Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
Artikel 2 – Partneralimentatie
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.Beslissing
18 juli 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over partneralimentatie tussen een ex-echtpaar, waarbij de man verzocht heeft de alimentatie met terugwerkende kracht te verlagen en terugbetaling van te veel betaalde bedragen te vorderen. De rechtbank wees zijn verzoek af, het hof stelde de alimentatie met ingang van 7 september 2022 vast op een lager bedrag, maar hield geen rekening met wettelijke indexeringen over de periode vóór de uitspraak.
De Hoge Raad oordeelt dat de wettelijke indexering van alimentatiebedragen volgens art. 1:402a BW alleen van toepassing is op perioden ná de rechterlijke uitspraak die het bedrag vaststelt of wijzigt, ook als die wijziging met terugwerkende kracht geldt. Wel kan een partij verzoeken om toepassing van indexering over de periode vóór de uitspraak indien partijen dat zijn overeengekomen.
Daarnaast constateert de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het uitgaat van een inkomen van € 70.000 per jaar voor de huidige echtgenote van de man, terwijl dit niet uit de processtukken blijkt. Ook heeft het hof ten onrechte geen rekening gehouden met de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet die de man als DGA moet betalen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof Den Haag en verwijst de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.