Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1407

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
200.352.877/01, 200.352.878/01 en 200.352.878/02
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251 BWArt. 1:251a BWArt. 1:402a BWArt. 3:170 BWArt. 3:172 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over gezag, zorgregeling, alimentatie en verdeling huwelijksgoederengemeenschap na echtscheiding

In deze zaak staat het hoger beroep centraal over diverse nevenvoorzieningen na ontbinding van het huwelijk van partijen, waaronder het gezag over de minderjarige kinderen, de zorgregeling, kinderalimentatie, partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

De rechtbank had eerder het gezamenlijk gezag gehandhaafd, een zorgregeling vastgesteld voor een van de kinderen, alimentatiebedragen bepaald en de verdeling van de woning en andere goederen geregeld. De man en vrouw zijn het niet eens over diverse onderdelen, waaronder de alimentatiebedragen, de verjaardagenregeling, de verdeling van rentecontracten verbonden aan de woning en de toedeling van spaargeld.

Het hof heeft het gezamenlijk gezag bekrachtigd, gelet op het belang van de kinderen en de omstandigheden, ondanks de moeizame communicatie tussen de ouders. De zorgregeling is aangevuld met een verjaardagenregeling en de Kerstvakantie wordt gelijk verdeeld. De alimentatiebedragen zijn aangepast op basis van een nieuwe draagkrachtberekening, waarbij de man een hogere draagkracht wordt toegekend dan de rechtbank had vastgesteld. De verdeling van de woning wordt bevestigd, waarbij de rechten uit de rentecontracten aan de man worden toegedeeld indien hij de woning krijgt toegewezen. Verder wordt de man veroordeeld tot betaling van de helft van het spaargeld aan de vrouw, en wordt de vrouw binnen zes maanden in het bezit gesteld van gezinsfoto’s. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het gezamenlijk gezag, past alimentatiebedragen aan, regelt de zorg- en verjaardagenregeling, en bepaalt de verdeling van de woning en spaargeld met toedeling van rentecontracten aan de man.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.352.877/01, 200.352.878/01 en 200.352.878/02
zaaknummers rechtbank: C/13/741746 / FA RK 23-7345 (echtscheiding), C/13/752662 / FA RK 24-4095 (verdeling) en C/13/751812 / FA RK 24-3719 (voorlopige voorziening)
beschikking van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak van
[de man],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incident,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. J.D. Bakker te Den Haag,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incident,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S.A. Raalte te Amsterdam, voorheen mr. E.A. Velthoven.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

In hoger beroep zijn aan de orde het gezag over de kinderen, de verdeling van de zorg- en opvoedtaken (zorgregeling), de kinderalimentatie, de partneralimentatie en de afwikkeling van de verdeling van de (algehele) wettelijke huwelijksgemeenschap van partijen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De man is op 20 maart 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 20 december 2024 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank). Het beroepschrift bevat tevens een verzoek tot schorsing van de werking van een gedeelte van de bestreden beschikking (zaaknummer 200.352.878/02).
2.2
De vrouw heeft op 18 april 2025 een verweerschrift in het schorsingsverzoek ingediend.
2.3
De vrouw heeft op 27 mei 2025 in de bodemzaak een verweerschrift ingediend met daarin ook een incidenteel hoger beroep.
2.4
De man heeft op 28 juli 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.5
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vrouw van 30 januari 2026 met bijlagen, en
- een bericht van de zijde van de vrouw van 4 februari 2026 met bijlage.
2.6
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om aan het hof hun mening kenbaar te maken over de onderwerpen die hen aangaan. [minderjarige 2] heeft daarvan geen gebruik gemaakt. [minderjarige 1] heeft haar mening op schrift gesteld en heeft haar brief vervolgens toegelicht in een gesprek met de voorzitter enkele dagen voorafgaand aan de zitting.
2.7
De zitting heeft op 12 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat,
- de vrouw, bijgestaan door mr. E.A. van Velthoven,
- de raad, vertegenwoordigd door V.D. Aelbers.
Mr. van Velthoven heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn [in] 2003 in de gemeente [gemeente] gehuwd in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen. Hun huwelijk is op 2 april 2025 ontbonden door inschrijving van de (in zoverre niet) bestreden (echtscheidings-)beschikking in de Registers van de Burgerlijke Stand.
3.2
Tijdens het huwelijk van partijen zijn geboren:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2008 te [plaats A] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2013 te [plaats A] .
3.3
Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
3.4
Bij beschikking van 12 september 2024 heeft de rechtbank in het kader van voorlopige voorzieningen – kort gezegd – bepaald dat [minderjarige 2] aan de vrouw wordt toevertrouwd en voor haar een regeling in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders (hierna: zorgregeling) vastgesteld. De beslissing op de verzoeken tot het vaststellen van een zorgregeling voor [minderjarige 1] heeft de rechtbank aangehouden en de raad verzocht om in dat kader onderzoek te verrichten. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de man € 1.125,- per maand aan de vrouw dient te betalen als uitkering tot haar levensonderhoud (hierna: partneralimentatie).
3.5
Bij de – in zoverre niet – bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man en dat [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw. Daarnaast heeft de rechtbank voor [minderjarige 2] een zorgregeling (op basis van co-ouderschap) bepaald en de beslissing over de zorgregeling voor [minderjarige 1] aangehouden in afwachting van voornoemd raadsonderzoek.
3.6
Bij beschikking van 6 november 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de beslissing over de zorgregeling voor [minderjarige 1] nogmaals wordt aangehouden in afwachting van het raadsonderzoek en het verloop van het traject van partijen bij Arkin.
3.7
Bij bericht van 4 februari 2026 heeft Arkin aan partijen laten weten dat Arkin het gezin geen SGGZ-traject kan aanbieden en deelname aan het KUK-traject komt te vervallen, omdat de man niet akkoord gaat met het organiseren van een geldige verwijsbrief van de huisarts.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – bepaald dat het gezamenlijk gezag van partijen over de kinderen in stand blijft en een zorg- en vakantieregeling voor [minderjarige 2] vastgesteld.
Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 3 november 2023 € 265,- per maand dient te betalen aan de vrouw als kinderalimentatie voor [minderjarige 2] en dat de vrouw met ingang van 3 november 2023 € 103,- per maand dient te betalen aan de man als kinderalimentatie voor [minderjarige 1] .
Verder heeft de rechtbank bepaald dat de man € 1.427,- per maand dient te betalen aan de vrouw als partneralimentatie, met ingang van de datum van de echtscheidingsbeschikking, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Tot slot is de wijze van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen gelast waarbij, samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, onder meer is bepaald:
- dat de echtelijke woning van partijen in opdracht van beide partijen getaxeerd zal worden, dat de getaxeerde marktwaarde bindend is tussen partijen, dat de woning aan de man toegedeeld wordt onder de voorwaarden dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen en dat de man de helft van de eventuele overwaarde op het moment van de notariële overdracht aan de vrouw dient te vergoeden en dat, als de man niet binnen drie maanden na de taxatie heeft aangetoond dat hij in staat is om toedeling van de woning aan hem te realiseren, de woning verkocht moet worden aan (een) derde(n);
- dat de gemeenschappelijke inboedel aan de man wordt toegedeeld tegen een waarde van € 6.000,- zodat de man € 3.000,- aan de vrouw dient te voldoen;
- dat de goederen genoemd onder 2.11.17 van de bestreden beschikking aan de vrouw worden toebedeeld zonder nadere verrekening en dat, voor zover de man de onder 2.11.17 genoemde goederen van de vrouw niet binnen twee weken na de datum van de echtscheidingsbeschikking heeft afgegeven, hij de vrouw toegang dient te verlenen tot de echtelijke woning zodat de vrouw deze goederen kan komen ophalen;
- dat de man de helft van het spaargeld, te weten € 5.079,27 aan de vrouw dient te voldoen.
4.2
De man verzoekt in het principaal hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen voor zover die ziet op de onderdelen 3.9, 3.10, 3.11, 3.18, en opnieuw rechtdoende:
a. de verzoeken van de vrouw waarover in de hiervoor genoemde onderdelen is beslist, af te wijzen, dan wel indien en voor zover het hof van oordeel is dat de verzoeken van de vrouw voor toewijzing vatbaar zijn, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] te beperken tot een bedrag van € 77,- per maand en de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te beperken tot een bedrag van € 428,- (bruto) per maand en de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] vast te stellen op € 432,- per maand, althans een zodanig bedrag als het hof gerechtvaardigd acht;
b. de verdeling van de onder 28 genoemde roerende zaken als volgt vast te stellen:
Toedelen aan de man:
• Gereedschap;
Toedelen aan de vrouw:
• Citroenboom ter waarde van € 69,95; (reeds overhandigd)
• WMF Bestek ter waarde van € 229;
• Bouwlamp; (reeds overhandigd)
• Dansschoenen van de vrouw;
• Kamerplant ter waarde van € 119,95; (reeds overhandigd)
• Staande lamp ter waarde van € 299; (reeds overhandigd)
• Tafellamp ter waarde van € 185; (reeds overhandigd)
• Persoonlijke CD’s.
4.3
De man heeft tevens zijn verzoek vermeerderd, in die zin dat hij verzoekt:
c. een regeling omtrent het verblijf van de kinderen op hun verjaardag en de verjaardagen
van ouders vast te stellen, die luidt als volgt:
De kinderen verblijven op de verjaardag van een ouder bij de jarige ouder met inachtneming van het volgende:
de niet-jarige ouder brengt de kinderen, indien afwijkend van de reguliere omgangsregeling, daags voor de verjaardag om 17:00 uur bij de andere ouder. De jarige ouder brengt de kinderen de ochtend na de verjaardag naar de andere ouder dan wel naar school/opvang;
de kinderen verblijven tijdens hun verjaardag:
in de even jaren: bij de vader
in de oneven jaren: bij de moeder
met inachtneming van het volgende: indien en voor zover het jarige kind niet reeds ingevolge de reguliere zorgregeling bij de hiervoor aangewezen ouder verblijft, brengt de andere ouder beide kinderen daags voor de verjaardag om 17:00 uur naar de aangewezen ouder en brengt deze ouder de kinderen de dag na de verjaardag naar school of naar de andere ouder indien dat uit de reguliere zorgregeling voortvloeit;
d. te bepalen dat de vrouw stukken met betrekking tot de aan de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] verbonden spaarrekening overlegt over de periode van zes maanden voorafgaand aan de peildatum voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap zijnde 3 november 2023;
e. te bepalen dat de gezamenlijke bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 2]
aan de man wordt toebedeeld;
f. te bepalen dat de rechten uit de rentecontracten aan de man worden toebedeeld;
g. primair te bepalen dat de in deze af geven beschikking dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van de vrouw tot het verlenen van de door de man gezochte toestemming voor de overdracht van de rechten uit hoofde van de in het lichaam van dit beroepschrift genoemde rentecontracten en subsidiair te bepalen dat de vrouw met ingang van de derde dag na betekening van de in deze af te geven beschikking een dwangsom verschuldigd wordt van € 500,- per dag dat zij in gebreke blijft de vereiste medewerking en toestemming te verlenen, met een maximum van € 50.000,-.
4.4
In het incident verzoekt de man de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking te schorsen in dier voege dat de door de rechtbank bepaalde termijn van drie maanden waarbinnen de man de tijd krijgt om aan te tonen dat hij in staat is de toedeling van de woning te financieren, onder overname van de hypothecaire geldlening en bijbehorende rekeningen en verzekering en hiervoor de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan, eerst zal ingaan op het moment dat de vrouw haar toestemming verleent voor de omzetting van het rentecontract op naam van de man.
4.6
De vrouw verzoekt in het principaal hoger beroep de verzoeken van de man af te wijzen.
4.7
In het incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:
II. te bepalen dat de vrouw wordt belast met het eenhoofdig gezag over de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
III. te bepalen dat op haar verjaardag [minderjarige 2] in 2026 bij de vrouw verblijft en dat vanaf 2027 de verjaardagen worden verdeeld conform het verzoek van de man;
IV. te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 315,- per maand aan kinderalimentatie dient te betalen ten behoeve van [minderjarige 2] en de vrouw aan de man een bedrag van € 52,- aan kinderalimentatie dient te betalen ten behoeve van [minderjarige 1] of een andere door het hof in goede justitie te bepalen kinderalimentatie vanaf de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek dan wel een andere door het hof in goede justitie te bepalen datum;
V. te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 3.574,- per maand aan partneralimentatie dient te voldoen per datum indiening verweerschrift in hoger beroep of
een andere door het hof in goede justitie te bepalen partneralimentatie en datum;
VI. te bepalen dat de man aan de vrouw de helft van het spaargeld van partijen van € 15.277,04
aan de vrouw dient te betalen waardoor de man gehouden is een bedrag van € 7.184,77 aan de vrouw te betalen ter verdeling van het spaargeld van partijen zonder verdere verrekening door de man;
VII. te bepalen dat de man wordt veroordeeld tot nakoming van rechtsoverweging 3.15 van de bestreden beschikking op straffe van een dwangsom ad € 1.000,- per dag of dagdeel waarin de man in gebreke blijft om deze beslissing na te komen met een maximum van € 50.000,- en te bepalen dat dat indien en voor zover het maximum aan verbeurde dwangsommen is bereikt, de vrouw te machtigen tot het te gelde maken van de woning alsmede van de daaraan verbonden hypothecaire schuld met alles wat daartoe nodig en noodzakelijk is, waaronder het bepalen van de vraagprijs, het voor de gemeenschappelijke rekening verrichten van noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden, inschakeling van de makelaar, kosten van de makelaar etc.;
VIII. te bepalen dat de kerstvakantie bij helfte wordt verdeeld in die zin dat [minderjarige 2] in de even jaren de eerste week van de kerstvakantie bij de vrouw verblijft en de tweede week van de kerstvakantie bij de man. In de oneven jaren is dit andersom.
4.8
De vrouw heeft tevens haar verzoek vermeerderd, in die zin dat zij verzoekt:
IX. te bepalen dat de vrouw binnen twee weken na de onderhavige beschikking de
echtelijke woning mag betreden tezamen met een door de vrouw te kiezen vertrouwenspersoon om de volgende zaken op te halen:
a. a) de gehele WMF-bestekset;
b) alle dozen met herinneringen met betrekking tot de kinderen (niet slechts de
werkjes waar op staat “voor mama’ maar alle herinneringen). De vrouw heeft dit altijd gespaard, de man heeft hier niet naar omgekeken;
c) de digitale foto’s die op de computer van de echtelijke woning staan (gezinsfoto’s van vakanties etc.);
d) de schaatsen van de vrouw;
e) de dansschoenen van de vrouw;
f) het gereedschap van de overleden vader van de vrouw;
g) persoonlijke cd’s;
en dat de man gehouden wordt om de vrouw op een nader over een te komen datum binnen
deze twee weken na de beschikking vrije toegang te verlenen tot de echtelijke woning en
bovengenoemde spullen doet toekomen op straffe van een dwangsom ad € 1.000,- per dag
of dagdeel waarin de man in gebreke blijft om aan het bovenstaande te voldoen met een
maximum van € 50.000,-;
X. de man te veroordelen in de proceskosten van deze procedure, waaronder griffierecht en
salaris advocaat, alsook eventueel (na)salaris advocaat voor het geval de man niet binnen
14 dagen na verschijnen van het vonnis over gaat tot vrijwillige voldoening daarvan, althans
een in goede justitie te bepalen veroordeling.
4.1
In het incident verzoekt de vrouw de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het schorsingsverzoek af te wijzen en de man te veroordelen in de kosten van de procedure, alsmede, indien de man niet binnen veertien dagen aan deze beschikking voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, in de kosten van betekening (nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) over de proces- en nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijven door de man worden voldaan.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De man heeft acht grieven aangevoerd tegen de beschikking van de rechtbank, de vrouw vijf grieven. Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep waar mogelijk gezamenlijk behandelen.
Gezag
5.2
Op grond van artikel 1:251 lid 2 BW Pro blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben na ontbinding van het huwelijk dit gezag gezamenlijk uitoefenen.
Uit artikel 1:251a BW volgt dat de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van één van hen kan bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.3
De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen heeft afgewezen. Zij stelt dat het beëindigen van het gezamenlijk gezag van partijen in het belang van de kinderen noodzakelijk is, omdat zij klem en verloren (dreigen te) raken tussen hun ouders. Partijen hebben een zeer slechte verstandhouding en kunnen niet op een goede wijze beslissingen nemen over de zorg en opvoeding van de kinderen. De man gebruikt keer op keer zijn ouderlijk gezag om noodzakelijke beslissingen en handelingen ten aanzien van de kinderen (met name [minderjarige 2] ) te frustreren. Als de vrouw bijvoorbeeld met [minderjarige 2] op vakantie wil, bezorgt de man hen onnodig veel stress door eerst niet op de berichten van de vrouw te reageren en dan pas op het allerlaatste moment het toestemmingsformulier te ondertekenen. Ook afspraken voor [minderjarige 2] bij de huisarts of de orthodontist worden door de man op vergelijkbare wijze gefrustreerd dan wel lastiger gemaakt. Hetzelfde geldt voor de bespreking van het schooladvies van [minderjarige 2] op haar basisschool en de procedure voor de inschrijving van [minderjarige 2] op de middelbare school. De vrouw probeert open en transparant te zijn en met de man in overleg te treden. De man daarentegen informeert de vrouw niet en regelt zaken die betrekking hebben op de dochters zonder de vrouw hierin te consulteren. Dit is niet langer vol te houden voor de vrouw. Zij heeft er bijna een dagtaak aan om tot de noodzakelijke gezagsbeslissingen ten aanzien van [minderjarige 2] te komen. Wat betreft [minderjarige 1] lijkt de man zijn ouderlijk gezag te gebruiken om de vrouw volledig buiten spel te zetten. Om nog enigszins informatie over [minderjarige 1] te kunnen ontvangen en betrokken te worden, is het van belang dat de vrouw belast wordt met het eenhoofdig gezag over haar.
5.4
De man meent dat de rechtbank terecht het verzoek van de vrouw om het eenhoofdig gezag heeft afgewezen. De stellingen van de vrouw kunnen haar verzoek niet dragen. Daarnaast gaat de vrouw voorbij aan het feit dat [minderjarige 1] haar hoofdverblijfplaats heeft bij de man, dat er geen contact tussen de vrouw en [minderjarige 1] is en dat met betrekking tot [minderjarige 2] een co-ouderschap geldt. Een eenzijdig ouderlijk gezag van de vrouw laat zich daarmee niet verenigen. Gezamenlijk gezag is het wettelijk uitgangspunt. De door de vrouw overgelegde e-mails en tekstberichten geven weliswaar blijk van meningsverschillen tussen partijen, maar getuigen niet van het ontbreken van communicatie en daarmee dus ook niet van een situatie waarin de ouders niet in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening, aldus de man.
5.5
De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat er op dit moment geen raadsonderzoek loopt. De rechtbank heeft op 6 november 2025 bepaald dat de beslissing over de zorgregeling voor [minderjarige 1] wordt aangehouden tot 23 februari 2026 in afwachting van het nog op te starten hulpverleningstraject bij Arkin. De raad heeft besloten het verloop van dit traject af te wachten en daarna te bekijken of de rechtbank dan nog een opdracht heeft voor de raad. In het geval van een kinderbeschermingsmaatregel moet namelijk eerst worden onderzocht of hulpverlening in het vrijwillige kader mogelijk is. Pas als dat niet mogelijk blijkt, wordt bekeken hoe verder te gaan.
Ten aanzien van het verzoek om eenhoofdig gezag heeft te gelden dat [minderjarige 1] bijna achttien jaar is. Het aantal gezagsbeslissingen die nog zouden kunnen spelen, lijkt om die reden beperkt. De raad kan zich voorstellen dat partijen hier samen – al dan niet met hulp van de advocaten – uit moeten kunnen komen.
Voor wat betreft [minderjarige 2] wil de raad meegeven dat gezag ziet op het mogen en moeten nemen van belangrijke beslissingen, die in het belang van de minderjarige zijn. Beide ouders kunnen een andere visie hebben, maar uiteindelijk dient de beslissing te worden vertaald naar het belang van [minderjarige 2] . Het gesprek tussen de ouders zou dan ook moeten gaan over de vraag wat de beslissing van de ouders voor [minderjarige 2] betekent, welke beslissing het meest in haar belang is. Op dit moment ziet de raad dat nog niet bij partijen. Als partijen al een gesprek met elkaar aangaan, gaat dat met name over het herhalen van hun eigen standpunten, maar niet hoe dit zich vertaalt naar [minderjarige 2] .
Bij de uitvoering van een co-ouderschap wordt eenhoofdig gezag ingewikkeld. Co-ouderschap vraagt om overleg tussen de ouders, omdat de kinderen zich verhouden en bewegen in twee gescheiden werelden, maar ook een overkoepelend belang hebben. Een minimaal overleg over zaken die belangrijk zijn voor de kinderen is dan ook erg belangrijk. De vraag die door partijen niet wordt beantwoord, is wat het voor [minderjarige 2] betekent als het hof zou besluiten tot eenhoofdig gezag. Pas na onderzoek kan de raad adviseren over het gezag.
5.6
Het hof onderschrijft de beslissing van de rechtbank ter zake van het gezag en hetgeen daartoe in de bestreden beschikking is overwogen. In aanvulling daarop wijst het hof erop dat uit vaste jurisprudentie volgt dat het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer meebrengt dat in het belang van het kind het gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen zodat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.
Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep blijkt dat partijen al jarenlang verwikkeld zijn in een hevige echtscheidingsstrijd. De stressvolle opvoedsituatie die hiervan het gevolg is, heeft grote weerslag op de kinderen. [minderjarige 1] heeft zich genoodzaakt gezien om te kiezen tussen haar ouders en wijst het contact met de vrouw af sinds de vrouw in februari 2024 de woning heeft verlaten. De ingezette hulpverlening heeft hierin helaas geen verandering kunnen brengen. Ook over [minderjarige 2] bestaan zorgen. Zij beweegt zich tussen de twee gescheiden opvoedsituaties en krijgt het nodige mee van wat er zich afspeelt tussen haar ouders en tussen de moeder en haar zus.
De hiervoor genoemde omstandigheden zouden aanleiding kunnen geven tot de conclusie dat er een risico bestaat dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders zonder dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering valt te verwachten. Niettemin is het hof van oordeel dat gezamenlijk gezag van de ouders in deze zaak het meest recht doet aan het belang van de kinderen. Daartoe acht het hof het volgende redengevend. De kinderen lijken ieder een manier te hebben ontwikkeld om met de situatie om te gaan en het lijkt goed met hen te gaan. Zij doen het goed op school, [minderjarige 2] heeft het fijn bij haar beide ouders en [minderjarige 1] heeft het goed bij haar vader. De voorbeelden, waaruit volgens de vrouw zou blijken dat de man beslissingen over de kinderen frustreert, lijken met name het gevolg te zijn van het feit dat de echtscheiding tussen partijen nog niet is afgewikkeld. Partijen lijken niet in staat te zijn om met elkaar te overleggen over de kinderen, omdat zij nog altijd financieel met elkaar verbonden zijn. Zij kunnen daardoor niet verder met hun eigen leven. Met name de verdeling van de voormalige echtelijke woning is tussen partijen een heikel punt. Deze situatie duurt nu al enkele jaren voort, maar het einde lijkt inmiddels in zicht. Het hof zal namelijk bij deze beschikking ook oordelen over de financiële geschilpunten tussen partijen. Het hof verwacht dan ook dat binnen afzienbare tijd de echtscheidingsstrijd tussen partijen meer op de achtergrond komt te staan en zij meer open kunnen staan voor overleg over de kinderen. Wellicht dat bij partijen dan ook de ruimte ontstaat voor hulpverlening van Arkin in de vorm van systeemtherapie, wat tot op heden nog niet op gang is gekomen. Het hof stelt vast dat het partijen in de afgelopen periode is gelukt om een aantal beslissingen te nemen over de kinderen, zij het dat deze beslissingen de nodige tijd en energie van partijen hebben gevraagd. De keuze voor de middelbare school van [minderjarige 2] is gemaakt en haar behandeling bij de orthodontist is gestart. In de overige door de vrouw aangehaalde voorbeelden lijkt met name een gebrek aan informatie een rol te spelen. Partijen verwijten elkaar over en weer onvoldoende geïnformeerd te worden door de ander. Ter zitting in hoger beroep is echter gebleken dat partijen elkaar sinds september 2025 wekelijks mailen met een update over de kinderen. Hierdoor lijkt de informatie-uitwisseling tussen partijen al te zijn verbeterd. Dat de vrouw niet is geïnformeerd over de kaakoperatie van [minderjarige 1] is niet goed, maar lijkt mede het gevolg te zijn van het feit dat [minderjarige 1] niet wilde dat de vrouw hierover door de man op de hoogte werd gesteld. Wijziging van het gezag zal daarin geen verandering brengen. Bovendien acht het hof het niet in het belang van [minderjarige 1] dat de vrouw met het eenhoofdig gezag wordt belast, terwijl [minderjarige 1] volledig bij de man woont en geen contact heeft met de vrouw, nog daargelaten dat [minderjarige 1] in augustus 2026 meerderjarig wordt. Ook ten aanzien van [minderjarige 2] acht het hof het niet in haar belang dat alleen de vrouw met het gezag over haar wordt belast, terwijl zij de helft van de tijd bij de man verblijft. Bij een dergelijke zorgverdeling past een gelijke positie van partijen voor wat betreft de zeggenschap over [minderjarige 2] . Daarbij komt dat het hof niet is gebleken dat de man belangrijke beslissingen over [minderjarige 2] structureel tegenhoudt. Bovendien zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat de verstandhouding en de communicatie tussen partijen zal verbeteren als de vrouw met het eenhoofdig gezag belast wordt. Het hof zal dan ook het verzoek van de moeder om haar met het eenhoofdig gezag over de kinderen te belasten afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen. Het hof gaat er wel vanuit dat partijen zich zullen inspannen om de situatie voor de kinderen te verbeteren waarbij zij open staan voor hulpverlening, dat zij een manier zullen vinden om de oudergesprekken op school in gezamenlijkheid vorm te geven en dat voorkomen wordt dat de kinderen worden geconfronteerd met de gevolgen van onduidelijkheden omtrent de toestemmingsformulieren in het geval van een buitenlandse reis.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
5.7
Tussen partijen is niet in geschil dat [minderjarige 2] in de oneven weken bij de vrouw verblijft en dat zij de even weken bij de man verblijft. De beslissing over de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] heeft de rechtbank aangehouden in afwachting van het gelaste raadsonderzoek en het verloop van het traject bij Arkin.
In hoger beroep beperkt het geschil van partijen zich voor wat betreft de zorgregeling tot de door de man in eerste aanleg verzochte verjaardagenregeling en de verdeling van de Kerstvakantie.
Verjaardagenregeling
5.8
De man stelt dat de rechtbank heeft verzuimd een beslissing te nemen met betrekking tot de verblijfplaats van de kinderen tijdens hun verjaardag en de verjaardagen van de ouders, althans de verzoeken van de man daartoe ten onrechte heeft afgewezen.
De vrouw is akkoord met de door de man voorgestelde regeling, maar verzoekt te bepalen dat [minderjarige 2] in 2026 op haar verjaardag bij de vrouw verblijft.
5.9
Nu partijen het eens zijn over de verjaardagenregeling en deze beschikking pas wordt uitgesproken na 23 februari 2026 (de verjaardag van [minderjarige 2] ), hoeft het hof op dit onderdeel van het verzoek van de vrouw niet meer te beslissen. Het hof zal de door de rechtbank bepaalde zorgregeling aanvullen met de tussen partijen niet in geschil zijnde verjaardagenregeling.
Kerstvakantie
5.1
De rechtbank heeft ten aanzien van de Kerstvakantie bepaald dat [minderjarige 2] de eerste week bij de andere ouder verblijft dan bij wie zij conform de reguliere zorgregeling in het eerste weekend van de vakantie is, tot vrijdag 17:00 uur, waarbij geldt dat zij in de even jaren de Eerste Kerstdag bij de man en de Tweede Kerstdag bij de vrouw is en in de oneven jaren de Eerste Kerstdag bij de vrouw en de Tweede Kerstdag bij de man verblijft, indien en voor zover zulks niet reeds uit de regeling uit de eerste volzin voortvloeit, en de tweede week bij de andere ouder, tot vrijdag 17:00 uur.
5.11
De vrouw verzoekt te bepalen dat de Kerstvakantie bij helfte wordt verdeeld in die zin dat [minderjarige 2] in de even jaren de eerste week van de Kerstvakantie bij de vrouw verblijft en de tweede week van de Kerstvakantie bij de man. In de oneven jaren is dit andersom.
De man refereert zich aan het oordeel van het hof.
5.12
Het hof is met de vrouw van oordeel dat de door de rechtbank bepaalde regeling teveel wisselmomenten voor [minderjarige 2] tot gevolg heeft en acht het in haar belang dat de Kerstvakantie wordt verdeeld zoals de vrouw voorstaat. Het hof zal dan ook dienovereenkomstig beslissen.
Kinderalimentatie
5.13
De rechtbank heeft bepaald dat de man met ingang van 3 november 2023 € 265,- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] . Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw met ingang van 3 november 2023 € 103,- per maand dient te betalen aan de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] .
5.14
De man stelt dat de door hem te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 2] op een lager bedrag dient te worden vastgesteld en de door de vrouw te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] op een hoger bedrag moet worden vastgesteld.
De vrouw stelt dat de door de man aan haar te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 2] op een hoger bedrag moet worden bepaald en dat de door haar te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] op een lager bedrag moet worden bepaald.
5.15
Het hof stelt vast dat de ingangsdatum (3 november 2023) en de behoefte van de kinderen (€ 1.470,- per maand in 2023) tussen partijen niet in geschil is.
5.16
In geschil tussen partijen is de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders.
Het hof zal dan ook de draagkracht van beide ouders vaststellen en een draagkrachtvergelijking maken in het geval de gezamenlijke draagkracht van de ouders de behoefte van de kinderen te boven gaat. Daarbij zal het hof de aanbevelingen voor de berekening van de kinderalimentatie zoals opgenomen in het Rapport Alimentatienormen tot uitgangspunt nemen.
5.17
Bij het vaststellen van de draagkracht gaat het hof uit van het netto besteedbaar inkomen (NBI). Dit inkomen wordt vastgesteld door de som te nemen van het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. De rechtbank is bij de vaststelling van de draagkracht van ieder van partijen uitgegaan van de draagkrachtformule 70% x (NBI - (0,3 NBI + 1.270,-) zoals deze gold in 2024. Nu hier niet tegen is gegriefd, zal het hof dit ook als uitgangspunt nemen. Dit betekent dat het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 1.270,- aan overige lasten, en dat van het bedrag dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, een percentage van 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.
draagkracht van de vrouw
5.18
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de draagkracht van de vrouw berekend op € 1.205,- per maand. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar volledige verdiencapaciteit benut.
De man is het daar niet mee eens en stelt zich op het standpunt dat de vrouw een hogere verdiencapaciteit heeft, omdat zij op dit moment vier dagen per week werkt en dit kan uitbreiden naar een fulltime dienstverband.
De vrouw voert verweer.
5.19
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij haar huidige werkgever niet meer kan werken dan zij nu doet. Zo heeft zij gemotiveerd gesteld dat zij in augustus 2022 haar dienstverband nog heeft kunnen uitbreiden van 60% naar 80%, maar dat verder uitbreiden niet mogelijk is. Dit heeft zij recent nog besproken met haar werkgever. Zij wijst erop dat al eerder collega’s binnen haar team boventallig zijn verklaard, dat zij destijds de dans is ontsprongen, maar dat KLM nog altijd onder druk staat.
Anders dan de man meent, is het hof van oordeel dat van de vrouw niet kan worden verwacht dat zij haar dienstverband bij KLM opgeeft voor een dienstverband bij een andere werkgever. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij vanwege haar 23-jarige dienstverband bij KLM relatief goed verdient. Ook heeft zij door haar lange dienstverband een bepaalde goodwill opgebouwd, waardoor zij de nodige flexibiliteit heeft om er voor de kinderen te zijn wanneer dat nodig is. De vrouw heeft een specialistische functie als [functie] bij KLM […] . Indien zij zou wisselen van werkgever is het volgens de vrouw nog maar de vraag is of zij daar hetzelfde salaris en dezelfde ruimte zal krijgen als zij nu heeft. Tot slot heeft de vrouw terecht aangevoerd dat zij – net als de man – om de week een volledige week de zorg voor de dertienjarige [minderjarige 2] heeft. Naar het oordeel van het hof kan ook om die reden niet van de vrouw worden verlangd dat zij fulltime werkt, net zoals ook van de man niet kan worden verlangd dat hij iedere week als zelfstandige 40 uur in de week werkt.
5.2
Het hof gaat dan ook uit van de gegevens waarmee de rechtbank heeft gerekend en die door de man niet zijn betwist. De draagkracht van de vrouw bedraagt € 1.205,- per maand.
Draagkracht van de man
5.21
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de draagkracht van de man berekend op € 2.272,- per maand. Daarbij is de rechtbank voor het inkomen van de man uitgegaan van een winst uit onderneming van € 147.959,- bruto in 2023.
De vrouw is het daar niet mee eens en stelt dat moet worden uitgegaan van een hogere winst uit onderneming. Als zij kijkt naar de door de man overgelegde overeenkomsten van opdracht moet hij 46 weken per jaar gedurende veertig uur per week kunnen werken tegen een tarief van € 110,- per uur. Hieruit volgt een omzet van € 206.800,- per jaar. Rekening houdend met de kosten in 2023 van € 4.889,- bedraagt de winst uit onderneming € 201.911,- bruto per jaar. Dat is het inkomen op basis waarvan de draagkracht van de man dient te worden berekend, aldus de vrouw.
De man voert verweer.
5.22
Het hof overdeelt als volgt. Zoals hierboven aan de orde is gekomen, kan ook van de man niet worden verwacht dat hij structureel veertig uur per week werkt, naast de zorg die hij heeft voor de kinderen van partijen. Daarnaast heeft de man gemotiveerd gesteld dat zijn opdrachten niet altijd aaneensluitend zijn, maar soms ook worden gevolgd door een periode zonder werk. Verder heeft de man gemotiveerd gesteld dat hij niet telkens voormeld uurtarief in rekening kan brengen, maar soms ook opdrachten tegen een lager tarief moet accepteren. Het hof acht het dan ook niet reëel om uit te gaan van de door de vrouw berekende winst uit onderneming.
Hoewel de man zich heeft beperkt tot het overleggen van de jaarrekening 2023 en verdere financiële gegevens ontbreken, ziet het hof om voornoemde redenen onvoldoende aanleiding om voor de opvolgende jaren uit te gaan van een hogere winst uit onderneming dan die blijkt uit de jaarrekening 2023.
5.23
Tussen partijen is verder in geschil met welke lasten rekening moet worden gehouden bij de berekening van de draagkracht van de man.
Opbouw overbruggingsreserve
5.24
De man stelt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de opbouw van een buffer ter overbrugging van de periode tussen twee opdrachten. Volgens de man is het voor ondernemers die een onderneming in de vorm van een eenmanszaak exploiteren bedrijfseconomisch gezien noodzakelijk om een buffervermogen aanwezig te hebben ter overbrugging van onzekere tijden. De man acht het dan ook redelijk en verantwoord dat hij jaarlijks een bedrag van € 15.000,- reserveert om periodes wanneer hij geen opdracht(en) heeft te kunnen overbruggen.
De vrouw voert verweer.
5.25
Het hof is van oordeel dat de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd dat het voor hem (bedrijfseconomisch) noodzakelijk is om een buffer op te bouwen van € 15.000,- per jaar. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, heeft de man geen andere financiële stukken in het geding gebracht dan de jaarrekening over 2023. Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat zijn inkomen over 2024 nagenoeg gelijk is gebleven. Over zijn inkomen in 2025 heeft de man niets verklaard. Hij heeft slechts gesteld dat hij in 2025 een opdracht tot zwangerschapsverlofvervanging heeft kunnen doen die is afgerond op 31 december 2025 en dat hij sindsdien zonder opdracht zit. Hij heeft verder verklaard dat hij zich bij de acquisitie belemmerd voelt door het verdienvermogen dat hem is toegekend als gevolg van de vastgestelde alimentatie; het is voor hem nu lastiger om opdrachten aan te nemen tegen een lager uurtarief. De man heeft deze stellingen en de financiële gevolgen daarvan echter niet nader onderbouwd. De man stelt weliswaar dat er ieder jaar periodes zijn geweest waarin hij zonder opdracht heeft gezeten maar de noodzaak tot reserveren blijkt onvoldoende uit de overgelegde jaarrekening 2023 en verdere jaarcijfers ontbreken. Bij gebreke van die jaarcijfers kan ook niet worden vastgesteld of al reserves in de onderneming aanwezig zijn en wat de omvang van die reserves is. Het hof zal dan ook, net als de rechtbank, geen rekening houden met de opbouw van een buffer.
Premie oudedagsvoorziening
5.26
De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met een premie voor de oudedagsvoorziening van de man ter hoogte van € 2.310,- per maand. Vanaf het moment dat de man zijn eenmanszaak in 2022 begon, had hij een oudedagsvoorziening van € 9.632,- bruto per jaar. Vlak voor de zitting in eerste aanleg, ruim twee jaar nadat de man zijn eenmanszaak heeft opgestart, heeft de man besloten om zijn pensioenvoorziening op te schroeven naar € 27.720,- per jaar. De vrouw meent dat de man hiermee vermijdbaar en verwijtbaar een deel van zijn draagkracht heeft prijsgegeven. De man heeft tot voor kort in loondienst gewerkt en heeft een goed pensioen opgebouwd. Er is dan ook geen noodzaak om een dergelijke hoge pensioenvoorziening op te starten. Als al rekening zou moeten worden gehouden met een reservering voor een oudedagsvoorziening, dan meent de vrouw dat dit gelijk dient te zijn aan het bedrag dat de man gedurende het huwelijk reserveerde voor zijn oudedagsvoorziening.
De man voert verweer.
5.27
Het hof overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de premie voor de oudedagsvoorziening als bruto post “lijfrente” in box 1 in aftrek moet worden gebracht. Anders dan de rechtbank zal het hof rekening houden met een premie oudedagsvoorziening van € 9.632,- per jaar. De man heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat het noodzakelijk is om een hogere oudedagsvoorziening te treffen dan hij deed voorafgaand aan de echtscheidingsprocedure. De man stelt weliswaar dat hij dit heeft gedaan op advies van zijn pensioenadviseur, maar hij heeft dit advies niet in geding gebracht en zijn stellingen ook voor het overige niet met stukken onderbouwd. Deze onderbouwing had wel van hem mogen worden verwacht, nu de vrouw de noodzaak van de extra voorziening gemotiveerd heeft betwist. De grief van de vrouw slaagt dan ook.
5.28
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof aan de zijde van de man uitgaat van een winst uit onderneming van € 147.959,- bruto per jaar, waarop de zelfstandigenaftrek (€ 3.750,-) en de MKB Winstvrijstelling (€ 19.194,-) in mindering strekken. Daarnaast houdt het hof rekening met een pensioenvoorziening van € 9.632,- bruto per jaar en de tussen partijen niet in geschil zijnde premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 5.638,- bruto per jaar.
Verder houdt het hof rekening met:
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting van € 2.950,-;
- de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet van € 3.811,-;
- het kindgebonden budget van € 479,-;
- en de alleenstaande ouderkop van € 533,-.
Op basis van deze gegevens komt het NBI van de man op € 7.008,- per maand. De daaruit voortvloeide draagkracht bedraagt afgerond € 2.586,- per maand.
5.29
De draagkracht van de man en de vrouw samen (€ 3.791,-) is voldoende om in de behoefte van de kinderen (€ 1.470,-) te voorzien. Het hof verdeelt de draagkracht naar rato van behoefte.
Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen is € 1.003,- per maand (2.586/3.791 x 1.470).
Het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen is € 467,- per maand (1.205/3.791 x 1.470).
5.3
Op deze aandelen dient de zorgkorting te worden toegepast. De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg.
Tussen partijen is niet in geschil dat op het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige 2] een zorgkorting van 35% in mindering strekt, wat neerkomt op een bedrag van € 257,- per maand.
De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank op het aandeel van de moeder in de kosten van [minderjarige 1] ten onrechte een zorgkorting van 15% heeft toegepast. Tussen hen is geen structureel contact, zodat de vrouw ook geen aanspraak kan maken op zorgkorting.
De vrouw voert verweer.
5.31
Het hof overweegt als volgt. De zorgkorting ziet op de kosten voor de uitvoering van de zorgregeling en worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte van het kind. Sinds begin 2024 is het aandeel van de vrouw in de zorg voor [minderjarige 1] nihil, omdat [minderjarige 1] daarvoor niet openstaat. Daardoor zijn de kosten die de vrouw heeft voor de uitvoering van de zorgregeling waar het [minderjarige 1] betreft eveneens nihil. Om die reden zal het hof – anders dan de rechtbank – geen zorgkorting hanteren aan de zijde van de vrouw. Indien de situatie met [minderjarige 1] verandert, kan dat aanleiding geven om de zorgkorting opnieuw te beoordelen. Gelet op de omstandigheid dat [minderjarige 1] bijna achttien jaar is en dan zelf aanspraak maakt op de alimentatie, is dat een onderwerp dat de vrouw en [minderjarige 1] samen kunnen bespreken.
5.32
Het voorgaande leidt ertoe dat de man met ingang van 3 november 2023 een bedrag van € 244,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te voldoen ten behoeve van [minderjarige 2] .
De vrouw dient met ingang van 3 november 2023 een bedrag van € 234,- per maand aan kinderalimentatie aan de man te voldoen ten behoeve van [minderjarige 1] .
5.33
Het hof zal de bestreden beschikking dan ook op dit onderdeel vernietigen en voornoemde kinderalimentatie bepalen.
Partneralimentatie
5.34
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw € 1.427,- bruto per maand aan partneralimentatie dient te voldoen.
De man meent dat de partneralimentatie moet worden beperkt tot € 428,- bruto per maand.
De vrouw stelt dat de rechtbank de partneralimentatie op een te laag bedrag heeft bepaald en stelt dat dit € 3.574,- bruto per maand dient te zijn.
5.35
Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de vrouw een aanvullende behoefte heeft van € 4.448,- per maand, zoals de rechtbank in de bestreden beschikking heeft berekend. Het geschil van partijen over de partneralimentatie beperkt zich daarmee tot de draagkracht van de man.
5.36
Voor de draagkracht hanteert het hof dezelfde methode en dezelfde gegevens als bij de kinderalimentatie, alleen wordt een draagkrachtpercentage van 60% gebruikt in plaats van 70%. De formule wordt dan dus voor 2024: 60% x [NBI – (NBI X 0,3 + 1.270)].
5.37
Uitgaande van de onder 5.28 genoemde gegevens is dan een bedrag beschikbaar van € 2.182,- per maand. Omdat kinderalimentatie voorgaat op partneralimentatie komt het hiervoor berekende aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 1.003,- per maand hierop nog in mindering. Er blijft dan een draagkracht voor partneralimentatie over van € 1.179,- netto per maand, wat na brutering neerkomt op een bedrag van € 1.870,- bruto per maand. Het hof zal de bestreden beschikking op dit onderdeel vernietigen en voornoemde partneralimentatie bepalen. De vrouw heeft verzocht om het hogere bedrag in te laten gaan per datum van indiening van haar verweerschrift in hoger beroep. Dat is 27 mei 2025. De man heeft hier geen verweer tegen gevoerd, zodat het hof die datum zal aanhouden.
Indexering onderhoudsbijdragen
5.38
Met inachtneming van het door de Hoge Raad overwogene in rechtsoverweging 3.2.6. van de beschikking van 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1165) zal het hof beoordelen of aanleiding bestaat de door partijen verschuldigde onderhoudsbijdragen te verhogen per 1 januari 2024, 1 januari 2025 en 1 januari 2026, gelet op de gevolgen die de jaarlijkse indexering als bedoeld in art 1:402a BW zou hebben gehad voor de hoogte van de kinder- en partneralimentatie indien de datum van de onderhavige beschikking zou zijn samengevallen met de ingangsdatum. Evident is dat de onderhoudsgerechtigden belang hebben bij toepassing van een indexering gelijk aan de wettelijke indexering. Nu aannemelijk is dat het inkomen van beide ouders is meegestegen met de wettelijke indexeringspercentages, acht het hof het redelijk om voor de onderhoudsbijdragen ook rekening te houden met de wettelijke indexering. Gelet op de ingangsdata van 3 november 2023 respectievelijk 20 december 2024 en gelet op het feit dat gerekend is met de cijfers over 2024 zal het hof de kinderalimentatie voor het eerst indexeren per 1 januari 2025 en vervolgens ook per 1 januari 2026 en de partneralimentatie voor het eerst per 1 januari 2026.
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap
De voormalige echtelijke woning
5.39
De man heeft in het principaal hoger beroep zijn verzoek vermeerderd en verzocht de rechten uit de (hypotheek-)rentecontracten aan hem toe te delen. Daaraan heeft hij bovendien een verzoek tot reële executie gekoppeld.
De vrouw heeft in het incidenteel hoger beroep gegriefd tegen de afwijzende beslissing van de rechtbank op haar verzoek dwangsommen te verbinden aan (de uitvoering van) de verdeling van de echtelijke woning.
5.4
Het hof stelt vast dat de wijze van verdeling van de woning tussen partijen niet in geschil is. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw nog eens bevestigd dat de woning kan worden toegedeeld aan de man onder de door de rechtbank gestelde voorwaarden en dat als de man niet in staat blijkt om de toedeling van de woning te financieren of toedeling niet langer wenst, de woning zal moeten worden verkocht aan (een) derde(n).
5.41
Het hof stelt verder vast dat de vrouw niet heeft gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat in het kader van de verdeling de marktwaarde van de woning bindend wordt vastgesteld per datum taxatie. Partijen hebben aan dit deel van de bestreden beschikking ook uitvoering gegeven, Uit de overgelegde stukken blijkt dat de marktwaarde van de woning in dat kader op 20 februari 2025 is getaxeerd op € 730.000,-. Pas op de zitting in hoger beroep heeft de vrouw aangevoerd dat de woning opnieuw dient te worden getaxeerd. Dat is te laat. De vrouw had op grond van de zogenoemde twee-conclusie-regel haar bezwaren tegen de uitspraak van de rechtbank in beginsel uiterlijk in haar verweerschrift tevens houdende incidenteel appel dienen aan te voeren. In haar verweerschrift heeft de vrouw geen (voldoende kenbare) incidentele grief gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat de waarde van de woning tussen partijen bindend vastgesteld dient te worden per datum taxatie en dat de man de woning, onder de door de rechtbank gestelde voorwaarden, tegen die waarde mag overnemen. Om die reden is het hof van oordeel dat in deze procedure in hoger beroep als uitgangspunt heeft te gelden dat de waarde van de woning € 730.000,- bedraagt en dat de man, als hij aan de door de rechtbank gestelde voorwaarden voldoet, de woning voor dat bedrag toegedeeld kan krijgen.
5.42
De man stelt dat in eerste aanleg is verzuimd om de overeenkomst tussen hypotheekgever en hypotheeknemer over het toepasselijke rentetarief (het door hem zo genoemde ‘rentecontract’) aan de orde te stellen. Om de overname van de woning te kunnen financieren, blijkt het van doorslaggevend belang te zijn dat de rechten uit het rentecontract aan de man toekomen c.q. aan hem worden toegedeeld. De vrouw weigert echter volgens de man hieraan mee te werken, waardoor zij bewust de toedeling van de woning aan de man frustreert. Hierdoor kan de man niet voldaan aan de voorwaarden voor toedeling binnen de daartoe door de rechtbank gestelde termijnen. Om die reden verzoekt hij dan ook om schorsing van dat deel van de werking van de bestreden beschikking. De vrouw heeft zelf geen enkel belang bij het rentecontract. De weigering de verlangde toestemming te verlenen, wordt enkel ingezet als pressiemiddel om de man tot andere concessies te bewegen, aldus de man.
De vrouw voert verweer.
5.43
Het hof overweegt dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de woning aan de man kan worden toegedeeld indien hij de financiering rond krijgt en dat in dat geval de vrouw moet worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de op de woning rustende hypothecaire geldlening. Hoewel de man geen enkel stuk heeft overgelegd waaruit blijkt dat de bank voor de financiering van de woning of het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid de (aanvullende) voorwaarde stelt dat de vrouw afstand doet van haar rechten uit het rentecontract, volgt naar het oordeel van het hof uit de tussen partijen niet in geschil zijnde wijze van verdeling van de woning dat - indien de man de woning toegedeeld kan krijgen conform de door de rechtbank bepaalde voorwaarden - ook de rechten uit het rentecontract aan de man toekomen c.q. moeten worden toegedeeld en dat de vrouw hiervan afstand doet als de bank hierom vraagt. Indien en voor zover niet reeds in het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening besloten ligt dat de vrouw afstand doet van haar aanspraken uit hoofde van het rentecontract, zal het hof om die reden de rechten uit het rentecontract aan de man toedelen dan wel bepalen dat de vrouw afstand van deze rechten dient te doen. Anders dan de man heeft verzocht, zal het hof daarbij niet bepalen dat deze beschikking dezelfde kracht heeft als een akte vervangende toestemming, dan wel een dwangsom verbinden aan de medewerking van de vrouw. Het hof heeft geen aanleiding om aan te nemen dat de vrouw thans nog steeds niet zal meewerken aan het afstand doen van haar rechten uit het rentecontract indien de bank hierom vraagt. Zij heeft immers net zoveel, zo niet meer belang dan de man, bij de verdeling van de echtelijke woning.
Het schorsingsverzoek
5.44
Hoewel de man geen enkel stuk heeft overgelegd waaruit blijkt dat de bank voor de financiering van de woning of het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid de (aanvullende) voorwaarde heeft gesteld dat de vrouw afstand doet van haar rechten uit het rentecontract, is het hof van oordeel dat, gelet op de onduidelijkheid die heeft bestaan over de rentecontracten, aan de man de gelegenheid moet worden gegund om alsnog de toedeling van de woning aan hem te realiseren onder de voorwaarden die de rechtbank daaraan heeft gesteld. Om die reden zal het hof het schorsingsverzoek van de man toewijzen. Dat betekent dat de door de rechtbank in r.o. 3.15 genoemde termijnen (behoudens de termijnen die betrekking hebben op de taxatie van de woning) met ingang van de datum van onderhavige beschikking van het hof ingaan en dat de man dus (kort gezegd) drie maanden de tijd heeft om aan te tonen dat hij in staat is om de toedeling van de woning aan hem te financieren onder de door de rechtbank gestelde voorwaarden bij gebreke waarvan de woning aan een derde zal moeten worden verkocht.
Dwangsom
5.45
De vrouw verzoekt een dwangsom te verbinden aan de toedeling dan wel verkoop van de woning, nu de situatie al bijna drie jaar voortduurt en de man niet voornemens lijkt om dit daadwerkelijk af te wikkelen. Daarnaast heeft de vrouw verzocht om, als het maximum van de verbeurde dwangsommen is bereikt, haar te machtigen om de woning te gelde te maken alsmede de daaraan verbonden hypothecaire geldlening met alles wat daartoe nodig en noodzakelijk is.
De man voert verweer.
5.46
Het hof is van oordeel dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de man niet vrijwillig zijn medewerking aan de verdeling van de woning zal geven. De man wil de woning graag toegedeeld krijgen en aan die toedeling is een termijn van drie maanden verbonden, bij gebreke waarvan de woning moet worden verkocht. Het is dus ook in het belang van de man dat hij voortvarend te werk gaat. Dat belang heeft hij wellicht minder wanneer blijkt dat hij de woning niet toegedeeld kan krijgen en deze verkocht dient te worden. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de man ook in dat geval zijn medewerking aan de verkoop van de woning niet zal geven. Dat tot op heden de verdeling van de woning nog niet heeft plaatsgevonden is in belangrijke mate te wijten aan de onduidelijkheid en discussie die over het rentecontract tussen partijen bestond. Dit is niet enkel aan de man te wijten. Dat de man niet vrijwillig aan de vrouw het bedrag heeft voldaan dat hij aan haar in het kader van de toedeling van de eenmanszaak verschuldigd was, vormt onvoldoende grond om aan de verdeling van de woning dwangsommen te verbinden. Evenmin bestaat er aanleiding om het verzoek van de vrouw tot het gelde maken van de woning toe te wijzen, nog daargelaten dat dit deel van het verzoek van de vrouw te onbepaald is.
Verdeling inboedel / persoonlijke goederen
5.47
De man heeft twee grieven gericht (grief 6 en 7) tegen het oordeel van de rechtbank dat hij niet heeft betwist dat de goederen genoemd in rechtsoverweging 2.11.17 van de bestreden beschikking aan de vrouw persoonlijk toebehoren, dat deze goederen geen waarde vertegenwoordigen en dat hij voor de gehele inboedel € 3.000,- aan de vrouw dient te voldoen. Volgens de man zijn enkel de schaatsen en de dansschoenen van de vrouw persoonlijke goederen die geen waarde vertegenwoordigen, maar zijn de overige goederen geen persoonlijke goederen van de vrouw en vertegenwoordigen deze ten minste een waarde van € 902,90, zodat het bedrag dat hij aan de vrouw dient te vergoeden gecorrigeerd dient te worden en zodoende € 2.297,10 bedraagt.
De vrouw voert verweer.
5.48
Het hof overweegt als volgt. Met de man is het hof van oordeel dat de in rechtsoverweging 2.11.17 genoemde goederen (behalve de dansschoen en de schaatsen van de vrouw) geen persoonlijke goederen van de vrouw betreffen. Deze goederen vallen onder de inboedel van partijen. Met de vrouw is het hof van oordeel dat in het geval de waarde van deze goederen moet worden bepaald, ook moet worden gekeken naar de waarde van de rest van de inboedel. De rechtbank heeft de waarde van de totale inboedel bepaald op € 6.000,-. Het hof acht deze waarde redelijk en billijk. Als de goederen genoemd in rechtsoverweging 2.11.17 al een waarde vertegenwoordigen, hetgeen de vrouw gemotiveerd betwist, dan is deze waarde naar het oordeel van het hof verdisconteerd in de waarde van de gehele inboedel. De grieven van de man falen dan ook.
Dwangsom
5.49
De vrouw heeft bij wijze van vermeerdering van haar verzoeken gevraagd om te bepalen dat zij binnen twee weken na de beschikking van het hof de echtelijke woning mag betreden samen met een vertrouwenspersoon om de aan haar toegedeelde persoonlijke goederen op te halen op straffe van een dwangsom. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de inboedel en de persoonlijke goederen inmiddels tussen partijen zijn verdeeld en dat deze aan de vrouw zijn afgegeven, op de digitale (gezins-)foto’s na. Het verzoek van de vrouw heeft daarmee nog uitsluitend betrekking op de gezinsfoto’s. Ter zake van deze foto’s heeft de man tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij bereid is deze te doen toekomen aan de vrouw, maar dat hij daarvoor enige tijd nodig heeft omdat de foto’s niet behoorlijk zijn georganiseerd en het uitzoeken daarvan een behoorlijke klus is. Op dit moment acht het hof het opleggen van een dwangsom daarom voorbarig, zeker nu het partijen kennelijk na de bestreden beschikking alsnog is gelukt de overige inboedelgoederen onderling te verdelen. Het hof gaat ervan uit dat de man uiterlijk zes maanden na heden de (gezins-)foto’s aan de vrouw zal doen toekomen. In het geval de man twijfelt over de vraag een bepaalde foto een (gezins-)foto is, kan hij deze vraag voorleggen aan de vrouw. In ieder geval betreffen het de foto’s waarop de vrouw en/of de kinderen staan afgebeeld.
Gezamenlijke bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 3]
5.51
De man stelt dat de vrouw sinds lange tijd geen enkele bijdrage meer heeft geleverd aan de kosten van de gezamenlijke bankrekening en de daarop verschuldigde rente voor roodstand. De man heeft dan ook bij wijze van vermeerdering van zijn oorspronkelijke verzoeken gevraagd om de bankrekening aan hem toe te delen, aangezien de vrouw geen aanstalten maakt deze kosten ook voor haar rekening te nemen.
5.52
Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw terecht aangevoerd dat de rechtbank afwijzend heeft beslist op het eerdere verzoek van de man om deze bankrekening aan hem toe te delen. Tegen deze beslissing heeft de man geen grief gericht. Gelet hierop zal het hof het verzoek van de man ter zake dan ook afwijzen.
ASN-spaarrekening van de vrouw
5.53
De man stelt dat aan de ASN-rekening van de vrouw een spaarrekening is gekoppeld.
Hij wenst inzage in de bankafschriften van die spaarrekening zodat kan worden vastgesteld of er in de periode 6 maanden voorafgaand aan de peildatum van 3 november 2023 gelden van de betaalrekening naar die spaarrekening zijn overgeboekt.
De vrouw betwist het bestaan van deze spaarrekening.
5.54
Het hof overweegt dat, gezien de betwisting van de vrouw van het bestaan van deze spaarrekening, het op de weg van de man had gelegen dit nader te onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten. Aangezien het bestaan van deze spaarrekening niet is komen vast te staan, zal het hof het verzoek van de man ter zake afwijzen.
Spaargeld
5.55
De derde grief van de vrouw ziet op de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de verrekening van het spaargeld met kosten die de man voor de echtelijke woning heeft gemaakt zonder dit met de vrouw te overleggen. Het hof oordeelt daarover als volgt.
5.56
Op grond van artikel 3:172 BW Pro dienen de man en de vrouw in beginsel ieder voor de helft bij te dragen in de kosten voor de woning voor zover het uitgaven betreft die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht, zoals bedoeld in artikel 3:170 BW Pro. Artikel 3:170 lid 2 BW Pro bepaalt dat beheer van een gemeenschappelijk goed (in dit geval de woning) door de deelgenoten (in dit geval de man en de vrouw) gezamenlijk geschiedt, tenzij een regeling anders bepaalt. Een uitzondering op deze hoofdregel vormen volgens artikel 3:170 lid 1 BW Pro handelingen dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van een gemeenschappelijk goed en in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden, welke handelingen zo nodig door ieder van de deelgenoten zelfstandig kunnen worden verricht. Deze uitzondering geldt evenwel, gelet op de woorden ‘zo nodig’, alleen in gevallen waarin ingrijpen zo urgent is dat er geen gelegenheid is andere deelgenoten te raadplegen of te wachten op het ingrijpen van de beheersbevoegde deelgenoot of deelgenoten.
5.57
Gebleken is dat de man een deel van het spaargeld van partijen heeft aangewend voor de aanschaf van een nieuwe koelkast van € 1.299,- en de vervanging van de balansventilatie van de woning van € 2.912,-. De man stelt dat deze kosten voor rekening van beide partijen komen, omdat deze vervangingskosten noodzakelijk waren en de vrouw meeprofiteert van de waardestijging van de woning. Dergelijke gebreken aan een woning dienen volgens de man immers te worden gemeld bij een taxatie en zullen leiden tot een lagere woningwaarde. De vrouw betwist dat het voornoemd bedrag aan vervangingskosten in mindering strekt op het spaargeld van partijen omdat de man daarover geen overleg heeft gepleegd en zij daarvoor geen toestemming heeft verleend. Zij heeft voorts betwist dat vervanging van de balansinstallatie en de koelkast noodzakelijk was, dan wel zo urgent dat overleg met haar niet kon worden afgewacht. Het hof begrijpt het betoog van de vrouw zo dat zij betwist dat de man bevoegd was tot het laten verrichten van het onderhoud in de zin van artikel 3:170 BW Pro en dat zij deze kosten om die reden niet mede hoeft te dragen.
5.58
De man heeft niet weersproken dat hij geen overleg met de vrouw heeft gepleegd en geen toestemming van haar heeft verkregen. Daarmee staat vast dat de man zelfstandig, zonder betrokkenheid van de vrouw als deelgenoot, opdracht heeft gegeven voor het gepleegde onderhoud c.q. vervanging van de koelkast en de balansinstallatie. Gesteld noch gebleken is dat tussen partijen een regeling is getroffen op grond waarvan de man zelfstandig bevoegd was tot het maken van deze kosten. De man heeft daarnaast onvoldoende gesteld dat de vervanging dusdanig urgent was dat overleg met de vrouw of haar toestemming niet kon worden afgewacht. De enkele stelling van de man dat de vervanging ‘noodzakelijk’ was, is daartoe gelet op de aard van de werkzaamheden en in het licht van de betwisting van de vrouw onvoldoende. Gelet hierop is niet komen vast te staan dat de man bevoegdelijk opdracht heeft geven tot het vervangen van de koelkast en de balansinstallatie. Daardoor is de vrouw op grond van artikel 3:172 BW Pro niet mede draagplichtig met betrekking tot de door de man betaalde vervangingskosten. Dat door de vervanging de waarde van de woning mogelijk is toegenomen, maakt dit – wat daar ook van zij – niet anders. Het hof zal dan ook de beslissing van de rechtbank vernietigen en bepalen dat de man de helft van het spaargeld, te weten € 7.184,77 aan de vrouw dient te betalen.
Verrekening kosten kinderen vanaf moment dat vrouw woning heeft verlaten (01-02-2024)
5.59
Met zijn achtste grief richt de man zich tegen de overweging van de rechtbank dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat partijen de afspraak hadden gemaakt dat de man de kosten voor de kinderen zou voorschieten en dat de vrouw de helft daarvan aan hem zou betalen. De man heeft echter geen verzoek verbonden aan deze grief, zodat het hof niet toekomt aan een inhoudelijke behandeling van de grief.
Eigenaarslasten woning
5.6
Onder punt 34 van zijn hoger beroepschrift heeft de man toegelicht welke vaste (eigenaars-)lasten van de woning hij betaalt vanaf het moment dat de vrouw de woning heeft verlaten. Aan dit onderdeel van het hoger beroepschrift heeft de man geen verzoek gekoppeld. Ter zitting in hoger beroep heeft hij aangegeven dat hij deze toelichting heeft gegeven omdat in eerste aanleg bleek dat er onduidelijkheid was over de hoogte van deze kosten.
Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het aandeel van de vrouw in deze kosten zal worden verrekend met haar aandeel in de overwaarde.
Nu de man geen concreet verzoek heeft gedaan met betrekking tot de (eigenaars)lasten van de woning, zal het hof daarover verder geen beslissing nemen.
Proceskosten
5.63
In het feit dat partijen gewezen echtgenoten zijn, ziet het hof aanleiding de proceskosten te compenseren.
5.64
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de verdeling van de Kerstvakantie met betrekking tot [minderjarige 2] zal zijn:
- de Kerstvakantie wordt bij helfte verdeeld in die zin dat [minderjarige 2] in de even jaren de eerste week van de Kerstvakantie bij de vrouw verblijft en de tweede week van de Kerstvakantie bij de man. In de oneven jaren is dit andersom;
bepaalt dat de verjaardagenregeling als volgt zal zijn:
- de kinderen verblijven op de verjaardag van een ouder bij de jarige ouder met inachtneming van het volgende: de niet-jarige ouder brengt de kinderen, indien afwijkend van de reguliere omgangsregeling, daags voor de verjaardag om 17:00 uur bij de andere ouder. De jarige ouder brengt de kinderen de ochtend na de verjaardag naar de andere ouder dan wel naar school/opvang;
- de kinderen verblijven tijdens hun verjaardag:
in de even jaren: bij de man,
in de oneven jaren: bij de vrouw, met inachtneming van het volgende: indien en voor zover het jarige kind niet reeds ingevolge de reguliere zorgregeling bij de hiervoor aangewezen ouder verblijft, brengt de andere ouder beide kinderen daags voor de verjaardag om 17:00 uur naar de aangewezen ouder en brengt deze ouder de kinderen de dag na de verjaardag naar school of naar de andere ouder indien dat uit de reguliere zorgregeling voortvloeit;
bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] zal betalen:
- met ingang van 3 november 2023 € 244,- per maand,
- met ingang van 1 januari 2025 € 260,- per maand,
- met ingang van 1 januari 2026 € 272,- per maand,
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de vrouw aan de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] zal betalen:
- met ingang van 3 november 2023 € 234,- per maand,
- met ingang van 1 januari 2025 € 249,- per maand,
- met ingang van 1 januari 2026 € 261,- per maand,
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de man aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen:
- met ingang van 27 mei 2025 € 1.870,- bruto per maand,
- met ingang van 1 januari 2026 € 1.956,- bruto per maand,
de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
deelt de rechten uit de rentecontracten ter zake de hypothecaire geldlening die zijn verbonden aan de voormalige echtelijke woning toe aan de man indien en voor zover de woning aan hem onder de door de rechtbank gestelde voorwaarden zal worden toegedeeld, althans veroordeelt de vrouw om afstand van deze rechten te doen indien en voor zover de woning aan de man onder de door de rechtbank gestelde voorwaarden zal worden toegedeeld;
bepaalt dat de man binnen zes maanden na heden alle (gezins-)foto’s waarop de vrouw en/of de kinderen staan afgebeeld aan de vrouw doet toekomen;
veroordeelt de man om aan de vrouw ter zake de verdeling van het spaargeld een bedrag van € 7.184,77 te betalen;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
in het incident
bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking is c.q. wordt geschorst in die zin dat de door de rechtbank bepaalde termijn van drie maanden waarbinnen de man de tijd krijgt om aan te tonen dat hij in staat is toedeling van de woning te financieren, onder overname van de hypothecaire geldlening en bijbehorende rekeningen en verzekering en hiervoor de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan, zal ingaan per de datum van dagtekening van onderhavige beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mr. T.M. Subelack, mr. R.M. Troost en mr. M. Overmars, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Betlem als griffier en is op 26 mei 2026 uitgesproken in het openbaar.