Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1461

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
200.358.362/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:60 BWArt. 6:230x BWArt. 6:193j BWArt. 6:193b BWArt. 4:34 Wft
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake consumentenkredietovereenkomst en precontractuele verplichtingen

Intrum Nederland B.V. is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter dat haar vordering tot betaling van een consument wegens niet-nakoming van een kredietovereenkomst afwees. De kantonrechter oordeelde dat niet was gesteld of gebleken dat de kredietverstrekker had voldaan aan precontractuele informatieverplichtingen en de kredietwaardigheid van de consument ruim voor het aangaan van de overeenkomst had getoetst.

Het hof constateert dat het hier gaat om een online consumentenkredietovereenkomst waarop de Richtlijn consumentenkrediet en relevante bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek en de Wet op het financieel toezicht van toepassing zijn. Intrum heeft in hoger beroep stukken overgelegd waaruit blijkt dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst een kredietwaardigheidstoets is uitgevoerd. Echter, het hof stelt dat Intrum nog niet voldoende heeft onderbouwd dat het ESIC-formulier geruime tijd voor het aangaan van de overeenkomst aan de consument is verstrekt.

Het hof geeft Intrum de gelegenheid om dit alsnog te bewijzen. Indien Intrum hierin slaagt, zal de vordering alsnog worden toegewezen. Indien niet, zal de overeenkomst worden vernietigd wegens oneerlijke handelspraktijk, en kan Intrum alleen het aan de consument verstrekte kredietbedrag vorderen uit onverschuldigde betaling. De zaak wordt aangehouden voor nadere bewijslevering en specificatie van het openstaande bedrag.

Uitkomst: De zaak is aangehouden voor nadere bewijslevering over de verstrekking van het ESIC-formulier en specificatie van het openstaande bedrag.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.358.362/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 11333174 / CV EXPL 24-12573
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 mei 2026
in de zaak van
INTRUM NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. R.R.F. van der Mark te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend in [plaats] ,
geïntimeerde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna Intrum en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

In deze zaak heeft een bank een kredietovereenkomst gesloten met een consument. Omdat de consument zijn betaalverplichtingen uit de kredietovereenkomst niet is nagekomen, heeft Intrum (aan wie de bank haar vordering heeft gecedeerd) een vordering tegen hem ingesteld. De kantonrechter heeft de vordering van Intrum afgewezen omdat gesteld noch gebleken was dat aan de precontractuele verplichtingen is voldaan en evenmin dat de kredietwaardigheid van de consument ruim voor het aangaan van de overeenkomst is getoetst. In hoger beroep komt Intrum op tegen deze afwijzing.

2.Het geding in hoger beroep

Intrum is bij dagvaarding van 11 juli 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 15 april 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer bij verstek gewezen tussen Intrum als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Tegen [geïntimeerde] is ook in hoger beroep verstek verleend.
Intrum heeft een memorie van grieven, met producties, ingediend.
Vervolgens is arrest gevraagd.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
[geïntimeerde] is op 8 augustus 2018 een kredietovereenkomst (hierna: de overeenkomst) aangegaan met [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). Op grond van de overeenkomst heeft [bedrijf 1] een krediet van € 50.000,- aan [geïntimeerde] verstrekt voor de duur van 120 maanden tegen een debetrente van 8,7% per jaar.
3.2.
Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van [bedrijf 1] van toepassing. Daarin is onder meer het volgende bepaald:
6.1
Wat als u uw kredietovereenkomst direct na het sluiten wilt opzeggen?a. U Kunt de kredietovereenkomst binnen veertien dagen na de ingangsdatum van de overeenkomst opzeggen. (…)
3.3.
Bij brief van 6 januari 2020 heeft [bedrijf 1] [geïntimeerde] in gebreke gesteld omdat hij een betalingsachterstand van € 2.773,53 had laten ontstaan. Het openstaande saldo bedroeg op dat moment € 66.888,49.
3.4.
Bij brief van 20 april 2020 aan [geïntimeerde] heeft [bedrijf 1] aangekondigd de vordering te zullen verkopen, indien het hele krediet niet binnen tien dagen is terugbetaald of [geïntimeerde] contact met [bedrijf 1] heeft opgenomen.
3.5.
Op 2 december 2020 heeft [bedrijf 1] de vordering op [geïntimeerde] aan Intrum gecedeerd. Van de cessie is mededeling aan [geïntimeerde] gedaan.
3.6.
Er zijn meerdere betalingsregelingen met [geïntimeerde] gesloten. Die zijn keer op keer voortijdig beëindigd omdat [geïntimeerde] deze niet nakwam.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1.
Intrum heeft bij de kantonrechter gevorderd om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan haar van € 43.820,95, met rente en kosten.
4.2.
De kantonrechter heeft de vordering afgewezen omdat niet gesteld of gebleken was dat [bedrijf 1] aan de precontractuele informatieplichten heeft voldaan en ruim voor het sluiten van de overeenkomst de kredietwaardigheid van [geïntimeerde] heeft getoetst. Intrum is in de proceskosten Van [geïntimeerde] veroordeeld die op nihil zijn gesteld.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
In hoger beroep vordert Intrum dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en haar vordering - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog toewijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

6.Beoordeling

6.1.
Intrum komt met een grief op tegen de afwijzing van haar vordering door de kantonrechter. Volgens haar dient deze op basis van de aanvullende onderbouwing en de in hoger beroep overgelegde stukken alsnog te worden toegewezen. Subsidiair, voor het geval de overeenkomst wordt vernietigd, stelt Intrum zich op het standpunt dat zij op grond van onverschuldigde betaling aanspraak heeft op het openstaande bedrag.
Richtlijn consumentenkrediet
6.2.
Het hof constateert dat de overeenkomst een online en daarmee op afstand gesloten consumentenkredietovereenkomst is, waarop de bepalingen van afdeling 7:2A van het Burgerlijk Wetboek (BW), artikel 4:34 van Pro de Wet op het financieel toezicht (Wft) en
artikel 6:230x BW van toepassing zijn. Afdeling 7:2A BW vormt de implementatie van Richtlijn 2008/48/EG inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (hierna: Richtlijn consumentenkrediet). Daarvan zijn in deze zaak de artikelen 5, 6 en 8 van belang. De precontractuele informatieverplichtingen van artikel 5 en Pro 6 Richtlijn consumentenkrediet en de verplichting van artikel 8 bepalen Pro dat de kredietwaardigheid van de consument moet worden getoetst en zijn geïmplementeerd in artikel 7:60 BW Pro respectievelijk artikel 4:34 lid 1 Wft Pro.
Prejudiciële beslissing Hoge Raad
6.3.
De Hoge Raad heeft in zijn beslissing van 27 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1008) door de kantonrechter van de rechtbank Gelderland gestelde prejudiciële vragen beantwoord over de mogelijkheid om achteraf te betalen bij aankoop in een webwinkel. De Hoge Raad heeft onder meer geoordeeld dat de nationale rechter in een procedure waarin de kredietgever betaling vordert van een consument verplicht is ambtshalve te onderzoeken of de uit artikel 8 Richtlijn Pro consumentenkrediet omschreven en in artikel 4:34 lid 1 Wft Pro geïmplementeerde precontractuele verplichting voor de kredietgever om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen, is nagekomen (rov. 3.6.3). De Hoge Raad oordeelde verder dat het aan de feitenrechter is om te beoordelen of uit de stellingen van partijen en uit de overgelegde stukken voldoende blijkt dat de kredietgever de kredietwaardigheid van de consument heeft getoetst en of hij, als dit uit de overgelegde stukken niet blijkt, de kredietgever nader in de gelegenheid stelt stukken ter staving daarvan in het geding te brengen.
Ontbindingsrecht
6.4.
In artikel 6:230x lid 1 BW is bepaald dat een consument een overeenkomst op afstand zonder boete of opgaaf van redenen kan ontbinden (ook wel herroepen genoemd) gedurende veertien dagen vanaf de dag waarop de overeenkomst is aangegaan. Zoals Intrum terecht in de memorie van grieven heeft gesteld, blijkt uit artikel 6 lid 1 van Pro de overgelegde algemene voorwaarden van [bedrijf 1] dat [geïntimeerde] dit recht had. Daarmee is onderbouwd dat [bedrijf 1] voldaan heeft aan de op haar rustende precontractuele informatieverplichting van artikel 6:230x lid 1 BW.
Kredietwaardigheidstoets
6.5.
Op grond van artikel 4:34 lid 1 Wft Pro dient een kredietverstrekker voor de totstandkoming van een kredietovereenkomst informatie in te winnen over de financiële positie van de consument en te beoordelen of het aangaan van de kredietovereenkomst verantwoord is.
6.6.
Intrum heeft in hoger beroep gesteld dat zij voorafgaand aan het doen van een aanbod de kredietwaardigheid van [geïntimeerde] heeft getoetst en heeft ter onderbouwing daarvan de volgende stukken overgelegd:
- bankafschriften over de maand juni 2018 van [geïntimeerde] ;
- screenshots van de salarisbetalingen over de maanden juni en juli 2018;
- een salarisspecificatie over de maand juni 2018;
- eigendomsinformatie uit het Kadaster met betrekking tot de toenmalige woning en hypotheek van [geïntimeerde] ;
- een netto inkomensberekening; en
- een gepersonaliseerde kredietwaardigheidstoets.
Uit deze stukken blijkt voldoende dat [bedrijf 1] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst met [geïntimeerde] een kredietwaardigheidstoets heeft uitgevoerd.
ESIC-formulier
6.7.
Ingevolge artikel 7:60 lid 1 BW Pro verstrekt de kredietgever de consument geruime tijd voordat deze door een kredietovereenkomst of een aanbod wordt gebonden, de in de artikelen 5 en 6 Richtlijn consumentenkrediet voorgeschreven precontractuele informatie, op de in die artikelen voorgeschreven wijze. In de laatste zin van artikel 5 Richtlijn Pro consumentenkrediet is voorgeschreven dat de kredietgever ter uitvoering van deze informatieverplichting de Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet (ESIC) verstrekt. Dit ESIC-formulier is als bijlage II bij de Richtlijn consumentenkrediet gevoegd.
6.8.
Intrum heeft in de memorie van grieven gesteld dat [geïntimeerde] gedurende het onlineproces tegelijk met het aanbod voor de overeenkomst het ESIC-formulier ontving, maar dat dit niet meer voor handen is. Aldus kan niet worden vastgesteld dat [bedrijf 1] dit formulier inderdaad aan [geïntimeerde] heeft verstrekt en of zij dit heeft gedaan geruime tijd voordat [geïntimeerde] gebonden werd. Behalve 8 augustus 2018, de datum waarop de overeenkomst is aangegaan, heeft Intrum überhaupt geen data genoemd in de (proces)stukken.
6.9.
Het hof zal Intrum in de gelegenheid stellen bij
aktealsnog met bewijsstukken te onderbouwen dat het ESIC-formulier geruime tijd voordat [geïntimeerde] werd gebonden aan hem is verstrekt. Indien Intrum hierin slaagt, zal haar vordering alsnog worden toegewezen.
Vernietiging overeenkomst, vordering uit onverschuldigde betaling
6.10.
Voor het geval Intrum dit niet onderbouwt of het hof haar onderbouwing onvoldoende acht, geldt op grond van artikel 7:60 lid 3 BW Pro jo artikel 6:193j lid 3 en 6:193b BW dat de overeenkomst vernietigbaar is omdat het niet in acht nemen van artikel 7:60 BW Pro een oneerlijke handelspraktijk oplevert als gevolg waarvan de overeenkomst tot stand is gekomen. Het hof zal de overeenkomst in dat geval vernietigen. Omdat de vernietiging terugwerkende kracht heeft, betekent dit dat Intrum in dat geval inderdaad een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling op [geïntimeerde] heeft. Anders dan Intrum stelt, is dan alleen het aan krediet aan [geïntimeerde] verstrekte bedrag (de hoofdsom van € 50.000,-) toewijsbaar. De gevorderde rente en kosten zijn gegrond op de overeenkomst en komen in geval van een vernietiging van de overeenkomst niet voor vergoeding in aanmerking.
6.11.
Omwille van de voortgang van de procedure verzoekt het hof Intrum bij de onder 6.9 genoemde
aktetevens - uitsluitend voor het geval de overeenkomst zal worden vernietigd - aan de hand van een specificatie te onderbouwen welk bedrag er nog openstaat aan hoofdsom, nadat de reeds door [geïntimeerde] betaalde rente en kosten in mindering zijn gebracht.
6.12.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

7.Beslissing

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van
23 juni 2026voor het nemen van een akte aan de zijde van Intrum als bedoeld onder 6.9 en 6.11;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. van de Poel, A.S. Arnold en E. Verhulp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.