Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1342

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
25/78 en 25/79
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 22 Wet WOZArt. 30a Wet WOZArt. 8:42 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep WOZ-waarden woningen en vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn

Belanghebbende is eigenaar van drie historische woningen uit 1899 in [Y]. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarden voor het jaar 2021 vast op respectievelijk € 650.000, € 638.000 en € 627.000. Belanghebbende betwistte deze waarden en vorderde een verlaging. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en kende een beperkte immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

In hoger beroep bevestigt het Hof de waardering van de woningen. De gebruikte vergelijkingsmethode met referentiewoningen met dakterrassen en de correctie van € 500 per m² voor buitenruimten zijn volgens het Hof voldoende onderbouwd. De WOZ-waarden zijn niet te hoog vastgesteld. Wel oordeelt het Hof dat de rechtbank ten onrechte de immateriële schadevergoeding heeft beperkt vanwege een vermeende vertraging door een niet-onderbouwd beroep op betalingsonmacht griffierecht.

Het Hof stelt vast dat de totale duur van de procedure ruim drie jaar bedroeg, wat een overschrijding van de redelijke termijn betekent. De immateriële schadevergoeding wordt daarom verhoogd tot € 2.000, waarvan € 476 voor de heffingsambtenaar en € 1.524 voor de Staat. Daarnaast worden proceskosten en griffierecht deels vergoed. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover het de schadevergoeding betreft.

Uitkomst: WOZ-waarden bevestigd, immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn verhoogd tot € 2.000.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 25/78 en 25/79
30 april 2026
uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] ,gevestigd te [Y] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels)
tegen de uitspraak van 22 november 2024 in de zaken met kenmerken AMS 22/783 en 22/6055 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [Y], de heffingsambtenaar,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat, inzake het verzoek van belanghebbende tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen met dagtekening 28 februari 2021 op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarden (hierna: de WOZ-waarden) van de onroerende zaken aan de adressen [straat] 11 2, [straat] 11 3 en [straat] 13 (=1e verdieping), alle gelegen te [Y] , voor het kalenderjaar 2021 naar waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op respectievelijk
€ 650.000, € 638.000 en € 627.000. In hetzelfde geschrift zijn de aanslagen onroerendezaakbelasting 2021 bekendgemaakt.
1.2.
Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 28 januari 2022 heeft de heffingsambtenaar de beschikkingen gehandhaafd.
1.3.
De rechtbank heeft als volgt op het beroep tegen de uitspraken op bezwaar beslist (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘ [X] ’):
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een schadevergoeding aan [X] tot een bedrag van € 454,55;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding aan [X] voor proceskosten en griffierecht tot een bedrag van € 474,37;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan [X] tot een bedrag van € 545,45;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding aan [X] voor proceskosten en griffierecht tot een bedrag van € 474,38.”
1.4.
Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 24 december 2024. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft diverse aanvullende stukken ingediend waaronder een
e-mail van 9 maart 2026, ontvangen per post op 11 maart 2026 (ter onderbouwing van het zijn van ‘een bijzonder geval’ in de zin van artikel 30a Wet WOZ), en een e-mail van
12 maart 2026, ontvangen per post op 16 maart 2026, met onder meer acht met behulp van AI gegenereerde grieven.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de objecten (drie woningen). De woningen betreffen twee historische bovenwoningen en een historische benedenwoning uit 1899 met een oppervlakte van respectievelijk 90 m², 88 m² en 81 m². De benedenwoning ( [straat] 13) beschikt over een zolder en een berging.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft in eerste aanleg onder meer taxatieverslagen en taxatiematrices overgelegd waarin is vergeleken met drie historische bovenwoningen met een dakterras.

3.Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is, evenals in beroep, in geschil of de WOZ-waarden van de objecten te hoog zijn vastgesteld. Daarnaast is de hoogte van de door de rechtbank toegekende vergoeding van immateriële schade in geschil.

4.Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

Beroep op betalingsonmacht griffierecht
1. [X] heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan voor de betaling van het griffierecht. Dat beroep wordt afgewezen omdat het niet is onderbouwd, ook niet nadat [X] daartoe de gelegenheid is gegeven. Het griffierecht is in beide zaken betaald.
Toetsingskader
2. Artikel 17 van Pro de Wet WOZ bepaalt kort gezegd dat de waarde van een onroerende zaak de prijs is die men zou kunnen verwachten bij volledige verkoop onder de meest gunstige omstandigheden en voorwaarden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat de vastgestelde waarde niet hoger is dan de marktwaarde op de waardepeildatum 1 januari 2020. Daarbij zijn niet alleen de bewijsmiddelen van de heffingsambtenaar van belang, maar ook wat [X] daartegen heeft ingebracht.
3. De waarde van iedere bovenwoning is bepaald met de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
4. Bij de beoordeling van een voor de woning vastgestelde waarde hanteert de rechtbank twee uitgangspunten:
- De waarde van de bovenwoning in zijn geheel staat centraal. De waardes van de afzonderlijke onderdelen dienen enkel als hulpmiddel om een goed beeld te krijgen van de totale waarde.
- Bij het ontbreken van een recente verkoopprijs van de woning op of rond de peildatum, wordt de waarde geschat door middel van een taxatie. Deze taxatie is geen exacte berekening, maar eerder een inschatting gebaseerd op verkoopgegevens van vergelijkbare woningen. Het is dus geen kwestie van simpelweg een formule toepassen.
De WOZ-waarde
5. In deze zaken gaat het om de waarde van drie omstreeks 1899 gebouwde karakteristiek historische bovenwoningen in [Y] ( [plaats 1] ). [X] is eigenaar van de woningen.
6. In geschil is of de WOZ-waarde van deze woningen te hoog is vastgesteld. [X] bepleit een waarde voor de woningen van € 599.000,- € 588.000,- en € 559.000,-.. De heffingsambtenaar handhaaft voor elke woning de vastgestelde waarde zoals hiervoor op pagina 1 in de tabel is vermeld.
7. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woningen onderbouwd met de door hem in geding gebrachte waarderingsmatrices, diverse taxatiestukken en de daarop ter zitting door hem en de taxateur gegeven toelichting. De gebruikte vergelijkingsobjecten komen qua bouwkenmerken, ligging en uitstraling zeer goed overeen met de woningen in kwestie. Ze bevinden zich in dezelfde of een aanpalende buurt. In de waarderingsmatrix heeft de heffingsambtenaar voldoende aandacht besteed aan de onderlinge verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, waarvan marktgegevens van rondom de waardepeildatum beschikbaar waren. Aan de dakterrassen van de vergelijkingsobjecten zijn afzonderlijke waarden toegekend (€ 500,- per m²), waarmee de transactieprijzen zijn gecorrigeerd, omdat de woningen van [X] die niet hebben. Ook zijn de verkoopprijzen van de referentiewoningen geïndexeerd naar de waardepeildatum.
8. Namens [X] is gesteld dat de vergelijkingsobjecten op zichzelf goed bruikbaar zijn. Uit de overgelegde informatie blijkt echter dat de vergelijkingsobjecten beschikken over een dakterras en dat de heffingsambtenaar uitgaat van een veel te lage waarde daarvoor. Dat moet geen € 500,-/m² zijn, maar minstens het dubbele want dakterrassen zijn ‘goud waard’ in [Y] .
9. De heffingsambtenaar bestrijdt deze stellingen van [X] . Voor de dakterrassen wordt zoals gebruikelijk gerekend met een vaste prijs per m² voor dit onderdeel van € 500,-. Ook bij een hogere m²-prijs voor deze dakterrassen zou de waarde van de woningen niet te hoog zijn.
10. De heffingsambtenaar heeft het gelijk aan zijn zijde. De waarde van een dakterras is berekend aan de hand van standaardprijzen op basis van een permanente marktanalyse (Pma). Die waarde is aldus met € 500,- per m² niet onderschat. Verder is - zie ook hiervoor onder 4. - niet de waarde van ieder onderdeel van een object afzonderlijk bepalend, want doorslaggevend is de waarde van het object als geheel. Een dakterras is een onderdeel van een woning en heeft geen afzonderlijke marktwaarde. [noot 1 rechtbank: Vergelijk de uitspraak van gerechtshof Amsterdam van 23 november 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3540]
De rechtbank vindt dat de heffingsambtenaar in voldoende mate rekening heeft gehouden met het dakterras van de vergelijkingsobjecten door de transactieprijs van deze objecten te corrigeren met € 500,- per m², zoals volgt uit de Pma. [X] heeft geen argumenten aangedragen die een hoger correctiebedrag rechtvaardigt.
11. De bij beschikking vastgestelde waarden van de woningen verhouden zich volgens de rechtbank goed tot de verkoopprijzen en de kenmerken van de vergelijkingsobjecten en zijn niet te hoog. Immers, de (gecorrigeerde) gemiddelde m²-prijs van de onderbouwende vergelijkingsobjecten zijn hoger dan de (gecorrigeerde) m²-prijs die voor de waarde van de woningen in aanmerking is genomen.
12. [X] heeft zijn stelling dat de vastgestelde waarden moeten worden verlaagd niet onderbouwd. Die stelling wordt daarom verworpen.
13. De heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat hij de waarde van de woningen voor het belastingjaar 2021 niet te hoog heeft vastgesteld. Het beroep is in beide zaken ongegrond.
Immateriële schadevergoeding
14. [X] heeft aan de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Grondwet. In dit kader merkt de rechtbank de Staat als partij in dit geding aan. Op grond van een beleidsregel van de minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig om de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.
15. Bij de beoordeling van het verzoek gaat de rechtbank uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. Een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep gezamenlijk is, behoudens bijzondere omstandigheden, twee jaar na het indienen van het bezwaarschrift, waarbij de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar is gesteld op zes maanden en voor de behandeling van het beroep op anderhalf jaar. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend (3 maart 2021) en loopt door tot de datum van de uitspraak van de rechtbank (22 november 2024).
16. De rechtbank ziet in het op 17 maart 2022 van de gemachtigde van [X] ontvangen beroep op betalingsonmacht voor de betaling van het griffierecht (hierna: bobog) wel aanleiding om de redelijke termijn te verlengen op gelijke gronden als een aantal andere rechtbanken en gerechtshoven heeft gedaan. Hiervoor is van belang dat de gemachtigde geruime tijd standaard in iedere zaak een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan. Hoewel dit in naam ten behoeve van de belanghebbende werd gedaan, ging het feitelijk om de bedrijfsvoering van de gemachtigde zelf. Zoals de gemachtigde bekend is, gaat het echter niet om de vraag of zijn bv het griffierecht kan betalen, maar of de belanghebbende daartoe in staat is. Niettemin is de gemachtigde in staat gesteld het verzoek aan te vullen. Hij heeft vervolgens niet aan het verzoek van de rechtbank voldaan om gegevens over het inkomen en vermogen over te leggen, wat voor de rechtbank een bevestiging is dat het in feite niet ging om betalingsonmacht van belanghebbende. Dit levert echter wel (onnodige) vertraging van de procedure op. Op 16 februari 2023 is aan de gemachtigde van [X] schriftelijk te kennen gegeven dat de standaard niet-onderbouwde bobog-verzoeken niet langer worden beoordeeld. Daarmee is de vertraging beëindigd die door deze stroom verzoeken werd veroorzaakt. De vertraging in deze zaken is daardoor beperkt tot afgerond tien maanden. Zolang het griffierecht niet is voldaan, ligt de procedure namelijk stil, zoals de gemachtigde bekend is. Sterker nog: daar is de gemachtigde in feite ook op uit, omdat hij uitstel beoogt voor de betaling van het griffierecht. Deze vertraging is daarom aan de gemachtigde toe te rekenen. In het feit dat sprake is van een kansloos beroep op betalingsonmacht ziet de rechtbank een bijzondere omstandigheid die louter heeft geleid tot nodeloze vertraging. De redelijke termijn wordt daarom verlengd met tien maanden en bedraagt dus twee jaar en tien maanden.
17. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift op 3 maart 2021 ontvangen, zodat bij het doen van deze uitspraak de redelijke termijn is overschreden met afgerond elf maanden. Wat betreft de hoogte van de schadevergoeding is de vergoedingsnorm € 500,- per (afgerond) half jaar overschrijding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [X] dan ook recht op een schadevergoeding van (2 x € 500,- =) € 1.000,‑. Omdat de bezwaartermijn is overschreden met afgerond vijf maanden zal de rechtbank de heffingsambtenaar veroordelen tot het betalen van (5/11 x € 1.000,- =) € 454,55 aan [X] als vergoeding van door haar geleden immateriële schade. Het restant van de schadevergoeding ad € 545,45 moet aan [X] worden betaald door de Staat.
Proceskosten en griffierecht
18. De rechtbank ziet in verband met de toewijzing van het verzoek om schadevergoeding aanleiding om de heffingsambtenaar en de Staat te veroordelen in de kosten die [X] in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij gaat de rechtbank uit van twee samenhangende zaken, als bedoeld in artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze kosten van rechtsbijstand zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op een bedrag van € 218,75 (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak).4 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)
19. Voor gevallen waarin de rechter het beroep ongegrond acht, maar hij wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekent, is er geen reden om het griffierecht te vergoeden volgens de uitspraak van de Hoge Raad van 31 mei 2024.5 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/) Deze wijziging in de jurisprudentie geldt volgens deze uitspraak echter niet voor zaken zoals deze, waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan 31 mei 2024 om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn vóór die datum is overschreden. Dit overgangsrecht betekent in dit geval dat [X] wél recht heeft op vergoeding van het door haar betaalde griffierecht van (2 x € 365,- =) € 730,-.
20. Het totaal aan te vergoeden proceskosten en griffierecht is dus (€ 218,75 + € 730,- =) € 948,75. De rechtbank ziet aanleiding om de heffingsambtenaar en de Staat ieder bij helfte te veroordelen tot betaling van deze vergoedingen.
21. De rechtbank wijst de heffingsambtenaar en de Staat erop dat zij op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en immateriële schadevergoeding uitsluitend mogen uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van [X] . Dat volgt uit artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, waarvoor geen overgangsrecht geldt.”

5.Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Wijze van procederen
5.1.
De wijze waarop de gemachtigde van belanghebbende procedeert is in strijd met hetgeen van een beroepsmatig optredende rechtshulpverlener mag worden verwacht. Van deze gemachtigde, die zeer veel procedeert, mag worden verwacht en verlangd dat hij in de van hem afkomstige stukken duidelijk en tijdig aangeeft wat zijn grieven zijn tegen de aangevallen beslissing en op welke feiten die grieven zijn gebaseerd. De door de gemachtigde ingezonden stukken voldoen niet aan die norm. Wat steeds weer opvalt is dat de gemachtigde de wederpartij in alle fasen van het geding overlaadt met niet ter zake doende stellingen en standpunten(zoals de bewering van belanghebbende in de door AI gegenereerde stukken dat de [straat] 13-1 een benedenwoning zou zijn, hetgeen niet het geval is, en de bewering dat de [straat] in [plaats 2] zou zijn gesitueerd, hetgeen ook niet het geval is). Daartussen bevinden zich dan soms – meest niet onderbouwde – opmerkingen die echter wel betrekking kunnen hebben op het geding.
De gemachtigde is hier al in eerdere procedures uitdrukkelijk op gewezen en hij heeft ter zitting van het Hof destijds verklaard zich daarvan bewust te zijn. Het Hof heeft echter moeten constateren dat de gemachtigde zich daarvan nauwelijks iets heeft aangetrokken en zijn wijze van procederen op oude voet continueert. Het Hof acht deze wijze van procederen in strijd met de goede procesorde en verbindt hieraan als consequentie dat hij bij zijn oordeelsvorming slechts ingaat op de argumenten van gemachtigde, voor zover zij tijdig en duidelijk in gedingstukken naar voren zijn gebracht.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
5.2.
Belanghebbende heeft in hoger beroep een reeks klachten van formele aard geformuleerd, voornamelijk bestaande uit in algemene bewoordingen gestelde verzoeken om het verkrijgen van gedingstukken. Het Hof stelt op grond van het dossier vast dat deze klachten feitelijke grondslag missen. Belanghebbende heeft alle op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen (zie 2.2).
5.3.
Voor zover belanghebbende met haar verzoek om overlegging van iWOZ-informatie heeft bedoeld te betogen dat sprake is van een schending van artikel 8:42 Awb Pro, wordt deze grief verworpen. Naar het Hof eerder heeft geoordeeld (vgl. Hof Amsterdam
20 januari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:310) is iWOZ-informatie geen op de zaak betrekking hebbend stuk indien, zoals in deze zaak, deze iWOZ-informatie niet is gebruikt bij de waardering.
Opbrengstlimiet
5.4.
Belanghebbende heeft in haar nadere stuk in hoger beroep met dagtekening
3 maart 2026 voor het eerst (in deze procedure) een beroep gedaan op de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3430. De betreffende passage bevat geen concrete grond of klacht, maar plaatst enkele algemene opmerkingen over de opbrengstlimiet. Onduidelijk is daarom of belanghebbende met het opnemen van deze passage poogt het geschil in hoger beroep uit te breiden tot de aanslagen rioolheffing (welke eveneens op het aanslagbiljet waren vermeld). Voor zover dit inderdaad de bedoeling van belanghebbende is gaat het Hof daarin niet mee. Tegen de aanslagen rioolheffing is namelijk geen bezwaar gemaakt en deze waren geen onderwerp van het geschil in beroep. De wet biedt niet de mogelijkheid voor het eerst in hoger beroep op te komen tegen die aanslagen. Het Hof kan de klachten van belanghebbenden over de aanslagen rioolheffing daarom niet tot het geschil rekenen en zal deze onbehandeld laten (vgl. Hof Amsterdam 16 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3469).
WOZ-waarden
5.5.1.
Het Hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissing van de rechtbank in r.o. 2 tot en met 13 en maakt de gronden waarop deze beslissing berust tot de zijne. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt het Hof voorts als volgt.
5.5.2.
In de overgelegde taxatiematrices ter onderbouwing van de waarden is onderkend dat de objecten niet beschikken over een buitenruimte. De referentiepanden daarentegen beschikken wel over een buitenruimte. De heffingsambtenaar heeft op de zitting van het Hof afdoende toegelicht en in voldoende mate onderbouwd hoe de vierkante meterprijs van een buitenruimte tot stand gekomen is met behulp van een permanente marktanalyse (deze analyse heeft betrekking op transacties met en zonder buitenruimte in [Y] ). In de herleiding van de woningwaarde per vierkante meter uit de transactiecijfers van die referentieobjecten is met de waarde-invloed van een buitenruimte – naar het oordeel van het Hof voldoende – rekening gehouden. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat zelfs wanneer wordt uitgegaan van een (veel) hogere waarde per vierkante meter voor een balkon/dakterras, dit maar een beperkte invloed heeft op de woningwaarde per vierkante meter van de referentiepanden, die dan nog steeds ruim hoger ligt dan de woningwaarde per vierkante meter voor de onroerende zaken. Ook dan bieden de transactiecijfers van die referentiepanden voldoende steun aan de door de heffingsambtenaar verdedigde waarde.
5.5.3.
Het Hof brengt verder in herinnering dat de WOZ-waardering een inschatting van de waarde van de woning als geheel is, die niet op grond van een wiskundige formule exact kan worden berekend. De heffingsambtenaar heeft, ook in het licht van hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de waarden van de woningen niet te hoog zijn vastgesteld.
Immateriële schade
5.6.1.
De klacht van belanghebbende tegen het oordeel van de rechtbank om de redelijke termijn met tien maanden te verlengen en daardoor een te lage vergoeding van immateriële schade toe te kennen slaagt wel. De rechtbank heeft de immateriële schade vanwege de te lange behandelduur niet volledig toegekend, op grond van de omstandigheid dat belanghebbende een beroep op betalingsonmacht griffierecht (bobog) heeft gedaan waardoor een verlenging van de termijn volgens de rechtbank gerechtvaardigd was door de nodeloze vertraging. Het Hof ziet hierin onvoldoende aanleiding om vanwege de aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid de redelijke termijn (met tien maanden) te verlengen. Uit het dossier van de rechtbank valt niet op te maken dat (alleen) de handelwijze van (de gemachtigde van) belanghebbende tot de opgelopen vertraging heeft geleid.
5.6.2.
Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar ontvangen op 3 maart 2021. De rechtbank deed uitspraak op 22 november 2024. Daarmee heeft de rechtsgang in eerste aanleg drie jaar en afgerond negen maanden geduurd. Daarmee is de redelijke termijn met een jaar en negen maanden overschreden. Daarbij hoort een schadevergoeding € 2.000. Het Hof zal 5 maanden van deze overschrijding aan de bezwaarfase toerekenen en 16 maanden aan de beroepsfase. Alsdan dient de heffingsambtenaar van het bedrag van € 2.000, (5/21 x
€ 2.000 =) € 476 te vergoeden en de Staat (16/ x € 2.000 =) € 1.524.
Slotsom
5.7.
De rechtbank heeft ten onrechte een te lage schadevergoeding toegekend. Het hoger beroep van belanghebbende is daarom gegrond.

6.Kosten

6.1.
Het Hof vindt aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van Pro de Awb in verbinding met artikel 8:108 van Pro die wet. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
6.2.
Voor de hoger beroepsfase vindt de kostenvergoeding alleen haar aanleiding in het in hoger beroep toegewezen verzoek tot een hogere vergoeding van immateriële schade. In de omstandigheid dat belanghebbende in hoger beroep slechts gedeeltelijk in het gelijk is gesteld op een formeel geschilpunt van ondergeschikt belang ziet het Hof aanleiding daarbij een gewichtsfactor 0,25 (zeer licht) toe te passen (vgl. Hoge Raad 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:862, r.o. 3.2.2). Voor het hoger beroep bedraagt de kostenvergoeding in beginsel € 467 [2 punten (hogerberoepschrift + zitting), een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 0,25].
Belanghebbendes gemachtigde heeft in hoger beroep, niet nader met stukken of anderszins afdoende, beargumenteerd dat hij een “bijzonder geval” is als bedoeld in r.o. 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Deze argumentatie biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat daarmee overtuigend is aangetoond dat voor de toepassing van artikel 30a Wet WOZ hier sprake is van een “bijzonder geval” als bedoeld in r.o. 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van
17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. Nu de bestreden besluiten (d.w.z. de WOZ-beschikkingen, zie HR 28 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:465, r.o. 2.2) in stand blijven dient het bedrag van € 467 aldus met een factor 0,10 vermenigvuldigd te worden. Dit leidt tot een kostenvergoeding in hoger beroep van € 46,70.
Zij komt voor de helft (€ 23,35) ten laste van de heffingsambtenaar en voor de andere helft ten laste van de Staat.
6.3.
Gelet op het gegronde hoger beroep heeft belanghebbende ook recht op teruggaaf van het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 559. Dit bedrag komt voor de helft (€ 279,50) ten laste van de heffingsambtenaar en voor de andere helft ten laste van de Staat.

7.Beslissing

Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch uitsluitend voor zover het de beslissing over het verzoek om schadevergoeding betreft;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot een vergoeding van immateriële schade van belanghebbende van € 476;
- veroordeelt de Staat tot een vergoeding van immateriële schade van belanghebbende van € 1.524;
- veroordeelt de heffingsambtenaar en de Staat in de proceskosten van belanghebbende, ieder tot een bedrag van € 23,35 en
- gelast de heffingsambtenaar en de Staat het voor het instellen van het hoger beroep door belanghebbende betaalde griffierecht aan haar te vergoeden, ieder tot een bedrag van € 279,50.
De uitspraak is gedaan door mr. M.J. Leijdekker, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 30 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: