ECLI:NL:GHAMS:2026:1485
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens niet-betrekken van noodzakelijke partij in nalatenschapsverdeling
In deze civiele familierechtelijke zaak ging het om de verdeling van een nalatenschap waarbij sprake was van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Het hof had in een eerder tussenarrest vastgesteld dat alle deelgenoten, waaronder een executeur en afwikkelingsbewindvoerder, in het geding moesten worden betrokken.
Appellante kreeg meerdere kansen om via een advocaat de noodzakelijke partij in het geding te betrekken, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Hierdoor verviel haar recht om deze proceshandeling te verrichten. Het hof verklaarde haar daarom niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
De proceskosten werden gecompenseerd tussen partijen vanwege de familierelatie en het familierechtelijke karakter van de zaak, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige familiekamer van het Gerechtshof Amsterdam op 26 mei 2026.
Uitkomst: Appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep wegens het niet betrekken van een noodzakelijke partij.