat geen omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] kan worden vastgesteld. Het verzoek van de vader ten aanzien van het vaststellen van een omgangsregeling zal daarom worden afgewezen. De bestreden beschikking waarbij het recht op omgang is ontzegd totdat deze begeleid plaatsvindt, zal in zoverre worden bekrachtigd.
5.8
Ook het verzoek om te bepalen dat in de tijd dat er geen fysiek contact is, de vader [minderjarige] twee keer per week zal (video)bellen, zal worden afgewezen. [minderjarige] is te jong om dergelijk contact aan te kunnen, mede in aanmerking genomen dat zij op dit moment nauwelijks weet wie haar vader is.
5.9
Het hof merkt op dat het voorgaande niet betekent dat in de toekomst geen omgang of contact kan plaatsvinden tussen de vader en [minderjarige] .
Zoals de raad heeft aangegeven is voor de (identiteits)ontwikkeling en het zelfbeeld van [minderjarige] van belang dat in haar opvoeding aandacht is en blijft voor haar vader. Als [minderjarige] ouder is, kan bijvoorbeeld via videobellen een vorm van contact tussen de vader en [minderjarige] plaatsvinden. Het is aan de moeder om, zo nodig met professionele hulp, het bestaan van haar vader bespreekbaar te houden met [minderjarige] . Zij moet de ruimte krijgen om nieuwsgierig naar hem te zijn en een eigen beeld van hem en zijn familie te kunnen en mogen vormen. Net als de raad adviseert het hof de moeder om de komende periode na te gaan wat [minderjarige] nodig heeft om zich zelfstandig een beeld te kunnen vormen van haar vader. Een eerste stap kan zijn op de kamer van [minderjarige] een foto van de vader neer te zetten.
5.1
Uit het voorgaande volgt dat in het onderhavige geval de inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro gerechtvaardigd is, omdat deze noodzakelijk is, en tevens evenredig aan het doel is. Het beroep van de vader op artikel 8 EVRM Pro faalt dus.
Gezag
Het wettelijk kader
5.11
Op grond van artikel 1:253c, eerste lid, BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag. Dit verzoek wordt op grond van het tweede lid van artikel 1:253c BW slechts afgewezen indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De standpunten
5.12
De vader is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat gezamenlijk gezag niet in het belang van [minderjarige] is, omdat er geen (goede) communicatie tussen de ouders is. De moeder houdt bewust communicatie af, zodat zij de vader uit het leven van [minderjarige] kan weren. Hij vindt dat de beslissing ten aanzien van het gezag had moeten worden aangehouden totdat uitvoering wordt gegeven aan begeleide omgang. Bovendien kunnen volgens de vader gesprekken tussen de ouders in het belang van [minderjarige] op gang worden gebracht.
5.13
De moeder is van mening dat de uitoefening van het gezamenlijk gezag ertoe zal leiden dat een situatie ontstaat waarin [minderjarige] klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders. Volgens de moeder is zowel tijdens als na de relatie sprake geweest van huiselijk geweld door de vader. Er is op dit moment geen communicatie tussen de ouders en zij ziet hiertoe ook geen mogelijkheden omdat zij de vader niet vertrouwt. Daarnaast vermoedt de moeder dat de vader zich niet meewerkend zal opstellen en dat er discussies zullen ontstaan over de uitvoering van het gezag. Ook woont de vader op Sint Maarten, waardoor hij niet altijd bereikbaar is, en vreest de moeder dat, indien de vader gezag heeft, het makkelijker voor hem wordt om vanuit
Sint Maarten zonder toestemming van de moeder met [minderjarige] te reizen.
5.14
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd het verzoek van de vader hem mede met het gezag te belasten, af te wijzen. Er is geen door beide ouders gedragen visie over hoe [minderjarige] moet opgroeien. De ouders communiceren niet met elkaar en de relatiegeschiedenis speelt tussen de ouders nog een grote rol. Daarnaast woont de vader op afstand en is er al een lange tijd geen contact tussen hem en [minderjarige] waardoor de vader geen inschatting kan maken welke keuzes in het belang van [minderjarige] zijn, aldus de raad.
De beoordeling door het hof
5.15
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat bij toewijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag het onaanvaardbaar grote risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen haar ouders. Hoewel in beginsel gezamenlijk gezag het uitgangspunt is, bestaat in dit geval geen basis voor een effectieve uitvoering van het gezamenlijk gezag.
Zoals hiervoor is overwogen woont de vader op Sint Maarten en wonen de moeder en [minderjarige] in Nederland. De dagelijkse zorg van [minderjarige] komt voor de rekening van de moeder. Sinds 2023 zijn de ouders uit elkaar en tussen de ouders is al jaren sprake van een gespannen relatie. Er is sprake van een wederzijds gebrek aan vertrouwen en op dit moment is er geen enkel contact tussen hen. Het hof deelt de visie van de raad dat de ouders niet in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijk gezagsuitoefening omdat iedere vorm van communicatie tussen hen ontbreekt. Tegen deze achtergrond concludeert het hof dat het voor de ouders niet mogelijk is om samen beslissingen te nemen over [minderjarige] en is niet de verwachting dat dit binnen afzienbare tijd anders zal zijn.
Daarbij komt dat [minderjarige] en de vader elkaar in de afgelopen jaren, op enkele omgangsmomenten na, nauwelijks hebben gezien. Hierdoor heeft de vader in de afgelopen jaren weinig zicht gehad op hoe [minderjarige] zich ontwikkelt. Dit heeft tot gevolg dat de vader niet kan bepalen welke beslissingen het belang van [minderjarige] zijn.
Het hof zal dan ook de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.
Informatie regeling
Het wettelijk kader
5.16
Artikel 1:377b, eerste lid BW bepaalt dat de ouder die met het gezag is belast, gehouden is de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Het tweede lid bepaalt dat de rechter op verzoek van een ouder – zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve – kan bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft, indien het belang van het kind dat vereist.
5.17
De vader wil meer informatie over [minderjarige] ontvangen. Hij vindt het belangrijk om bewegende beelden te ontvangen zodat hij beter kan volgen hoe het met haar gaat en hoe zij zich ontwikkelt. Ook begrijpt hij niet waarom de moeder de informatie niet naar een speciaal daarvoor bedoeld mailadres wil versturen.
5.18
De moeder vindt dat de huidige informatieregeling niet moet worden uitgebreid. De regeling vraagt op dit moment, gezien de relatiegeschiedenis, al veel van de moeder. De moeder wil geen bewegende beelden sturen omdat de vader eerder beelden heeft gedeeld met derden of heeft gedreigd dit te doen. Zij weet niet wie er toegang hebben tot het andere mailadres en wil de informatie daarom niet daarnaartoe versturen.
5.19
De raad heeft ter zitting in hoger beroep opgemerkt dat het begrijpelijk is dat de vader behoefte heeft aan bewegende beelden van [minderjarige] . Het ontvangen van informatie over [minderjarige] kan de vader ook helpen om bij [minderjarige] aan te sluiten op het moment dat wel uitvoering kan worden gegeven aan omgang. Het is met name van belang dat er duidelijke afspraken zijn tussen de ouders over wie toegang heeft tot de informatie en beelden van [minderjarige] , aldus de raad.
De beoordeling door het hof
5.2
Met de raad is het hof van oordeel dat juist in een situatie waarbij de vader geen omgang heeft met [minderjarige] , hij groot belang heeft bij een informatieregeling. Het is invoelbaar dat de vader op de hoogte wil worden gehouden van de ontwikkeling van [minderjarige] . Zo kan hij toch nog van haar leven op de hoogte blijven en in de toekomst beter bij haar aansluiten. Hoewel het hof de wens van de vader om vaker informatie te ontvangen begrijpt, is het hof van oordeel dat de maandelijkse regeling het best aansluit bij de belastbaarheid van de moeder. Het hof zal het verzoek van de vader om twee keer per maand informatie te ontvangen dan ook afwijzen. Het verzoek van de vader om bewegende beelden van [minderjarige] te ontvangen, wordt toegewezen, in die zin dat de moeder in aanvulling op de huidige informatieregeling de vader één keer in de drie maanden een korte video van [minderjarige] zal sturen. Om tegemoet te komen aan de angsten van de moeder is het voldoende dat in deze video alleen [minderjarige] zichtbaar zal zijn. Ook kan de video elders dan in de woning van de moeder worden gemaakt. De video is uitsluitend bedoeld voor de vader om de ontwikkeling van [minderjarige] te kunnen zien en dient niet op sociale media te worden geplaatst. Tot slot zal het hof bepalen dat de moeder de informatie dient te sturen naar het door de vader verzochte mailadres. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder haar bezwaren daartegen onvoldoende onderbouwd.
5.21
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van
14 juli 2025;
bepaalt in aanvulling op de door de rechtbank bepaalde informatieregeling dat de moeder de vader een keer in de drie maanden een korte video van [minderjarige] aan de vader zal verstrekken en dat de moeder deze informatie, foto’s en video’s zal sturen naar het door de vader voorgestelde e-mailadres [e-mailadres] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Schenkeveld, mr. A.N. van de Beek en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 12 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.