Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1387

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
200.361.984/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over vaststelling kinderbijdrage na echtscheiding met gewijzigde draagkracht vader

De rechtbank had de vader verplicht een kinderbijdrage van €296 per kind per maand te betalen. De vader kwam in hoger beroep en betwistte deze hoogte vanwege zijn lagere inkomen na ontslag op staande voet. De moeder wilde de beschikking bekrachtigen.

Het hof oordeelde dat het inkomensverlies van de vader door eigen toedoen is ontstaan en dat hij niet binnen korte termijn zijn oude inkomen kan herwinnen. Daarom werd uitgegaan van zijn huidige inkomen en bijstandsuitkering voor de draagkrachtberekening.

Het hof stelde de kinderbijdrage vast op een minimum van €25 per kind per maand, met een maximum van €50 per maand, conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. De moeder heeft geen draagkracht en betaalt een schuldsaneringstraject.

De terugbetalingsverplichting van de moeder werd uitgesloten vanwege haar geringe inkomen en schuldsanering. De proceskosten werden gecompenseerd. De zorgregeling werd aangehouden in afwachting van nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.

Uitkomst: Het hof stelt de kinderbijdrage van de vader vast op €50 per maand in totaal vanaf 1 september 2025, rekening houdend met zijn actuele draagkracht.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.361.984/01
zaaknummer rechtbank: C/13/766377 / FA RK 25-2060
beschikking van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. I. Tol te Koog aan de Zaan,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M.C. Spil te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] );
- de minderjarige [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 3 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking), voor zover hier van belang, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder bepaald, het huurrecht van de echtelijke woning aan de moeder toegekend vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en bepaald dat de vader vanaf 1 september 2025 een kinderbijdrage van € 296,- per kind per maand aan de moeder moet betalen.
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de kinderbijdrage en verzoekt de bestreden beschikking in zoverre te vernietigen. Ook verzoekt de vader een zorgregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen. De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 28 november 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De moeder heeft op 23 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder met bijlagen van 30 maart 2026;
- een bericht van de zijde van de vader met bijlage van 30 maart 2026;
- een bericht van de zijde van de vader met bijlage van 31 maart 2026.
2.4
Het hof heeft [minderjarige 1] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vindt. Zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2.5
De zitting heeft op 10 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door V.D. Aelbers.
2.6
Na de zitting heeft het hof een verkort proces-verbaal opgemaakt dat naar de advocaten en de raad is verstuurd. In dit verkort proces-verbaal is de beslissing op het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling tussen hem en de kinderen aangehouden in afwachting van het te verrichten onderzoek door de raad.

3.De feiten

3.1
Deze zaak heeft betrekking op de volgende kinderen van de vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders):
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2016 te [plaats B] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2018 te [plaats B] ;
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2019 te [plaats C] ,
hierna gezamenlijk: de kinderen.
3.2
De ouders zijn [in] 2019 met elkaar gehuwd te [plaats D] . Bij de – in zoverre niet bestreden – beschikking van 3 september 2025 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze echtscheidingsbeschikking is op 5 februari 2026 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.3
De ouders hebben beiden de Nederlandse nationaliteit.
3.4
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
3.5
Bij beschikking van de rechtbank betreffende voorlopige voorzieningen van 23 mei 2025 is bepaald dat:
- de moeder bij uitsluiting van de vader gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats A] , met het bevel dat de vader die woning dient te verlaten en deze niet verder kan betreden;
- de kinderen aan de moeder worden toevertrouwd;
- de vader met ingang van de datum van de beschikking een kinderbijdrage aan de moeder moet voldoen van in totaal € 887,- per maand.
3.6
De officier van justitie heeft op 29 januari 2026 een contactverbod opgelegd inhoudende dat de vader van 26 januari 2026 tot 25 april 2026 geen contact met de moeder mag opnemen. Daarnaast heeft de officier van justitie een gebiedsverbod opgelegd inhoudende dat de vader zich gedurende voornoemde periode niet in de straat van de moeder of aangrenzende straten mag bevinden.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder bepaald, het huurrecht van de echtelijke woning aan de moeder toegekend vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en bepaald dat de vader vanaf 1 september 2025 een kinderbijdrage van € 296,- per kind per maand aan de moeder moet betalen.
4.2
De vader verzoekt – na wijziging van zijn verzoek ter zitting – de bestreden beschikking te vernietigen voor zover de rechtbank een kinderbijdrage heeft vastgesteld en opnieuw rechtdoende te bepalen, zo begrijpt het hof, dat:
-
primaireen zorgregeling wordt vastgesteld tussen de vader en de kinderen waarbij de vader de helft van de tijd de zorg draagt voor de kinderen, dan wel
subsidiaireen in goede justitie te bepalen zorgregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen;
- de vader
primairgeen kinderbijdrage hoeft te voldoen aan de moeder, dan wel
subsidiairte bepalen dat de vader met ingang van 1 september 2025 een kinderbijdrage van € 25,- per kind per maand met een maximum van € 50,- telkens bij vooruitbetaling dient te voldoen aan de moeder, dan wel
meer subsidiairte bepalen dat een in goede justitie te bepalen kinderbijdrage wordt vastgesteld;
- de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor zover mogelijk;
- partijen de eigen proceskosten dragen van deze procedure.
Het verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en het huurrecht van de echtelijke woning is ter zitting in hoger beroep ingetrokken.
4.3
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de vader in hoger beroep af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De vader heeft ter zitting in hoger beroep zijn verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en zijn verzoek ten aanzien van het huurrecht van de echtelijke woning ingetrokken, zodat deze verzoeken geen bespreking meer behoeven. Omdat het verzoek van de vader over de zorgregeling is aangehouden in afwachting van het onderzoek door de raad, ligt aan het hof nu uitsluitend het verzoek over de kinderbijdrage ter beoordeling voor.
De kinderbijdrage
5.2
Aan de orde is de vraag welke kinderbijdrage de vader aan de moeder moet voldoen. Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
Ingangsdatum
5.3
De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum staat tussen partijen in hoger beroep niet ter discussie, zodat het hof deze datum, te weten 1 september 2025, als uitgangspunt neemt.
Behoefte kinderen
5.4
De behoefte van de kinderen staat tussen partijen in hoger beroep niet ter discussie. In de beschikking voorlopige voorzieningen is de behoefte van de kinderen vastgesteld op
€ 1.123,- per maand in 2025 voor drie kinderen. Het hof gaat – net als de rechtbank – daarvan uit.
Draagkracht moeder
5.5
De draagkracht van de moeder staat tussen partijen in hoger beroep niet ter discussie. In de beschikking voorlopige voorzieningen is geoordeeld dat aan de zijde van de moeder geen draagkracht wordt aangenomen, zodat het hof hier ook vanuit zal gaan.
Draagkracht vader
5.6
Tussen partijen staat in hoger beroep ter discussie van welke draagkracht aan de zijde van de vader moet worden uitgegaan. De rechtbank heeft de draagkracht van de vader niet vastgesteld. Hij is in de procedure bij de rechtbank niet verschenen en er waren ook geen financiële gegevens van hem bekend. De vader stelt dat hij niet in staat is het inkomen te verwerven zoals hij dat in het verleden genoot, zodat dient te worden uitgegaan van zijn huidige lagere inkomen uit loondienst. De moeder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De moeder voert aan dat het inkomensverlies van de vader niet alleen verwijtbaar is, maar ook dat de vader in staat is minimaal zijn ‘oude’ inkomen te verwerven en dat dit van hem kan worden gevergd, gelet op zijn onderhoudsverplichting. De moeder betwist dat de vader niet langer in staat is dit inkomen te verwerven. Hij heeft dit onvoldoende onderbouwd. Volgens de moeder dient bij de bepaling van zijn draagkracht dan ook geen rekening te worden gehouden met de door de vader gestelde inkomensachteruitgang. Daarbij komt dat de moeder degene is die alle gezamenlijke schulden van de ouders (totaal € 40.000,-) aan het afbetalen is door middel van een schuldsaneringstraject.
5.7
Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de vader in 2025 bij de [X] werkte en een inkomen uit loondienst ontving van € 5.283,- bruto per maand. De vader heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat hij begin april 2025 op staande voet is ontslagen omdat hij zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden van de bedrijfsarts na ziekmelding. In hoger beroep is niet in geschil dat het inkomensverlies van de vader door zijn eigen toedoen is ontstaan. Wanneer een onderhoudsplichtige – in dit geval de vader – door zijn gedragingen zelf een vermindering van zijn inkomen teweeg brengt, komt het bij de bepaling van zijn draagkracht niet alleen aan op het inkomen dat hij daadwerkelijk verwerft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijs nadien te kunnen verwerven. Of een door eigen toedoen ontstane inkomensvermindering bij het bepalen van zijn draagkracht buiten beschouwing moet blijven, zal in de eerste plaats afhangen van de vraag of de vader redelijkerwijs in staat moet worden geacht opnieuw het oorspronkelijke inkomen te gaan verwerven en of de onderhoudsgerechtigde – in dit geval de moeder – dit ook van hem kan vergen. Het hof dient daarom de vraag te beantwoorden of het inkomensverlies van de vader voor herstel vatbaar is en overweegt hiertoe als volgt.
5.8
Na zijn ontslag op staande voet, heeft de vader een periode een bijstandsuitkering genoten. Uit de door de vader overgelegde brief van de gemeente [plaats A] van 15 oktober 2025 blijkt dat hem met ingang van 1 juli 2025 een bijstandsuitkering is toegekend van € 978,- per maand en vanaf 2 oktober 2025 een bijstandsuitkering van € 1.369,- per maand. Uit de uitkeringsspecificatie van oktober 2025 volgt dat de vader een bedrag heeft ontvangen van € 1.325,-. Inmiddels heeft de vader een nieuwe baan bij [XX] en ontvangt hij een inkomen van € 1.672,-, zo blijkt uit de door de vader overgelegde vergoedingenspecificatie van februari 2026. Het hof acht het op grond van de stukken en de toelichting van de vader ter zitting in hoger beroep voldoende aannemelijk geworden dat het inkomen van de vader is verminderd en dat het hem tot op heden niet is gelukt om een inkomen ter hoogte van zijn betrekking bij de [X] te verdienen. Ter zitting is gebleken dat de vader hulpverlening ontvangt vanuit Parnassia (gesprekken met een psycholoog) en dat hij wekelijkse gesprekken heeft met een coach vanuit Stichting Algemeen Opvangcentrum [plaats A] die in de gaten houdt hoe het met de vader gaat. Gelet op de huidige persoonlijke omstandigheden van de vader is het passend om voor de berekening van de draagkracht van de vader uit te gaan van het inkomen dat de vader op dit moment verdient bij [XX] . Naar het oordeel van het hof is dan ook geen sprake van voor herstel vatbaar inkomensverlies in die zin dat de vader in staat kan worden geacht op zodanig korte termijn zijn oorspronkelijke inkomen weer te verwerven dat de inkomensvermindering bij het bepalen van zijn draagkracht buiten beschouwing moet worden gelaten.
5.9
Gelet op het voorgaande ziet het hof aanleiding om de hoogte van de kinderbijdrage opnieuw vast te stellen. Het hof is van oordeel dat de vader zijn stelling dat hij in het geheel geen draagkracht heeft (gehad) onvoldoende heeft onderbouwd met de door hem overgelegde stukken. Het hof ziet aanleiding om voor de berekening van de draagkracht van de vader te rekenen met twee perioden: (1) de periode waarover de vader een bijstandsuitkering ontving en (2) de periode waarover de vader inkomen ontvangt.
(1) Periode 1 september 2025 tot 1 februari 2026 (bijstandsuitkering):
5.1
Het staat vast dat de vader in de periode van 1 september 2025 tot 1 februari 2026 beschikte over een structureel inkomen in de vorm van een bijstandsuitkering. De draagkracht van de vader over deze periode dient daarom aan de hand van dit inkomen te worden vastgesteld. Het hof ziet aanleiding om over deze periode aan de zijde van de vader een minimale draagkracht aan te nemen en zijn draagkracht vast te stellen op een afgerond bedrag van € 25,- per kind per maand tot een maximum van € 50,- per maand. Het hof sluit daarbij aan bij de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak (hierna: Expertgroep), waarin is bepaald dat bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet een minimumdraagkracht wordt aangenomen. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven om in dit geval van die aanbeveling af te wijken.
(2) Periode vanaf 1 februari 2026 (inkomen):
5.11
Vanaf 1 februari 2026 gaat het hof uit van het inkomen van de vader van € 1.672,- per maand, te vermeerderen met een vakantietoeslag van 8%. Voor het berekenen van de draagkracht van de vader aan de hand van zijn huidige inkomen uit loondienst maakt het hof gebruik van de methode die de Expertgroep heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt het hof wat er van het inkomen overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Bij een netto besteedbaar maandinkomen tot € 1.950,- per maand worden door de Expertgroep vaste tabelbedragen aanbevolen en wordt de draagkracht vastgesteld op een afgerond bedrag van € 25,- per kind per maand tot een maximum van € 50,- per maand.
Conclusie
5.12
Uit het voorgaande volgt dat het hof over de periode vanaf 1 september 2025 zal uitgaan van een minimum draagkracht van de vader van € 25,- per kind per maand tot een maximum van € 50,- per maand, zoals volgt uit de aanbevelingen van de Expertgroep. Omdat de moeder geen draagkracht heeft en de draagkracht van de vader lager is dan de behoefte van de kinderen, moet de vader steeds met zijn volledige draagkracht bijdragen in de kosten van de kinderen. Uit het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en de door de vader te betalen kinderbijdrage met ingang van 1 september 2025 zal bepalen op € 50,- (totaal) per maand.
Terugbetalingsverplichting
5.13
Hieruit volgt in beginsel een terugbetalingsverplichting voor de moeder. Gebleken is echter dat de vader een betalingsachterstand heeft. Naar verwachting zal er daarom geen sprake zijn van de omstandigheid dat de moeder te veel ontvangen kinderbijdrage moet terug betalen. Mocht dit toch het geval zijn, dan is het hof van oordeel dat terugbetaling niet van de moeder kan worden gevergd. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de moeder een gering inkomen heeft (bijstandsuitkering), dat sprake is van een schuldsaneringstraject voor het afbetalen van gezamenlijke schulden en dat de ontvangen kinderbijdrage naar verwachting dan ook zal zijn verbruikt ten behoeve van de kinderen. Het hof zal daarom beslissen dat voor zover de vader meer kinderbijdrage heeft betaald dan waartoe hij gelet op onderhavige beschikking gehouden was, de bijdrage wordt bepaald op hetgeen door de vader is betaald of op hem is verhaald.
Proceskosten
5.14
Gelet op de aard van deze procedure, ziet het hof geen aanleiding om de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure, zoals door de vader verzocht. Dit verzoek zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd.
5.15
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin het verzoek van de moeder tot vaststelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen is toegewezen, en opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 1 september 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 50,- (zegge: VIJFTIG euro) per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met dien verstande dat, voor zover de vader over de periode vanaf 1 september 2025 tot heden meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de bijdrage tot heden wordt bepaald op hetgeen door de vader is betaald en/of op hem is verhaald;
verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing op het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling tussen hem en de kinderen
pro formaaan tot
zondag 30 augustus 2026, in afwachting van het te verrichten onderzoek door de raad, en verzoekt de raad het rapport met de resultaten van het onderzoek uiterlijk tien dagen voorafgaand aan deze pro forma datum aan het hof en aan de advocaten van partijen toe te sturen;
compenseert de proceskosten aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. D.H. Steenmetser-Bakker en mr. L.M. Mons, in tegenwoordigheid van mr. M. Hermans als griffier en is op 26 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.