ECLI:NL:GHAMS:2026:140

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
200.338.822/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afwijzing vordering zorgplichtschending bank bij hypothecaire financiering

De appellant, een piloot, verzocht ABN AMRO om een hypothecaire financiering voor zijn woning en verbouwplannen, maar de bank weigerde deze vanwege niet voldoen aan acceptatiecriteria. De appellant stelde dat de bank haar zorgplicht had geschonden door hem onterecht hoop te geven en onvoldoende te reageren op zijn verzoeken, waardoor hij kansen misliep elders een gunstigere lening af te sluiten.

De rechtbank wees de vorderingen af en het hof bevestigt dit oordeel. Het hof stelt vast dat de communicatie tussen partijen niet verder kwam dan een oriënterende fase en dat ABN AMRO tweemaal schriftelijk heeft laten weten niet aan de financieringsbehoefte te kunnen voldoen. De appellant mocht daarom niet redelijkerwijs verwachten dat de financiering zou worden verstrekt.

Verder oordeelt het hof dat het uitblijven van een reactie op een e-mail van de appellant niet onrechtmatig is, mede omdat de appellant zelf op de hoogte was van stijgende rentes en naliet om duidelijkheid te verschaffen. Het hof ziet geen aanleiding voor bewijslevering en veroordeelt de appellant in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat ABN AMRO geen zorgplichtschending of onrechtmatig handelen heeft gepleegd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.338.822/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/734000/ HA ZA 23-487
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 januari 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats 1] , gemeente [plaats 2] ,
appellant,
advocaat: mr. R.H.J.M. Silvertand te Tilburg,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.W. Achterberg te Amsterdam.
Appellant wordt hierna [appellant] genoemd. Geïntimeerde wordt hierna ABN AMRO genoemd.

1.De zaak in het kort

[appellant] is gedurende langere tijd in gesprek geweest met verschillende afdelingen van ABN AMRO over een hypothecaire financiering die uiteindelijk niet is verstrekt, omdat [appellant] niet voldeed aan de door ABN AMRO gehanteerde acceptatiecriteria. [appellant] stelt dat ABN AMRO haar zorgplicht heeft geschonden door hem ten onrechte in de veronderstelling te brengen dat de financiering wel zou worden verstrekt en door niet adequaat te reageren op zijn (informatie)verzoeken. Aldus zou [appellant] de kans zijn ontnomen om elders een financiering tegen een gunstige(re) rente af te sluiten. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen, omdat geen sprake is van een zorgplichtschending of onrechtmatig handelen van ABN AMRO. Daartegen richt zich het hoger beroep.
Ook het hof komt tot de conclusie dat de vorderingen van [appellant] niet toewijsbaar zijn. Dit leidt tot een bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 5 maart 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 13 december 2023 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en ABN AMRO als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord.
[appellant] en ABN AMRO hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 7 november 2025 laten toelichten door hun advocaten, [appellant] door mr. Silvertand voornoemd en mr. W. van Elven (beiden advocaat te Waalwijk) en ABN AMRO door mr. Achterberg voornoemd. De advocaten van [appellant] hebben aanvullende producties in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] vordert in het hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – toewijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van ABN AMRO in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten.
Volgens ABN AMRO moet het hof de vorderingen van [appellant] afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep (inclusief de nakosten).

3.Feiten

3.1.
De rechtbank heeft in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.14 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Grieven 1 t/m 4 van [appellant] zien (mede) op de door de rechtbank vastgestelde feiten. Voor zover van belang zal het hof bij het vaststellen van de feiten of bij de beoordeling rekening houden met deze grieven. Waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
3.2.
[appellant] is piloot. [appellant] ontvangt maandelijks een bedrag van circa € 7.000 van (de holding van) zijn broer, uit hoofde van een hypothecaire geldlening die [appellant] aan zijn broer heeft verstrekt voor de aankoop van een pand. [appellant] heeft zijn perceel met woning gefinancierd door middel van een hypothecaire lening bij [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ).
3.3.
[bank] (
private banking) maakt deel uit van ABN AMRO.
3.4.
Vanwege (ver)bouwplannen voor zijn perceel heeft [appellant] begin 2021 bij [naam 1] van [bank] geïnformeerd naar de mogelijkheden van een hypothecaire financiering van € 1,3 miljoen en het oversluiten van zijn bestaande hypotheek bij [bedrijf] . Omdat [appellant] geen private banking relatie was van [bank] , heeft [naam 1] hem verwezen naar de afdeling Retail van ABN AMRO.
3.5.
In november 2021 is tussen [appellant] en de klantenservice van de afdeling Retail van ABN AMRO telefonisch contact geweest. ABN AMRO heeft [appellant] naar haar zogenoemde ‘pilotendesk’ verwezen, vanwege zijn beroep (piloot) en omdat [appellant] in het verleden ook zijn pilotenfinanciering via ABN AMRO had geregeld.
3.6.
Op 19 januari 2022 heeft [appellant] telefonisch gesproken met [naam 2] van de pilotendesk. Naar aanleiding van dat gesprek heeft [appellant] op 25 januari 2022 verschillende stukken aan [naam 2] gemaild.
3.7.
Bij e-mail van 26 januari 2022 heeft [naam 2] aan [appellant] geschreven:
“Bedankt voor de gegevens (…). Mijn collega, die ook hypotheken verstrekt voor [bank] , heb ik jouw case voorgelegd. Ik mag helaas niet rekenen met de inkomsten die jij ontvangt vanuit de lening die [je] aan je broer hebt verstrekt. Ik ben het daar niet mee eens, maar helaas. Ik heb begrepen dat ze bij [bank] dat wel kunnen, dus ik heb jouw gegevens doorgestuurd naar mijn collega’s van [bank] . Je wordt benaderd door een van hun voor een vervolg. Ik hoop dat zij je verder kunnen helpen met jouw plannen.”
3.8.
Op 9 februari 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 3] van [bank] en [appellant] , bij [appellant] thuis. Na het gesprek heeft [appellant] aan [naam 3] bij e-mail van 9 februari 2022 aanvullende informatie verstrekt en geschreven:

Fijn dat je alsnog je best wil doen om bij [bank] te kijken naar de mogelijkheden. Ik ben wel bereid om over te stappen. (…) Mijn voorstel is 1,4 miljoen waarvan ik € 700.000 wil aflossen in 120 maanden! (…) Als ik zelf als ex erkend hypotheekplanner mijn mogelijkheden doorreken kom ik makkelijk (net als [bedrijf] ) aan het gevraagde bedrag. Laten we kijken wat er mogelijk is. Ik hoor het graag.”
3.9.
Daarop heeft [naam 3] bij e-mail van 9 maart 2022 aan [appellant] geschreven:
“De plannen zien er geweldig uit, maar helaas was het inkomen dat door ons vastgesteld is niet toereikend voor de door jou gewenste hypotheek. Tijdens het gesprek heb je aangegeven dat het bij andere partijen wel mogelijk was om de hypotheek te sluiten. Daarop heb ik nog met meerdere mensen binnen onze bank gesproken, maar de bottleneck blijft de aflossing van de lening aan jouw broer. De rente nemen we gedeeltelijk wel mee als inkomen, maar de aflossing niet. Dit wordt echt gezien als interen op vermogen en dat is in ons beleid niet toegestaan. Helaas kan ik je niet anders berichten. Uiteraard wens ik je heel veel succes met het realiseren van jouw plannen!”
3.10.
In reactie op deze e-mail heeft [appellant] aan [naam 3] op dezelfde dag geschreven:
“Jammer dat het inlosbedrag niet wordt meegenomen. Het is geen interen op vermogen maar terugkerende liquiditeit (…). Ik denk erover om de hypotheek te laten terug betalen door mijn broer. In dat geval zou ik € 350k willen lenen. Kan je kijken of een hypotheek van € 900 of € 950k mogelijk is op mijn inkomen uit loondienst en winst uit onderneming? (…) Wat zijn nu de rente percentages bij ABN? Ik heb uiteraard gewacht op jouw antwoord maar ik zie de rente stijgen en dat is niet gunstig maar wel weer voor oversluiten m.b.t. boeterente. Hoor het graag zodat we verder kunnen.”
Op deze e-mail is geen reactie gekomen van de zijde van [naam 3] .
3.11.
Op 25 april 2022 heeft [appellant] opnieuw een e-mail gestuurd aan [naam 2] . Daarin schrijft [appellant] (onder meer) dat hij geen reactie meer krijgt van [naam 3] , dat zijn hypotheekbehoefte inmiddels wat is gewijzigd, dat de rente inmiddels fors is gestegen, maar dat hij nog steeds wil kijken naar het oversluiten van zijn huidige hypotheek. [naam 2] heeft op 9 mei 2022 geantwoord dat hij aan de directeur Private Banking [naam 4] een verzoek heeft gedaan om contact op te nemen met [appellant] .
3.12.
Op 7 juni 2022 heeft [appellant] aan [naam 2] gemaild dat hij nog niets heeft vernomen van ABN AMRO. [naam 2] heeft op 10 juni 2022 geantwoord.
3.13.
[naam 4] heeft bij e-mail van 24 juni 2022 – onder verwijzing naar het eerdere contact met [naam 3] – aan [appellant] laten weten dat na een analyse van de aangeleverde stukken niet kon worden gekomen tot een inkomen dat past bij de door [appellant] gewenste hypotheek, ook niet nadat de behoefte van € 1,4 miljoen euro naar € 1,1 miljoen werd bijgesteld.
3.14.
Op 21 juli 2022 heeft [appellant] een klacht ingediend bij ABN AMRO, waar ABN AMRO op 11 augustus 2022 op heeft gereageerd. In het najaar van 2022 en begin 2023 hebben ook de rechtsbijstandsverzekeraar en de advocaat van [appellant] met ABN AMRO gecorrespondeerd.
3.15.
Op 18 augustus 2022 heeft [naam 2] op verzoek van [appellant] twee globale berekeningen van zijn leencapaciteit in januari 2022 gemaild. Deze berekeningen heeft [naam 2] gemaakt aan de hand van enkele uitgangspunten en informatie die hij van [appellant] had gekregen, waaronder het rentetarief uit een door [appellant] in internetbankieren gemaakte en opgeslagen berekening van januari 2022. In zijn e-mail berekent [naam 2] op basis van die hypothetische gegevens de leencapaciteit van [appellant] :
- bij een inkomen van € 177.936 en een rente van 1,54% op ongeveer € 1.068.000;
- bij een inkomen van € 182.936 en een rente van 1,54% op ongeveer € 1.098.000.
3.16.
Bij notariële akte van 21 mei 2025 is ten behoeve van [bedrijf] een recht van tweede hypotheek gevestigd op het perceel en de woning van [appellant] tot zekerheid van terugbetaling van een leenbedrag van € 338.349,36.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
Samengevat heeft [appellant] bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat ABN AMRO tekort is geschoten in haar zorgplicht, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [appellant] ten tijde van de beoordeling/procedure van de hypotheekaanvraag, en dat ABN AMRO aansprakelijk is voor de daardoor ontstane en nog te ontstane schade, op te maken bij staat, met veroordeling van ABN AMRO in de (na)kosten.
4.2.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis in de kern geoordeeld dat [appellant] er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat ABN AMRO hem een hypothecaire financiering zou verstrekken. Door de financiering niet te verstrekken is ABN AMRO niet tekortgeschoten in haar (bancaire) zorgplicht en heeft zij niet onrechtmatig gehandeld tegenover [appellant] . Ook het uitblijven van een reactie van ABN AMRO na 9 maart 2022 is niet onrechtmatig. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten.

5.Beoordeling

5.1.
[appellant] voert in hoger beroep vijf grieven aan tegen het bestreden vonnis, die zien op de feiten, de beoordeling van de door [appellant] aan ABN AMRO gemaakte verwijten en het gehanteerde normenkader. In essentie bestrijden deze grieven het oordeel van de rechtbank dat er geen grondslag bestaat voor aansprakelijkheid van ABN AMRO tegenover [appellant] . Zij lenen zich (grotendeels) voor een gezamenlijke behandeling.
5.2
In hoger beroep staat de vraag centraal of ABN AMRO tegenover [appellant] een op haar rustende zorgplicht heeft geschonden (dan wel onrechtmatig heeft gehandeld), waardoor zij tegenover [appellant] aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade. [appellant] stelt daartoe – kort gezegd – dat ABN AMRO hem in de veronderstelling heeft laten verkeren dat voor hem een hypothecaire financiering van ten minste € 950.000 bij ABN AMRO mogelijk was. Daarnaast had ABN AMRO gelet op de stijgende rentes eerder en duidelijker kenbaar moeten maken dat hij geen financiering bij ABN AMRO kon verkrijgen, in plaats van [appellant] van de ene naar de andere afdeling te sturen. Als ABN AMRO dat wel had gedaan, had [appellant] eerder een lening bij [bedrijf] kunnen afsluiten. Gelet op de specifieke omstandigheden van de stijgende rentes had ABN AMRO duidelijk moeten afwijzen, althans adequaat moeten informeren en/of waarschuwen, aldus [appellant] .
5.3.
ABN AMRO stelt zich op het standpunt dat zij juist adequaat en zorgvuldig heeft gehandeld door [appellant] te hebben behoed voor overkreditering en dat zij in de gegeven omstandigheden mocht besluiten om aan [appellant] geen renteaanbod en hypotheekofferte uit te brengen. De gesprekken met [appellant] zouden slechts een oriënterend karakter hebben gehad en tweemaal zijn geëindigd met een afwijzing. Van een zorgplichtschending, dan wel onrechtmatig handelen is volgens ABN AMRO geen sprake.
Bijzondere zorgplicht
5.4.
De maatschappelijke functie van banken brengt een bijzondere zorgplicht mee. Die zorgplicht geldt zowel tegenover cliënten van de bank uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als tegenover derden met de belangen van wie de bank rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De reikwijdte van de zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval. Het kan daarbij gaan om onderzoeks-, advies-, informatie- en waarschuwingsplichten. Relevante omstandigheden in dit verband zijn onder meer de ingewikkeldheid van het financiële product, de daaraan verbonden risico’s en de hoedanigheid van de cliënt of de derde (HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2536 en HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1274 en HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1276). De zorgplicht kan ook meebrengen dat een bank, voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst tot hypothecair krediet, gehouden is inlichtingen in te winnen over de inkomens- en vermogenspositie van de client, om overkreditering te voorkomen (HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2298).
Geen zorgplichtschending of onrechtmatige daad
5.5.
Niet in geschil is dat het contact tussen [appellant] en ABN AMRO niet heeft geresulteerd in een formeel renteaanbod of een hypotheekofferte van de zijde van ABN AMRO als opmaat naar een (overeenkomst van) hypothecaire financiering. De vraag is dus of ABN AMRO op andere wijze [appellant] redelijkerwijs in de veronderstelling heeft gebracht dat voor hem een hypothecaire financiering van ten minste 950.000 euro bij ABN AMRO mogelijk was.
5.6.
Voorop staat dat niet is gebleken dat op enig moment voorafgaand aan 9 maart 2022 door [appellant] met ABN AMRO een ander scenario is besproken dan het oversluiten van zijn lopende hypotheek bij [bedrijf] en een daarmee samenhangende financieringsbehoefte van € 1,3 (en later € 1,4) miljoen. In het contact met [bank] in maart 2021, toen [appellant] voor het eerst informeerde naar de mogelijkheden van een hypothecaire financiering, ging het om een bedrag van € 1,3 miljoen euro (zie onder 3.4).
5.7.
Uit de e-mail van 9 februari 2022 van [appellant] aan [naam 3] van [bank] blijkt ook juist dat [appellant] een financiering van € 1,4 miljoen voorstelde en dat hij ook van mening was dat dit
“gevraagde bedrag”mogelijk was. De e-mails van 26 januari en 9 maart 2022 bevatten, zoals ABN AMRO terecht heeft betoogd, ook geen aanknopingspunten dat al in januari 2022 tussen [appellant] en ABN AMRO is gesproken over een financiering van € 950.000. Dat al vóór 9 maart 2022 is gesproken over een financiering van € 950.000 volgt verder ook niet uit de berekeningen van de leencapaciteit die [naam 2] in augustus 2022 op verzoek van [appellant] heeft gemaakt. Zoals ook blijkt uit de tekst van de e-mail van 18 augustus 2022, heeft [naam 2] zijn berekeningen pas op dat moment gemaakt aan de hand van door [appellant] aangeleverde informatie, waaronder het rentetarief uit een door [appellant] zelf in internetbankieren gemaakte berekening van januari 2022 (op dat moment 1,54%). Dat [appellant] daarnaast zelf in augustus 2022 op basis van de toenmalige rentestand van 3,91% een leencapaciteit van € 945.505 euro heeft berekend zegt niets over de inhoud van de gesprekken tussen ABN AMRO en [appellant] in januari 2022. Daarbij komt dat [appellant] pas in zijn e-mail van 9 maart 2022 een alternatieve financieringsbehoefte van € 900.000 of € 950.000 heeft genoemd, nadat hem duidelijk werd dat niet kon worden gerekend met het inkomen uit de lening aan zijn broer. Daaruit volgt dat dit alternatief van een lager leenbedrag kennelijk niet eerder aan de orde is geweest. De hiermee samenhangende grieven slagen niet.
5.8.
Naar het oordeel van het hof is verder voldoende komen vast te staan dat ABN AMRO op twee momenten schriftelijk aan [appellant] heeft laten weten niet aan deze financieringsbehoefte (van € 1,3 of € 1,4 miljoen) te kunnen voldoen, omdat [appellant] niet voldeed aan de door ABN AMRO gehanteerde acceptatiecriteria voor het verstrekken van een hypothecaire financiering. [appellant] mocht daarom niet redelijkerwijs verwachten dat hem de gevraagde hypothecaire financiering zou worden verstrekt. In zijn e-mail van 26 januari 2022 heeft [naam 2] immers geschreven:
“Ik mag helaas niet rekenen met de inkomsten die jij ontvangt vanuit de lening die [je] aan je broer hebt verstrekt. Ik ben het daar niet mee eens, maar helaas.”Daarna heeft [naam 2] hem verwezen naar [bank] (
“Ik hoop dat zij je verder kunnen helpen met jouw plannen.”). Vervolgens heeft ook [naam 3] van [bank] de gevraagde financiering afgewezen in zijn e-mail van 9 maart 2022: “
De plannen zien er geweldig uit, maar helaas was het inkomen dat door ons vastgesteld is niet toereikend voor de door jou gewenste hypotheek. (…) de bottleneck blijft de aflossing van de lening aan jouw broer. De rente nemen we gedeeltelijk wel mee als inkomen, maar de aflossing niet. Dit wordt echt gezien als interen op vermogen en dat is in ons beleid niet toegestaan. Helaas kan ik je niet anders berichten. Uiteraard wens ik je heel veel succes met het realiseren van jouw plannen!”
5.9.
Beide e-mails moest [appellant] dan ook redelijkerwijs opvatten als een definitieve mededeling van ABN AMRO dat het voor de gevraagde financiering benodigde inkomen niet voldoende was en dat daarom ook de financiering zelf niet mogelijk was. [appellant] heeft dit vervolgens ook zo begrepen, zoals blijkt uit zijn e-mail van 9 maart 2022:
“Jammer dat het inlosbedrag niet wordt meegenomen”. Kortom, de gesprekken tussen [appellant] en ABN AMRO over een mogelijke hypothecaire financiering van € 1,3 of € 1,4 miljoen zijn geëindigd met een duidelijke afwijzing van de zijde van ABN AMRO. Anders dan [appellant] stelt, is de e-mail van 24 juni 2022 van [naam 4] slechts een herhaling van de eerdere mededelingen aan [appellant] en een terugblik op het contact met (Floris) [naam 3] en is deze niet te beschouwen als afwijzing van een financiering. De daarmee samenhangende grief faalt om deze reden.
5.10.
Gezien het voorgaande stelt het hof vast dat [appellant] niet gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat ABN AMRO hem een hypothecaire financiering van tenminste 950.000 euro zou verstrekken. Ook is niet gebleken dat al in januari 2022 tussen [appellant] en [naam 2] is gesproken over essentiële elementen als rente en looptijd van een mogelijke hypothecaire financiering. Het hof is van oordeel dat de gesprekken tussen ABN AMRO en [appellant] niet verder zijn gekomen dan de oriënterende fase. Het staat een bank in beginsel vrij om een financiering niet te verstrekken, als een potentiële klant niet voldoet aan de gehanteerde acceptatiecriteria. In zoverre heeft ABN AMRO niet gehandeld in strijd met een op haar rustende zorgplicht en ook niet onrechtmatig tegenover [appellant] gehandeld, nu de financiering niet is verstrekt.
5.11.
Vervolgens is de vraag of ABN AMRO haar zorgplicht heeft geschonden, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [appellant] door niet adequaat, dat wil zeggen niet (tijdig) of onvolledig te reageren op (informatie)verzoeken van de zijde van [appellant] ten tijde van stijgende rentepercentages. Het hof heeft in het voorgaande geoordeeld dat ABN AMRO tweemaal schriftelijk aan [appellant] heeft laten weten niet in zijn financieringsbehoefte te kunnen voorzien en dat deze mededeling ook redelijkerwijs zo had moeten worden begrepen door [appellant] . Tegen deze achtergrond moeten de overige verwijten van [appellant] aan het adres van ABN AMRO worden beoordeeld.
5.12.
Nu van een financieringsaanvraag van € 900.000 of € 950.000 vóór 9 maart 2022 of een ander scenario dan het oversluiten van een lopende hypotheek niet is gebleken, hoefde daarop ook geen reactie te worden gegeven door ABN AMRO. Ook is verklaarbaar en niet onrechtmatig dat [naam 3] in zijn e-mail van 9 maart 2022, naast de mededeling dat op basis van de inkomensgegevens van [appellant] de gevraagde hypothecaire financiering niet mogelijk is, niet ook nog ingaat op andere (financierings)mogelijkheden of scenario’s. Ook de e-mail van [naam 2] van 26 januari 2022 is niet onvolledig of onduidelijk, omdat uit de tekst van de e-mail blijkt dat de gegevens zijn doorgezonden aan [bank] en dat de pilotendesk niets voor [appellant] kan betekenen. Vervolgens heeft [bank] bij e-mail van 9 maart 2022 inhoudelijk gereageerd. De daarmee samenhangende grief slaagt niet.
5.13.
Dat de e-mail van [appellant] van 9 maart 2022 verder inhoudelijk onbeantwoord is gebleven, betekent naar het oordeel van het hof, zonder meer, ook niet dat ABN AMRO haar zorgplicht heeft geschonden of onrechtmatig heeft gehandeld. Uit de e-mail blijkt immers dat [appellant] , na de afwijzing van zijn financiering door [naam 3] , zelf ook nog niet wist wat hij wilde:
“Ik denk erover om de hypotheek te laten terug betalen door mijn broer. In dat geval zou ik € 350k willen lenen. Kan je kijken of een hypotheek van € 900 of € 950k mogelijk is op mijn inkomen uit loondienst en winst uit onderneming?”Daarnaast blijkt uit dezelfde e-mail dat [appellant] zich bewust was van de stijgende rentes en de mogelijke gevolgen voor zijn leencapaciteit: “
Wat zijn nu de rente percentages bij ABN? Ik heb uiteraard gewacht op jouw antwoord maar ik zie de rente stijgen en dat is niet gunstig maar wel weer voor oversluiten m.b.t. boeterente.”Van hem had daarom verwacht mogen worden dat hij, toen een reactie op de e-mail van 9 maart 2022 uitbleef, actie had ondernomen om ABN AMRO duidelijkheid te verschaffen over de concrete financiering die hij wenste en duidelijkheid te verlangen over de vraag of ABN AMRO bereid was die financiering aan hem te verstrekken. In plaats daarvan heeft hij tot 25 april 2022 gewacht voordat hij ABN AMRO om een reactie vroeg. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden hoefde ABN AMRO hem niet (tussentijds) te informeren of te waarschuwen voor stijgende rentes, nu [appellant] daarvan kenbaar op de hoogte was en zelf heeft nagelaten actie te ondernemen. Daarbij komt dat [naam 3] ervan uitging dat [appellant] bij [bedrijf] wel zijn hypotheek kon oversluiten en mocht hij het gesprek (over de financieringsbehoefte van € 1,4 miljoen) in zoverre redelijkerwijs als afgerond beschouwen.
5.14.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ABN AMRO ook op dit punt niet in strijd heeft gehandeld met een op haar rustende zorgplicht en ook niet onrechtmatig tegenover [appellant] heeft gehandeld. De in hoger beroep ingestelde vorderingen zijn niet toewijsbaar. De vraag of [appellant] door de handelwijze van ABN AMRO schade heeft geleden wegens verlies van een kans om elders een gunstigere financiering af te sluiten, kan daarmee in het midden blijven.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
5.15.
Het door [appellant] ingestelde hoger beroep heeft geen succes. De grieven slagen niet en het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat hij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
5.16.
[appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 798,00
- salaris advocaat € 2.428,00 (tarief II, 2 punten)
Totaal € 3.226,00

6.Beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
6.2.
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 3.226,00;
6.3.
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 178,- voor nasalaris indien geen betekening plaatsvindt, dan wel tot betaling van € 270,00, vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen 14 dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;
6.4.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.D. Lubach, S.C.H. Molin en R.M. de Winter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.