ECLI:NL:GHAMS:2026:138

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
200.334.585/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:500 BWArt. 7:509 BWArt. 7:512 BWArt. 6:10 BWArt. 6:30 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof veroordeelt Transavia tot terugbetaling aan Prijsvrij wegens niet-uitgevoerde en niet-gebruikte vakantievluchten in coronaperiode

Prijsvrij en Sunmix, respectievelijk doorverkoper en organisator van pakketreizen, vorderden van Transavia vergoeding van bedragen die zij aan reizigers hadden terugbetaald voor vluchten die tijdens de coronapandemie niet werden uitgevoerd of waarvoor passagiers niet zijn verschenen. De rechtbank wees deze vorderingen af, maar het hof kwam tot een ander oordeel.

Het geschil betrof 785 vakantievluchten in de periode mei 2020 tot augustus 2021, waarin de Nederlandse overheid code-oranje reisadviezen had afgegeven vanwege de pandemie. Het hof oordeelde dat de pakketreisovereenkomsten op grond van artikel 7:509 BW Pro waren beëindigd wegens onvermijdbare en buitengewone omstandigheden, waardoor ook de vervoersovereenkomsten met Transavia waren geëindigd. Transavia moest daarom de betaalde ticketprijzen terugbetalen.

Van de 785 vluchten waren er 195 niet uitgevoerd, waarvoor Transavia geen tegenbewijs leverde. Voor de overige 590 vluchten waren passagiers niet verschenen (no-show). Het hof verwierp het verweer van Transavia dat de algemene vervoersvoorwaarden een volledige annuleringskostentoerekening rechtvaardigden, omdat het hier ging om beëindiging van de pakketreis en niet om een op zichzelf staande vlucht.

Prijsvrij had de restituties aan reizigers voldaan en had op grond van hoofdelijke verbondenheid regresrecht op Transavia. Het hof veroordeelde Transavia tot betaling van €296.174,84 plus wettelijke rente en kosten, en verklaarde het arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het Gerechtshof veroordeelt Transavia tot betaling van €296.174,84 aan Prijsvrij wegens restituties aan reizigers voor niet-uitgevoerde en niet-gebruikte vluchten tijdens de coronapandemie.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.334.585/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/332491 / HA ZA 22-607
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 januari 2026
in de zaak van

1.PRIJSVRIJ NL B.V.,

gevestigd te ’s-Hertogenbosch,
2.
SUNMIX INTERNATIONAL GMBH,
gevestigd te Zürich, Zwitserland,
appellanten,
advocaat: mr. K.J. Krzeminski te Amsterdam,
tegen

1.TRANSAVIA AIRLINES B.V.,

gevestigd te Haarlemmermeer, kantoorhoudende te Schiphol,
2.
TRANSAVIA AIRLINES C.V.,
gevestigd te Schiphol,
geïntimeerden,
advocaat: mr. R.G.J. de Haan te Amsterdam.
Appellanten worden hierna afzonderlijk Prijsvrij en Sunmix genoemd. Gezamenlijk worden zij Prijsvrij c.s. genoemd. Geïntimeerden worden Transavia genoemd.

1.De zaak in het kort

Prijsvrij en Sunmix, een doorverkoper en een organisator van pakketreizen, vorderen van Transavia vergoeding van bedragen die Prijsvrij aan reizigers heeft uitbetaald in verband met geboekte vluchten die in de corona-periode vielen. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Het hof komt tot een ander oordeel.

2.Het geding in hoger beroep

Prijsvrij c.s. zijn bij dagvaarding van 26 juli 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 7 juni 2023 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Prijsvrij c.s. als eiseressen en Transavia als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven met producties 42-57;
- memorie van antwoord met producties 14-15.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 24 maart 2025 laten toelichten door hun hiervoor genoemde advocaten, Prijsvrij c.s. mede door mr. A.G. Colenbrander, advocaat te Amsterdam, en Transavia mede door mrs. J.W. Snel en S.W.B. Weerkamp, beiden advocaat te Amsterdam. Aan beide zijden is gebruik gemaakt van overgelegde spreekaantekeningen. Bij deze gelegenheid hebben Prijsvrij c.s. nog aanvullende producties (58 en 59) overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Prijsvrij c.s. hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – de vorderingen van Prijsvrij c.s. alsnog zal toewijzen, Transavia zal veroordelen om al hetgeen Prijsvrij c.s. ter uitvoering van het bestreden vonnis aan Transavia hebben voldaan aan Prijsvrij c.s. terug te betalen, althans tot terugbetaling aan Prijsvrij c.s. van een door het hof in redelijkheid te bepalen bedrag, vermeerderd met rente, en met veroordeling van Transavia in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente. Transavia heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van Prijsvrij c.s. wat betreft hun deelgrieven genummerd 2C en 2D, de grieven van Prijsvrij c.s. (voor zover die ontvankelijk worden verklaard) ongegrond te verklaren en het vonnis te bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Prijsvrij c.s. in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.
Partijen hebben twee weken de tijd gekregen om te laten weten of zij alsnog tot overeenstemming zijn gekomen. Dat is niet gebeurd, zodat arrest is bepaald.

3.Feiten

3.1.
De rechtbank heeft in r.o. 3.1 tot en met r.o. 3.20 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat, voor zover in hoger beroep nog van belang en waar nodig aangevuld met andere feiten komen de feiten neer op het volgende.
3.2.
Transavia is een grote budgetluchtvaartmaatschappij in Nederland en biedt zowel aan zakelijke reizigers als vakantiereizigers vluchten aan.
3.3.
Sunmix is een organisator van pakketreizen in de zin van artikel 7:500 sub h Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW). Sunmix is een eigen label van Prijsvrij. Zij bundelt vervoer en verblijf tot pakketreizen die via Prijsvrij worden verkocht.
3.4.
Prijsvrij is een online reisbureau en doorverkoper van pakketreizen in de zin van artikel 7:500 sub i BW Pro. Prijsvrij treedt op als bemiddelaar (doorverkoper) tussen na te noemen reizigers en Sunmix.
3.5.
Circa 700 passagiers (hierna: de reizigers of de passagiers) hebben via Prijsvrij een pakketovereenkomst gesloten met Sunmix, met als onderdeel daarvan een boeking van één of meer vliegtickets bij Transavia. Deze reizen zouden plaats vinden in de periode van mei 2020 tot en met augustus 2021.
3.6.
Op de pakket(reis)overeenkomsten tussen de reizigers en Sunmix. zijn de algemene voorwaarden van Prijsvrij van toepassing (hierna: de AV Prijsvrij).
3.7.
Op grond van artikel 3.1.1. van de AV Prijsvrij is het luchtvervoer onderworpen aan de algemene voorwaarden van de dienstverlenende luchtvervoerder, in dit geval
de Algemene vervoersvoorwaarden (hierna: de Algemene vervoersvoorwaarden) en de Tariefsvoorwaarden Transavia (hierna: de Tariefsvoorwaarden) van Transavia Airlines C.V. en Transavia France S.A.S., deze voorwaarden worden hierna samen genoemd: de AV Transavia.
3.8.
Artikel II lid 1 sub b van de Algemene vervoersvoorwaarden bepaalt dat bij het boeken van de vlucht een vervoersovereenkomst tot stand komt tussen Transavia C.V. en de betreffende reiziger (hierna: de vervoersovereenkomst(en)):
De vervoersvoorwaarden zijn van toepassing op Passagiers die reizen op een vlucht (…) op grond van de Boekingsbevestiging waarop Transavia is aangegeven als de Vervoerder op een dergelijke vlucht (…). De aanduiding van Transavia als de Vervoerder op een vlucht of aangegeven onderdeel van een vlucht is het bewijs van de vervoersovereenkomst voor de desbetreffende vlucht of onderdeel van een vlucht tussen Vervoerder en de persoon die op de Boekingsbevestiging is aangegeven als de Passagier.
3.9.
Sunmix heeft als onderdeel van haar pakketreizen vliegtickets bij Transavia C.V. geboekt en betaald; 638 tickets via een Application Programming Interface (hierna: API), 17 tickets via de website van Transavia en 8 tickets via het zogenaamde Partner Portal. Alle boekingen van vliegtickets worden samen hierna de boekingen genoemd.
3.10.
Op de boekingen via API is de Distribution Solutions Agreement (hierna: de DSA) tussen Transavia C.V. en Sunmix van toepassing. Voor de boekingen via het Partner Portal is een incassomachtiging (hierna: Incassomachtiging) vereist. Wanneer tickets zijn geboekt via de website doet Sunmix dat in naam van de betreffende passagiers en zijn de AV Transavia op de betalingen van toepassing.
3.11.
Op grond van de DSA, de Incassomachtiging en de AV Transavia zijn de betalingen definitief en hoeft Transavia C.V. geen restituties te verrichten voor reizen die door passagiers worden geannuleerd, ongeacht of dit uitdrukkelijk gebeurt of door een ‘no-show’ (niet verschijnen op het moment van vertrek).
3.12.
Artikel I (definities) van de Algemene Vervoersvoorwaarden houdt in:
Overmacht
Elke van de wil van Vervoerder onafhankelijke omstandigheid, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen had kunnen worden en ten gevolge waarvan nakoming van de overeenkomst redelijkerwijs niet meer door de Passagier van Vervoerder kan worden verlangd. Hiertoe behoren onder meer situatie van (…) epidemieën (...) met als gevolg (…) de annulering van een of meer vluchten van dat vliegtuig.
De leden 2 en 3 van artikel X van de Algemene vervoersvoorwaarden bepalen over restitutie het volgende:
2. Restitutie wegens onvrijwillig afzien van Vervoer
Indien Vervoerder ingevolge het vorenstaande artikel IX:

een vlucht annuleert;

een vlucht niet landt op de Plaats van bestemming van de Passagier;

niet in staat is om de reeds eerder bevestigde plaats aan te bieden; zal de restitutie bestaan uit het volgende bedrag:
a. indien de vlucht in zijn geheel niet genoten is, een bedrag dat gelijk is aan het betaalde tarief;
(…)
3. Restitutie wegens vrijwillig afzien van Vervoer
Indien de Passagier om andere redenen dan die vermeld in lid 2 van dit artikel, afziet van Vervoer (geheel of gedeeltelijk) zullen de toepasselijke administratie- en annuleringskosten conform Tariefsvoorwaarden in rekening worden gebracht.
3.13.
De Tariefsvoorwaarden bepalen over annuleren door de passagier:
Annuleren kan door contact op te nemen met ons Service Centre via (…). De annuleringskosten bedragen 100% van het voor de boeking (inclusief eventuele speciale verzoeken) verschuldigde bedrag. Er wordt derhalve geen restitutie verleend, met uitzondering van alle door de luchthaven en overheden opgelegde passagiersgebonden belastingen die u aan Transavia hebt betaald, deze kunnen op uw verzoek worden gerestitueerd. (…)
3.14.
De reizigers mogen op grond van artikel 7:509 lid 3 BW Pro een pakketreis vooraf annuleren bij onvermijdbare en buitengewone omstandigheden. Sunmix is in dat geval als organisator verplicht hun de betaalde prijs te restitueren. Ook als Sunmix in dergelijke gevallen zelf de pakketreis annuleert, is zij verplicht tot restitutie.
3.15.
Volgens de Geschillencommissie Reizen levert een reisadvies ‘code oranje’ als gevolg van de coronapandemie ‘onvermijdbare en buitengewone omstandigheden’ op in de zin van Titel 7A van Boek 7 BW. Passagiers die om die reden hun pakketreis hebben geannuleerd konden daarom aanspraak maken op restitutie van de organisator van de pakketreis.
3.16.
Artikel 7:512 lid 3 BW Pro bepaalt dat als de organisator buiten de Europese Economische Ruimte (EER) is gevestigd – zoals Sunmix – voor de doorverkoper die wel in een Europese lidstaat is gevestigd – zoals Prijsvrij – de verplichtingen voor organisatoren gelden die zijn vastgelegd in artikel 7:510 tot Pro en met 7:513a BW. Prijsvrij heeft ook de verplichtingen van artikel 7:509 BW Pro op zich genomen. Zij heeft de voor de pakketreizen betaalde bedragen, waaronder de prijs van het vliegticket van Transavia, aan de reizigers terugbetaald.
3.17.
Transavia heeft haar partners, waaronder Sunmix, een coulanceregeling aangeboden voor – kort samengevat – boekingen als onderdeel van een pakketreis die via API of Partner Portal waren geboekt (hierna: de Coulanceregeling). Deze hield in dat Transavia voor alle boekingen met vertrekdatum tussen 17 oktober 2020 en (na verlenging) 31 oktober 2021 het bedrag van de geannuleerde API boekingen terugstortte op het ‘deposit’ van Sunmix. Daarmee kon Sunmix andere tickets boeken. Bij een boeking via Partner Portal kon Sunmix de datum, bestemming en persoonsgegevens kosteloos wijzigen.
3.18.
Sunmix heeft voor een bedrag van € 53.569,00 gebruik gemaakt van de Coulanceregeling.
3.19.
Vóór inwerkingtreding van de Coulanceregeling heeft Transavia in de zomer van 2020 ten behoeve van Prijsvrij voor een bedrag van circa € 14.990,00 kosteloos vliegtickets omgeboekt.
3.20.
Prijsvrij c.s. hebben bij Transavia aanspraak gemaakt op terugbetaling van de bedragen die zij zelf aan de passagiers hebben terugbetaald in verband met de geboekte vliegtickets. Op 9 juni 2022 is Transavia door Prijsvrij c.s. in gebreke gesteld.
3.21.
Van mei 2020 tot en met augustus 2021 heeft de rijksoverheid voor de hier aan de orde zijnde vakantiebestemmingen (Spanje, Canarische eilanden, Portugal, Italië en Griekenland) het reisadvies code oranje afgegeven. In de kamerbrief van 14 oktober 2020 van de minister van Infrastructuur en Waterstaat staat:
Het is gezien de huidige epidemiologische situatie van groot belang dat reizigers geen vakantiereizen naar gebieden ondernemen waarvoor een oranje reisadvies geldt. Code oranje betekent volgens de rijksoverheid:
Het is niet veilig om naar oranje gebied op vakantie te gaan.

4.Eerste aanleg

4.1.
Prijsvrij c.s. hebben in eerste aanleg (na eiswijziging, te weten feitelijke intrekking ter zitting van 3 april 2023 van de subsidiaire vordering) – samengevat – gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad, Transavia te veroordelen:
I. tot betaling aan Prijsvrij en/of Sunmix van € 297.180,59, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke handelsrente, althans de gewone wettelijke rente over dit bedrag vanaf de ingebrekestelling van 9 juni 2022;
II. tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van dagvaarding;
III. tot betaling van de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
De rechtbank heeft de vorderingen van Prijsvrij c.s. afgewezen. Zij heeft, zeer kort samengevat en voor zover in appel nog van belang, geoordeeld dat de rijksoverheid het reizen naar vakantiebestemmingen weliswaar ontmoedigde, maar dat geen sprake was van een verbod, zodat niet is gebleken dat de passagiers niet konden of mochten reizen. Verder is niet komen vast te staan dat Transavia (een deel van) de vluchten niet heeft uitgevoerd. Aan Prijsvrij c.s. komt volgens de rechtbank geen beroep toe op de contractuele regeling voor overmacht in de DSA en evenmin op artikel 6:258 BW Pro, gelet op de contractuele regeling op dat punt in artikel X van de Algemene Vervoersvoorwaarden waarin is voorzien dat passagiers bij het afzien van de vlucht 100% van de boekingskosten zijn verschuldigd. Dit artikel X acht de rechtbank niet onredelijk bezwarend. Ook is niet komen vast te staan dat Transavia geen ongewijzigde nakoming van de overeenkomsten mocht verwachten. Het voor rekening van Prijsvrij c.s. laten van de gevolgen van het niet doorgaan van de vluchten is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Aan de grondslagen regres en subrogatie komt de rechtbank niet toe bij gebreke van hoofdelijke verbondenheid. Van onrechtmatig handelen is onvoldoende gebleken en het beroep op ongerechtvaardigde verrijking ten slotte strandt op het ontbreken van causaal verband tussen verarming en verrijking.

5.Beoordeling

5.1.
Het hof is, naar terecht niet ter discussie is gesteld, bevoegd tot kennisname van alle vorderingen op alle grondslagen, op de gronden die de rechtbank op dat punt met juistheid heeft uiteengezet. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat op de vorderingen Nederlands recht van toepassing is. Tegen dit oordeel is geen grief gericht.
5.2.
Prijsvrij c.s. hebben in hoger beroep zes grieven aangevoerd (genummerd 1 tot en met 6, waarbij 1, 2, 3 en 5 zijn onderverdeeld in subgrieven). De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
5.3.
Dit geschil gaat over 785 vakantievluchten die plaats zouden vinden in de periode van mei 2020 tot en met augustus 2021, tijdens de corona-pandemie. Prijsvrij c.s. stellen dat vanwege de pandemie en daarmee samenhangende maatregelen een deel van deze vluchten niet is uitgevoerd en verder dat de passagiers geen gebruik hebben gemaakt van hun vluchten. De pakketreisovereenkomsten zijn ingevolge artikel 7:509 BW Pro beëindigd.
Kader
5.4.
De pakketreis is naar zijn aard een samenstel (pakket) van samenhangende overeenkomsten. Aangenomen moet worden dat het beëindigen van een pakketreisovereenkomst vanwege die samenhang leidt tot het beëindigen van alle overeenkomsten die in de pakketreis met elkaar zijn verbonden. Dit geldt dus ook voor de vervoersovereenkomsten. Het einde van de vervoersovereenkomsten brengt in beginsel mee dat Transavia moet terugbetalen wat zij ter uitvoering van die overeenkomsten heeft ontvangen. De AV van Transavia bevatten een nadere regeling op dat punt, waarbij de wijze van beëindiging een rol speelt. Daarop wordt hierna teruggekomen (zie 5.9 e.v.).
5.5.
Sommige pakketreisovereenkomsten zijn volgens Prijsvrij c.s. beëindigd door de passagiers op grond van artikel 7:509 lid 3 BW Pro, omdat zich ‘op de plaats van bestemming of in de onmiddellijke omgeving daarvan onvermijdbare en buitengewone omstandigheden voordoen die aanzienlijke gevolgen hebben voor de uitvoering van de pakketreis’, te weten de corona-pandemie en de daaruit voortvloeiende gevaren voor de gezondheid en het niet langer beschikbaar zijn van accommodaties etc. Daarom gold voor de betreffende bestemmingen code oranje.
In andere gevallen kon volgens Prijsvrij c.s. de pakketreisovereenkomst niet worden uitgevoerd omdat Transavia haar verplichtingen niet nakwam en de vlucht niet uitvoerde.
5.6.
Artikel 7:509 BW Pro heeft een Unierechtelijke achtergrond. De EU Richtlijn 2015/2302/EU van 25 november 2015 (hierna: de Richtlijn) over pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen is immers in Nederland geïmplementeerd in Titel 7A van Boek 7 BW (artikel 7:500 BW Pro e.v.). Artikel 13 lid 1 van Pro de Richtlijn legt de aansprakelijkheid voor de uitvoering van de reisdiensten waarop de pakketreis betrekking heeft op de organisator, ongeacht of deze diensten door de organisator of door andere dienstverleners worden verricht. Indien de organisator buiten de EER is gevestigd, rust deze aansprakelijkheid op de doorverkoper ingevolge artikel 20 van Pro de Richtlijn.
Omdat Sunmix buiten de EER is gevestigd. moest Prijsvrij na de beëindiging van de pakketreisovereenkomsten ingevolge artikel 7:509 lid 6 BW Pro aan de passagiers de reissom terugbetalen. Dat heeft zij ook gedaan. Die terugbetaalde reissom heeft dus voor een deel betrekking op de kosten van de bij Transavia geboekte vliegtickets.
5.7.
Voor de vraag of Prijsvrij c.s. Transavia kunnen aanspreken voor het door Prijsvrij aan de passagiers betaalde bedrag ter grootte van de prijs van de vliegtickets is van belang artikel 22 (‘verhaalrecht’) van de Richtlijn dat bepaalt dat de lidstaten erop toezien dat de organisator of doorverkoper het recht heeft om verhaal te halen op derden die hebben bijgedragen aan de gebeurtenis die heeft geleid tot schadevergoeding, prijsverlaging of andere verplichtingen, wanneer de organisator of doorverkoper schadevergoeding betaalt of aan andere uit de Richtlijn voortvloeiende verplichtingen voldoet. Dit sluit aan op onderdeel 36 van de considerans van deze Richtlijn, waarin is vermeld: ‘De aansprakelijkheid van de organisator moet het recht om verhaal te halen op derden, met inbegrip van dienstverleners, onverlet laten’.
Uit artikel 4 van Pro de Richtlijn volgt dat de lidstaten hiervan niet mochten afwijken. Uit de parlementaire geschiedenis van het tot stand komen van titel 7A van het BW blijkt dat de Nederlandse wetgever hiervan niet is afgeweken, maar ook geen aparte implementatie noodzakelijk heeft geacht, omdat volgens de wetgever een dergelijk verhaalsrecht onder Nederlands recht al bestaat. Daarbij is kennelijk gedoeld op het verhaalsrecht dat voortvloeit uit artikel 6:10, 6:30 en/of 6:212 BW.
Niet uitgevoerde vluchten
5.8.
Ter zitting in hoger beroep is door Transavia erkend dat van de 785 vluchten waar het in deze zaak om gaat, er 195 niet zijn uitgevoerd. Daarvan heeft Transavia ter zitting opgemerkt: Er zijn 195 vluchten niet gevlogen. Daarvoor is een mail gestuurd naar Sunmix met de mogelijkheid om de vluchten om te boeken. Dat heeft Sunmix gedaan, maar bij de alternatieve vluchten zijn vervolgens de reizigers niet komen opdagen. Het grootste deel is omgeboekt en sommigen zijn gerestitueerd. Die opties zijn aan de reizigers gegeven, aldus Transavia.
Prijsvrij c.s. hebben betwist dat Transavia restituties heeft gedaan en/of dat omboekingen hebben plaatsgevonden. Zij voeren aan dat zij daarvan ook geen bevestiging of bericht van Transavia hebben gekregen. Volgens Prijsvrij c.s. hebben die 195 vluchten gewoon niet plaatsgevonden.
Nu Transavia op dit punt haar stellingen, die neerkomen op een bevrijdend verweer, niet concreet heeft onderbouwd, wordt daaraan voorbijgegaan. Het hof gaat er daarom vanuit dat Transavia zelf 195 vluchten heeft geannuleerd. Daarmee is volgens Prijsvrij c.s. een bedrag van € 64.422,73 aan betalingen voor geboekte tickets gemoeid.
5.9.
Het uitgangspunt is dat Transavia de reissom aan de passagiers dient terug te betalen, omdat zij de genoemde 195 vluchten niet heeft uitgevoerd. Haar AV bepalen in artikel X.2 onder a. (zie 3.12 hiervoor) dat in dat geval algehele restitutie volgt. De passagiers kunnen echter jegens Transavia geen aanspraak meer maken op dat bedrag, omdat zij van Prijsvrij reeds een restitutie hebben ontvangen.
5.10.
Omdat Prijsvrij daartoe op grond van art 7:509 lid 6 BW Pro ook verplicht was, doet zich de situatie voor dat Prijsvrij en Transavia elk, zij het op verschillende gronden, gehouden waren dezelfde schuld aan elke passagier te betalen. Er is dus sprake van hoofdelijke verbondenheid; volgens vaste jurisprudentie doet niet ter zake dat de rechtsgrondslag verschilt.
5.11.
Nu vast staat dat Prijsvrij deze schuld geheel heeft voldaan komt haar een regresrecht toe voor het gedeelte van de schuld dat Transavia aangaat. Dat is 100%, want Prijsvrij c.s. heeft niet bijgedragen aan de beslissing om die vluchten niet uit te voeren en op dit punt heeft Transavia geen (voldoende concreet uitgewerkt) verweer gevoerd.
Uitgevoerde vluchten
5.12.
Ter zitting in dit appel is voorts gebleken dat partijen het er inmiddels over eens zijn dat 590 van deze 785 vluchten wel zijn uitgevoerd. Transavia heeft gesteld dat sommige passagiers conform de gesloten overeenkomst gebruik hebben gemaakt van deze vluchten, maar kennelijk toch een restitutie van Prijsvrij c.s. hebben ontvangen. Prijsvrij c.s. hebben deze stelling betwist. Nu Transavia haar standpunt - dat is aan te merken als een bevrijdend verweer - niet nader, per vlucht en passagier(s), gespecificeerd, heeft onderbouwd, wordt daaraan voorbijgegaan.
Het hof neemt dan ook tot uitgangspunt dat deze vluchten zijn uitgevoerd, maar zonder dat de betreffende passagiers zijn meegevlogen. Prijsvrij c.s. hebben niet (behoorlijk onderbouwd) gesteld dat sprake is geweest van annulering, in de zin van een expliciete mededeling van beëindiging als bedoeld in artikel 7:509 lid 3 BW Pro. Integendeel, zij stellen zich op het standpunt dat voor de passagiers duidelijk was, op basis van de bekendmakingen van de rijksoverheid, dat zij niet geacht werden met die vakantievluchten mee te gaan. Ook uit de uitlatingen van Transavia zelf bleek dat zij niet verwacht werden.
Deze passagiers zijn dus bij het vertrek van het vliegtuig niet verschenen (no show).
5.13.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat niet beslissend is of het reizen destijds daadwerkelijk verboden of onmogelijk was. Nu de vervoersovereenkomst als onderdeel van de pakketreisovereenkomst tot een einde was gekomen, volstaat dat gegeven. Het hof licht dat toe.
5.14.
Vanaf maart 2020 woedde in en buiten Nederland de corona-pandemie. De Nederlandse rijksoverheid verzorgde frequente persconferenties waarin werd benadrukt dat van iedereen verwacht werd dat er niet voor vakantie naar het buitenland zou worden gereisd, in verband met de aanzienlijke gevaren voor de volksgezondheid. Dat gold met name zodra een land/gebied het code-oranje advies kreeg (zie 3.21), dus in de periode dat gereisd zou worden in het kader van de hier relevante pakketreizen. In de media was veel aandacht voor de gevolgen die dat had, te weten dat er vrijwel alleen, en bij voorkeur in eigen land vakantie gehouden kon worden (met inachtneming van allerlei voorzorgen).
De pakketreizen omvatten verblijf in het betreffende land, dat niet langer voor de passagiers beschikbaar was, omdat ook op de plaats van bestemming corona-maatregelen van kracht waren. Dat kon gaan om quarantaine van toeristen uit Nederland, maar ook om bijvoorbeeld lock-downs. De betrokken reisdienstverleners (zoals verhuurders en hoteliers) konden dus hun verplichtingen waartoe zij zich jegens de reizigers hadden verbonden niet, althans niet behoorlijk, nakomen.
Zowel de reizigers als Sunmix konden op grond van artikel 7:509 BW Pro een pakketreis beëindigen bij onvermijdbare en buitengewone omstandigheden. Een reisadvies ‘code oranje’ als gevolg van de coronapandemie leverde ‘onvermijdbare en buitengewone omstandigheden’ op in de zin van deze bepaling (zie ook 3.15 hiervoor). Reizigers die om deze reden hebben besloten van hun reis af te zien, en ook geacht werden onder deze omstandigheden niet te reizen, konden daarom bij Sunmix aanspraak maken op restitutie van de pakketreis. Dat pakketreizen om deze reden beëindigd konden worden en door de reizigers zijn beëindigd, is niet gemotiveerd door Transavia bestreden.
Uit de Richtlijn volgt het Unierechtelijk perspectief van de pakketreis als samenstel van overeenkomsten, en ook de afweging in het voordeel van de consument-reiziger die is gemaakt. Een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht op het gebied van samenhangende overeenkomsten brengt dus mee dat met de beëindiging van één van de samenstellende overeenkomsten van de pakketreis ook de vervoersovereenkomst is beëindigd. De vliegmaatschappijen, waaronder Transavia zelf, benadrukten destijds dat de reisbranche zwaar was getroffen door de maatregelen, vooral de code-oranje adviezen, en dat het vliegverkeer vrijwel stil kwam te liggen met alle economische gevolgen van dien.
5.15.
In de AV van Transavia was weliswaar een bepaling opgenomen die onder meer epidemieën als overmacht aan de zijde van Transavia benoemde zonder spiegelbeeldbepaling voor de passagiers, maar dat doet niet ter zake. Het enkele ontbreken van een contractuele overmachtsbepaling waarop de passagier zich kan beroepen is niet voldoende voor het oordeel dat geen sprake was van een beëindiging en/of dat Transavia de instandhouding en naleving van de vervoersovereenkomsten toch mocht verwachten.
5.16.
Transavia voert aan dat zij wel kosten heeft gehad aan de uitgevoerde vluchten. Dat is op zich aannemelijk, maar doet niet ter zake. Kennelijk heeft Transavia om haar moverende redenen (Prijsvrij c.s. noemen een aantal voor de hand liggende, zoals het veiligstellen van timeslots en het bieden van vlieguren aan piloten) de vluchten uitgevoerd ondanks de beëindiging van de overeenkomsten, maar dat kan de passagiers niet worden aangerekend. Passagiers verwachtten niet, en hoefden niet te verwachten, dat er daadwerkelijk vluchten voor hen beschikbaar zouden zijn naar bestemmingen waarvoor code-oranje gold. Voor hen was niet kenbaar dat Transavia vluchten zou laten doorgaan en zo ja welke dan.
5.17.
Per saldo konden de passagiers dus aanspraak maken op restitutie van de betaalde ticketprijs. Het
non-refundablekarakter zoals dat is vormgegeven in de regeling van 100% annuleringskosten uit de AV, doet daarbij niet ter zake, want het gaat hier niet om annulering/opzegging van een op zichzelf staande vliegreis, maar om de afwikkeling van de beëindiging van een pakketreisovereenkomst waarvan de vliegreis onderdeel uitmaakt.
De positie van Prijsvrij c.s.
5.18.
Prijsvrij c.s. hebben de vorderingen van passagiers op Transavia inmiddels voldaan, omdat zij daartoe op basis van art 7:509 lid 6 BW Pro gehouden waren. Prijsvrij c.s. stellen zich op het standpunt dat zij verhaal kunnen nemen op Transavia, op diverse grondslagen. Transavia betwist dat, maar tevergeefs. Het hof licht dit toe.
5.19.
De kanalisering van alle aanspraken richting de reisorganisator (of de doorverkoper binnen de EER, zie art 20 van Pro de Richtlijn en artikel 7:512 lid 3 BW Pro) heeft ten doel de reiziger/passagier duidelijkheid te verschaffen doordat er één partij is bij wie hij terechtkan. Uit de Richtlijn valt op geen enkele manier af te leiden dat beoogd is ook regels te geven aangaande de onderlinge draagplicht tussen de wederpartijen van de reizigers bij de overeenkomsten die samen de pakketreis vormen. Integendeel, uit artikel 22 van Pro de Richtlijn in combinatie met de considerans onder 36 valt af te leiden dat de regeling van verhaalsrecht aan de nationale wetgever wordt overgelaten. De Nederlandse wetgever heeft gemeend dat die verhaalsrechten reeds deel uitmaakten van het geldende Nederlandse recht (zie 5.7).
Net als hiervoor ten aanzien van de niet uitgevoerde vluchten is overwogen (zie 5.10) gaat het hier om een hoofdelijke verbintenis tot voldoening van dezelfde schuld - de ticketprijs aan de betrokken passagiers - op verschillende grondslagen.
5.20.
Het uitgangspunt moet zijn dat dit in de onderlinge verhouding tussen Prijsvrij c.s. en Transavia een schuld is die Transavia geheel aangaat. Het gaat immers enkel om de prijs van de vervoersovereenkomst in de pakketreis die de passagiers, zoals hiervoor is overwogen, van Transavia hadden kunnen terugvorderen.
5.21.
Het hof begrijpt de stellingen van Transavia zo, dat zij (subsidiair) aanvoert dat in haar verhouding tot Prijsvrij c.s. de volgende elementen moeten meewegen:
-de coulanceregeling, die Prijsvrij c.s. ten aanzien van 80 passagiers hadden kunnen gebruiken, en de omboekregeling;
-de kosten die zij, Transavia, heeft gemaakt voor de uitvoering van de vluchten;
-de omstandigheid dat geen van de andere reisorganisatoren zich tot haar gewend heeft met een dergelijke claim;
-de omstandigheid dat Prijsvrij c.s. non-refundable tickets boekten (en die ook na beëindiging van de relatie met Transavia indirect is blijven boeken) waarvan de prijs lager is omdat daarin verdisconteerd is dat door de passagier mogelijk niet gevlogen kan worden en toch geen recht op restitutie bestaat, zodat zij dit risico zelf aanvaard heeft.
Prijsvrij c.s. hebben daartegenover gesteld dat:
-de coulanceregeling op andere vluchten dan de onderhevige 785 zag en op andere passagiers, terwijl gebruikmaking niet verplicht was;
-de omboekregeling niet ter zake doet, omdat tijdens de omgeboekte vluchten nog steeds code-oranje gold;
-Transavia geprofiteerd heeft van het laten doorgaan van de vluchten (timeslot, vlieguren voor de piloten en de toestellen);
- alle andere vliegmaatschappijen de ticketprijzen wel aan haar hebben vergoed;
- het non-refundable karakter niet relevant is.
5.22.
Geen van de argumenten die Transavia aanvoert kunnen haar baten. Van de coulance-regeling is onduidelijk of Prijsvrij c.s. daarvan een ruimer gebruik hadden kunnen maken dan zij hebben gedaan. Maar hoe dan ook is dat niet een element dat relevant is, omdat Prijsvrij c.s. niet verplicht waren om daarvan gebruik te maken, ook niet vanuit het gezichtspunt van de schadebeperkingsplicht. Op het verweer van Prijsvrij c.s. over de omboekregeling is onvoldoende gerespondeerd.
De kosten zijn door Transavia niet behoorlijk toegelicht en op de stellingen over voordelen die aan het doorgaan van de vluchten voor Transavia verbonden waren heeft zij niet inhoudelijk gerespondeerd. Dat geen andere reisorganisator zich tot haar gewend heeft hebben Prijsvrij c.s. betwist en is niet nader onderbouwd. Dat dit in de branche anders werd gezien dan Prijsvrij c.s. doen, is dus niet gebleken.
Tot slot is de risico-aanvaarding die besloten ligt in het laatste argument niet relevant omdat dat niet het risico is dat zich hier heeft gemanifesteerd. Het gaat hier immers om het gevolg van de beëindiging van de pakketreisovereenkomsten en niet om de consequenties van annulering die geregeld zijn in (artikel X van) de AV van Transavia.
Conclusie
5.23.
De conclusie is dus dat Prijsvrij bedragen aan de passagiers heeft betaald die Transavia had moeten betalen dan wel uiteindelijk dient te betalen. Transavia dient de daarmee gemoeide bedragen aan Prijsvrij te voldoen. De door Prijsvrij gevorderde bedragen zijn in eerste aanleg cijfermatig betwist tot een bedrag van € 1.015,75 (6 PNRs) dat al gerestitueerd is. Daarop zijn Prijsvrij c.s. in appel niet teruggekomen, zodat het hof ervan uitgaat dat dat klopt en dit bedrag van de vordering moet worden afgetrokken. Voor het overige is de hoogte van de vordering niet gemotiveerd betwist en dus toewijsbaar.
Dat ook Sunmix ex artikel 7:509 BW Pro bedragen aan de reizigers heeft betaald, is niet gebleken. Weliswaar stellen Prijsvrij c.s. dat Transavia aan Sunmix zou moeten betalen, maar dat standpunt is tegen die achtergrond niet behoorlijk toegelicht. De vordering van Sunmix wordt dus afgewezen.
5.24.
De grieven slagen dus. Bij een afzonderlijke behandeling daarvan bestaat geen belang. Dat het ontvankelijkheidsverweer van Transavia (naar aanleiding van subgrieven 2C en 2D) niet slaagt volgt uit het voorgaande. Van concrete bewijsaanbiedingen van stellingen die van belang zijn voor de te nemen beslissingen is geen sprake. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.
Rente, buitengerechtelijke kosten, uitvoerbaarheid
5.25.
Er is geen deugdelijke grondslag gesteld of gebleken voor een aanspraak op de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW, zodat de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro zal worden toegewezen. Deze rente gaat in op het moment van ingebrekestelling; verweer tegen die ingangsdatum is niet gevoerd.
In eerste aanleg heeft Transavia gemotiveerd en gedetailleerd verweer gevoerd tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten, kort samengevat omdat deze niet behoorlijk waren toegelicht en/of deze om diverse redenen niet in aanmerking kwamen voor (afzonderlijke) vergoeding (naast de proceskosten). Daarop zijn Prijsvrij c.s. in appel niet teruggekomen zodat het hof dit deel van de vordering afwijst.
5.26.
De vordering van Prijsvrij c.s. om Transavia te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan Transavia heeft voldaan, met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag van betaling, is toewijsbaar. Dat vloeit voort uit voormelde beoordeling en Transavia heeft daartegen geen verweer gevoerd.
5.27.
Dit arrest wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard nu Prijsvrij c.s. daarbij, gelet op de aard van de beslissing belang hebben en verweer ontbreekt.
proceskosten
5.28.
Transavia is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in het geding in beide instanties. Nu Transavia in haar stellingen nauwelijks apart aandacht heeft besteed aan de positie van Sunmix maakt de afwijzing van haar vordering geen verschil voor de kostenveroordeling. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
eerste aanleg:
- explootkosten en griffierecht € 5.862,03
- salaris advocaat (2 punten) € 5.290,00
Totaal € 11.152,03
hoger beroep:
- explootkosten en griffierecht € 5.809,73
- salaris advocaat (2 punten) € 8.856,00
Totaal € 14.665,73

6.Beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt het vonnis waarvan beroep
en opnieuw rechtdoende:
6.2.
veroordeelt Transavia om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Prijsvrij te betalen
€ 296.174,84 ( tweehonderdzesennegentigduizend eenhonderdvierenzeventig Euro en vierentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2022, alsmede al hetgeen naar aanleiding van het vonnis in eerste aanleg is betaald, met wettelijke rente vanaf het moment van betaling;
6.3.
veroordeelt Transavia in de kosten van het geding in beide instanties, tot op heden aan de zijde van Prijsvrij c.s. vastgesteld op:
- € 11.152,03 voor de eerste aanleg,
- € 14.665,73 voor het hoger beroep,
- € 178 voor nasalaris,
te vermeerderen met € 92 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
6.4.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, J.W. Hoekzema en S. Tamboer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.