Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1499

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.352.409/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 lid 1 BWArt. 6:217 BWArt. 3:33 BWArt. 3:35 BWArt. 3:37 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen stilzwijgende afspraak over verdeling overwaarde woning tussen partners na overlijden

Deze zaak betreft een geschil tussen de partner van een overleden vrouw en haar erfgenamen over de verdeling van de overwaarde van een woning die op naam van de erflaatster stond. De partner stelde dat er een stilzwijgende afspraak bestond dat zij ieder recht hadden op de helft van de overwaarde. De rechtbank wees deze vordering grotendeels af, behalve een beperkte vergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking.

Na hoger beroep en cassatie oordeelde de Hoge Raad dat het bewijsaanbod van de partner ten onrechte was gepasseerd, waarna het Gerechtshof Amsterdam de zaak opnieuw beoordeelde. Het hof concludeerde dat, ook als de feiten en omstandigheden die de partner aanvoerde zouden vaststaan, deze niet leiden tot de conclusie dat er een stilzwijgende afspraak was over de verdeling van de overwaarde.

Het hof benadrukte dat de woning eigendom was van de erflaatster en dat de financiële bijdragen van de partner binnen het gebruikelijke kader van samenwoners vielen die lasten delen. Ook de brieven en gedragingen van de erflaatster vlak voor haar overlijden wezen niet op een gemeenschappelijk eigendom. Het hof bekrachtigde het eerdere vonnis en wees de vordering van de partner af, waarbij de proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering van de partner tot betaling van de helft van de overwaarde van de woning af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.352.409/01
zaaknummer rechtbank Den Haag : C/09/572441 / HA ZA 19-416
zaaknummer hof Den Haag : 200.291.977/01
zaaknummer Hoge Raad : 23/00976
arrest van de meervoudige familiekamer van 2 juni 2026
inzake
[eiser],
wonend te [plaats A] ,
appellant,
tevens incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. K.G.A.C. Scheper te Den Bosch,
tegen

1.[verweerder 1] ,

wonend te [plaats B] ,
geïntimeerde,
tevens incidenteel appellante, en
2. [verweerder 2] ,
wonend te [plaats C] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.A.J. Hendriks te Maasdijk.
Partijen worden hierna respectievelijk [eiser] , [verweerder 1] en [verweerder 2] genoemd. [verweerder 1] en [verweerder 2] worden gezamenlijk (in enkelvoud) [verweerders] . genoemd.

1.Het geding na verwijzing door de Hoge Raad

Bij arrest van 8 november 2024 (zaaknummer 23/00976) heeft de Hoge Raad het in deze zaak tussen [eiser] en [verweerders] . gewezen arrest van het hof Den Haag van 13 december 2022 (zaaknummer 200.291.977/01) vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof.
[verweerders] . heeft op 22 april 2025 een memorie na verwijzing in cassatie genomen, waarin zij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 december 2020 (zaaknummer C/09/572441 / HA ZA 19-416) voor zover daarin is afgewezen de vordering die [eiser] heeft gebaseerd op de stilzwijgende afspraak tussen hem en de hierna nader aan te duiden erflaatster, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
[eiser] heeft op 3 juni 2025 een antwoordmemorie na verwijzing – met producties – genomen waarin hij heeft geconcludeerd dat het hof – uitvoerbaar bij voorraad – het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 december 2020 zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [verweerders] . zal veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van € 150.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van overlijden van erflaatster (23 januari 2019), althans vanaf de datum van de dagvaarding in eerste aanleg (9 april 2019), althans vanaf een zodanige datum als het hof juist zal achten, tot de dag der algehele voldoening, kosten rechtens.
[verweerders] . heeft op 15 juli 2025 nog een akte na antwoordmemorie na verwijzing – met producties – genomen.
[eiser] en [verweerder 1] zijn verschenen ter zitting van 5 februari 2026 en hebben de zaak doen bepleiten door hun advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [verweerder 2] is niet verschenen. Partijen hebben nog producties in het geding gebracht, [eiser] productie 51 en 52 en [verweerders] . productie 24. Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.
Ten slotte is arrest gevraagd.

2.Feiten

Het hof zal uitgaan van de feiten die de Hoge Raad in zijn arrest van 8 november 2024 onder i tot en met vii heeft vermeld. Deze komen – samengevat en verkort weergegeven – overeen met de feitenvaststelling door de rechtbank Den Haag in het bestreden vonnis van 23 december 2020, waarvan de juistheid tussen partijen niet in geschil is. Deze feiten worden hieronder weergegeven en waar nodig aangevuld door het hof.
2.1.
[in] 2019 is overleden [erflaatster] (hierna: erflaatster), geboren [in] 1958.
2.2.
[eiser] had tientallen jaren een affectieve relatie met erflaatster. [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn respectievelijk de zus en halfzus van erflaatster. Aangezien erflaatster niet bij uiterste wil over haar nalatenschap heeft beschikt, zijn [verweerder 1] en [verweerder 2] volgens het wettelijk erfrecht haar enige erfgenamen.
2.3.
[eiser] en erflaatster zijn in 1994 in een woning aan de [A-straat] in [plaats B] gaan wonen, welke woning erflaatster in eigendom heeft verkregen (hierna: de woning). De aankoopsom bedroeg fl. 182.597,- (€ 82.859,-). [eiser] heeft in 1994 ten behoeve van de aankoop van de woning de eerste bouwtermijn ter hoogte van fl. 32.313,- (€ 14.663,-) en de notariskosten ter hoogte van fl. 2.596,32 (€ 1.178,-) betaald. Erflaatster heeft een hypothecaire lening van fl. 150.000,- (€ 68.067,-) afgesloten.
2.4.
[eiser] en erflaatster hebben geen schriftelijke samenlevingsovereenkomst met elkaar gesloten en evenmin andere vermogensrechtelijke afspraken vastgelegd.
2.5.
[eiser] is op 12 november 2018 uit de woning vertrokken; erflaatster is daarin blijven wonen tot haar overlijden [in] 2019.
2.6.
De woning is in januari 2020 verkocht (voor € 340.000,-) en geleverd aan een derde. Van de verkoopsom staat een bedrag van € 165.000,- in depot bij een notaris.

3.Beoordeling

Eerste aanleg
3.1.
In eerste aanleg heeft [eiser] gevorderd – samengevat – om [verweerders] . te veroordelen primair tot betaling van € 150.000,- (zijnde de helft van de overwaarde van de woning), subsidiair tot betaling van € 106.433,-, althans meer subsidiair € 98.282,-, althans een ander bedrag dat de rechtbank juist zou achten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2019. [eiser] heeft aan zijn vordering primair ten grondslag gelegd dat hij recht heeft op een substantieel deel van de overwaarde van de woning op basis van de stilzwijgende samenlevings-overeenkomst tussen hem en erflaatster en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid die voortvloeit uit hun langdurige samenleving en de wijze waarop zij daaraan in vermogensrechtelijk opzicht invulling hebben gegeven. Subsidiair meende [eiser] recht te hebben op vergoeding van schade op grond van ongerechtvaardigde verrijking.
3.2.
Bij vonnis van 23 december 2020 heeft de rechtbank Den Haag [verweerders] . veroordeeld tot betaling van € 15.841,16 aan [eiser] op grond van ongerechtvaardigde verrijking, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 januari 2019 tot aan de dag van volledige betaling. Dit bedrag is opgebouwd uit een bedrag van fl. 32.313,- (€ 14.663,-) ter zake van de eerste bouwtermijn van de woning plus een bedrag van fl. 2.596,32 (€ 1.178,-) ter zake van notariskosten. Hetgeen [eiser] meer of anders had gevorderd, is afgewezen.
3.3.
Tegen dit vonnis hebben partijen beiden hoger beroep ingesteld.
Hoger beroep
3.4.
Het hof Den Haag heeft bij arrest van 13 december 2022 het bestreden vonnis vernietigd ten aanzien van de veroordeling van [verweerders] . tot betaling van € 15.841,16 aan [eiser] en, in zoverre opnieuw rechtdoende, deze vordering van [eiser] alsnog afgewezen. Daarnaast heeft het hof Den Haag het bestreden vonnis bekrachtigd voor zover de vordering van [eiser] voor het overige was afgewezen, daartoe oordelende dat [eiser] zijn stelling dat sprake was van een stilzwijgende afspraak tussen hem en erflaatster, op grond waarvan aan [eiser] de helft van de overwaarde toekomt, onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof heeft in dit verband het bewijsaanbod van [eiser] gepasseerd.
Cassatieberoep
3.5.
[eiser] heeft cassatieberoep ingesteld. Onderdeel 1A van zijn cassatiemiddel richtte zich tegen (i) het oordeel van hof Den Haag dat [eiser] zijn stelling dat sprake is van een stilzwijgende afspraak tussen hem en erflaatster, op grond waarvan hem de helft van de overwaarde van de woning toekomt, onvoldoende heeft onderbouwd en tegen (ii) het passeren van het bewijsaanbod van [eiser] omdat dit niet zou zien op doorslag-gevende aspecten van het feitencomplex.
3.6.
De Hoge Raad heeft dit klachtonderdeel gegrond verklaard. Daarbij heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat het hof Den Haag niet heeft overwogen dat de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, de conclusie dat sprake is van een stilzwijgende afspraak niet kunnen dragen indien deze zouden komen vast te staan. Vervolgens heeft de Hoge Raad overwogen dat, voor zover het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende onderbouwd zijn om [eiser] tot getuigenbewijslevering toe te laten, dat oordeel onvoldoende gemotiveerd is. Voor zover het hof het bewijsaanbod van [eiser] heeft gepasseerd op de grond dat het niet ziet op doorslaggevende aspecten van het feitencomplex is het oordeel eveneens onbegrijpelijk, reeds omdat het bewijsaanbod van [eiser] om zichzelf als getuige te doen horen, ziet op alle door [eiser] gestelde aspecten van het feitencomplex en het hof niet heeft overwogen dat deze, in onderlinge samenhang bezien, de door [eiser] aangevoerde stilzwijgende afspraak niet kunnen dragen.
De Hoge Raad heeft verder geoordeeld dat de overige klachten van onderdeel 1, van de randnummers 18 en 19 van onderdeel 6, en van onderdeel 7, geen behandeling behoeven en dat de klachten van de onderdelen 2 tot en met 6, randnummer 17, niet tot cassatie kunnen leiden, waarbij de Hoge Raad heeft verwezen naar artikel 81 lid 1 RO Pro.
Memorie na cassatie en verwijzing
3.7.
In zijn memorie na cassatie heeft [eiser] de “voornaamste en relevantste door de man aangevoerde feiten en omstandigheden” naar voren gebracht. Het hof constateert dat sprake is van enige discrepantie tussen de feiten en omstandigheden die de man in zijn memorie van grieven heeft voorgedragen, en de feiten en omstandigheden die de man in zijn memorie na verwijzing over het voetlicht brengt. Zo heeft de man in de memorie van grieven het hof Den Haag voorgehouden: “
De man heeft onverplicht uit inkomen bijgedragen aan de rente en premie spaarpolis die was verschuldigd over de hypothecaire geldleningen die enkel op naam van de vrouw stonden”. In de memorie na verwijzing heeft de man zonder enige toelichting en in tegenstelling tot het voorgaande, gesteld dat zijn bijdrage “
berustte op de afspraak tussen hen[hof: de man en erflaatster]
om de hypotheeklasten van de woning bij helfte te verdelen en dragen”. Het moge duidelijk zijn dat het [eiser] na verwijzing in beginsel niet is toegestaan dergelijke aanpassingen (het bestaan van een afspraak leidt op zichzelf bezien al tot een direct rechtsgevolg en kan ook voor het bestaan van een stilzwijgende afspraak een relevant rechtsgevolg in het leven roepen) te doen in zijn weergave van de feiten en omstandigheden die als onderbouwing van het bestaan van een stilzwijgende afspraak hebben te gelden. Het hof zal dan ook uitgaan van de hieronder geciteerde feiten en omstandigheden, zoals door de man in de memorie van grieven voorgedragen. Wel zal het hof acht slaan op zijn toelichting in de memorie na verwijzing. Het gaat om de volgende feiten en omstandigheden:

1) De man en de vrouw hebben sinds 1979 een affectieve relatie met elkaar gehad. De vrouw was toen 21 jaar oud en de man was toen 26 jaar oud. Zij hebben sinds plm. 1981 samengewoond als waren zij gehuwd.
2) Partijen hebben lang samengewoond, circa 38 jaar; er was derhalve sprake van een duurzame samenleving, als waren zij gehuwd.
3) De woning aan de [A-straat] is destijds op naam van de vrouw verworven, enkel zodat partijen het vermogen veiligstelden voor het geval de man een eigen zaak zou starten. De man was toen bijna veertig jaar oud en was ontevreden over zijn toenmalige baan.
4) Om de verwerving van de woning op naam van de vrouw financieel mogelijk te maken heeft de man met eigen geld geïnvesteerd in deze woning. De man heeft de eerste bouwtermijn voor zijn rekening genomen. Dat was een bedrag van f1. 32.313,00 (€ 14.663), alsmede de kosten van de notaris voor de aanschaf van de woning van f1. 2.596,32 (€ 1.178,16).
5) De man heeft aldus circa 20% (f1. 32.313,00) van het aankoopbedrag (f1. 182.597) voldaan.
6) De man heeft gedurende de bewoning aan de [A-straat] diverse aanmerkelijke kosten gemaakt ten behoeve van de woning, zoals de aanschaf van een zonnescherm, kosten aanpassing eerste verdieping, betaling en aanschaf cv-ketel.
7) De man heeft zich op 21 maart 2002 bij de Rabobank vastgelegd om ter zake van de
hypothecaire geldlening ten aanzien van de woning aan de [A-straat] een bedrag van € 37.336 te betalen. Dit door middel van maandelijkse overboekingen van € 315 met ingang van 1 april 2002. Dit betrof de helft van de hypothecaire geldlening, inclusief spaardeel, van oorspronkelijk fl. 150.000. Het bedrag van € 37.336 is als volgt berekend: de totale hypotheek van f1. 150.000 (€ 68.067,03) is – zoals gebruikelijk – door de bank met 10% vermeerderd in verband met rente en kosten, ofwel in totaal € 74.873,73. Dit laatste bedrag is door tweeën gedeeld; de helft ten laste van de man en de andere helft ten laste van de vrouw. Dat leidt tot een bedrag van € 37.436 voor ieder. De bank heeft als gevolg van een typefout hiervan abusievelijk € 37.336 gemaakt.
8) In overeenstemming met het onder 7) vermelde heeft de man vanaf 1 april 2002 jarenlang maandelijks € 315 middels een maandelijkse machtiging ten behoeve van de
hypotheeklasten, waaronder de spaarhypotheek, aan de vrouw.
9) Naast voormelde betalingen heeft de man altijd voor de helft bijgedragen in de overige lasten van de samenleving. Dit door betaling van op het laatst € 350 (overige woonlasten en gemeenschappelijke uitgaven) naar de en/of rekening en maandelijks € 200 in contanten (indien € 350 en € 200 onvoldoende was, vulden partijen gezamenlijk aan). Vanaf medio 2012 droeg de man feitelijk alle lasten alleen, omdat de vrouw toen geen inkomen meer had. Hij betaalde haar maandelijks plm. € 1.000, laatstelijk € 1.068.
10) De man heeft vanaf juli 2012 – toen de vrouw geen WW-uitkering meer ontving – alle aan de woning verbonden eigenaars- en gebruikerslasten alleen voldaan.
11) De handgeschreven brief van de vrouw onderschrijft dat er al die jaren sprake was van een affectieve relatie op basis waarvan zij samenleefden.
12) De woning werd door partijen als gemeenschappelijk beschouwd, zoals volgt uit de informele wilsverklaring van de vrouw en haar handgeschreven brief.
13) Dat de woning als gemeenschappelijk werd beschouwd blijkt ook uit het feit dat de vrouw op 14 januari 2020 tegen een vriendin van haar, [naam] heeft gezegd dat de man recht heeft op de helft van de waarde van de woning. [naam] is bereid om dit onder ede te verklaren en de man biedt daar getuigenbewijs van aan.
14) De handgeschreven aantekeningen van de vrouw, waarin zij aangeeft dat zij wat het huis betreft gedaan heeft alsof alles van haar was en dat ze in shock is om wat ze heeft gedaan.
15) Partijen hebben beiden voorafgaand aan hun samenleving nimmer eerder samengewoond met iemand anders.
16) De man is niet pas met de vrouw gaan samenwonen toen zij al een eigen woning had, zoals het geval was waarop de uitspraak van de Hoge Raad van 19 mei 2019 ziet. Partijen woonden al vele jaren samen in diverse huurwoningen. De man ziet de situatie dus als wezenlijk anders.
17) Alle woonlasten zijn door partijen gedeeld (gemeenschappelijk gedragen);
18) Van de zijde van de vrouw was er geen sprake van enig vermogen voorafgaand aan de aankoop van de woning aan de [A-straat] .
19) De investering van de man ten tijde van de aanschaf van de woning was noodzakelijk, omdat de vrouw niet beschikte over vermogen. Zonder het geld van de man had de woning niet enkel op naam van de vrouw kunnen worden gesteld. Het inkomen van de vrouw was ontoereikend om een hypothecaire geldlening te kunnen verkrijgen voor de aankoop van de woning.
20) Deze investeringen van de man zou hij niet hebben gemaakt als er geen sprake was geweest van een stilzwijgende obligatoire gemeenschap van woning. De aanpassingen en verbeteringen zijn door de man en de vrouw altijd in overleg gerealiseerd en zij wist dat de man de kosten voor zijn rekening nam.
21) Partijen hebben voordat zij in 1995 de woning aan de [A-straat] betrokken gezamenlijk diverse huurwoningen bewoond, te weten de woningen aan de [B-straat]
, [C-straat] en [D-straat] .
22) De man is direct na de aankoop van de woning aan de [A-straat] lid geworden van de Vereniging Eigen Huis. Als productie 25 worden daarvan twee bewijsstukken overlegd (brief lidmaatschap en ledenpas, alsmede een email van de Vereniging Eigen Huis). De man betaalde het lidmaatschap hiervan.
23) De vrouw was op de hoogte van het lidmaatschap van de man van de Vereniging Eigen Huis. Er werd immers circa elfmaal per jaar het verenigingsblad ontvangen. De vrouw maakte ook gebruik van de korting die de vereniging bood op de opstalverzekering van FBTO.
24) Partijen hebben, ook nadat de vrouw de woning in eigendom had verworven, de
eigenaarslasten van de woning gezamenlijk gedragen. De man heeft onverplicht uit
inkomen bijgedragen aan de rente en premie spaarpolis die was verschuldigd over de
hypothecaire geldleningen die enkel op naam van de vrouw stonden.
25) De man had de vrouw als zijn enig erfgenaam aangewezen. En de vrouw zou dit ook nog gaan doen, maar dit was nog niet gerealiseerd.
26) De man had de vrouw als begunstigde voor zijn partnerpensioen aangewezen.
27) Partijen werden door de Rabobank (hypotheekhouder) ter zake de hypothecaire geldlening, zoals bij verlenging van de renteperiode, steeds gezamenlijk benaderd. Zij gingen periodiek samen op gesprek over onder meer de hypotheek. Zie hiervoor bijvoorbeeld een brief over de verlenging van de hypotheek.
De man vervolgde zijn memorie van grieven met: “
Uit voornoemde feiten en omstandigheden (alsmede hetgeen verder nog door de man in zijn
stukken in eerste aanleg naar voren is gebracht) in hun onderlinge samenhang bezien, kan naar mening van de man worden afgeleid dat partijen de woning aan de [A-straat] gedurende hun samenleving als gemeenschappelijk hebben beschouwd. Daarnaast werd deze stilzwijgende afspraak door de vrouw meerdere malen […] bevestigd, in diverse notities kort voor haar overlijden”.
In aanvulling op deze feiten en omstandigheden (en niet in strijd daarmee), heeft [eiser] in de memorie na verwijzing nog het volgende gesteld:
- Hoewel de woning alleen op naam van erflaatster werd gezet, beschouwden erflaatster en [eiser] de woning als hun gezamenlijke woning. Zij voerden samen gesprekken met de makelaar, de projectontwikkelaar en de bank; [eiser] was voorts aanwezig bij het ondertekenen van de koopovereenkomst en het passeren van de leveringsakte. Ook buren en vrienden beschouwden hen als gezamenlijke eigenaars van de woning.
- In hun aangiften IB verdeelden [eiser] en erflaatster de hypotheekrente als aftrekpost tussen hen; de belastingteruggaven werden op de en/of-rekening gestort die zij in 2004 hadden geopend.
[eiser] doet een bewijsaanbod met betrekking tot de door hem gestelde feiten en omstandigheden, onder andere door het doen horen van getuigen (onder wie [eiser] zelf) en/of door het in het geding brengen van nadere producties.
Akte na antwoordmemorie na verwijzing
3.8.
[verweerders] . heeft ter weerlegging van de stellingen van [eiser] het volgende aangevoerd.
- Het is juist dat [eiser] en erflaatster hebben samengewoond (al is de periode minder lang dan [eiser] stelt), maar dat heeft geen gevolgen voor de eigendom van de woning. Het is van meet af aan de bedoeling geweest dat erflaatster vermogen opbouwde door de woning te kopen en dat [eiser] vermogen opbouwde door te sparen, hetgeen hij ook heeft gedaan (ruim € 200.000,-).
- Daargelaten dat [eiser] nooit aspiraties heeft gehad om voor zichzelf te beginnen, hadden hij en erflaatster in dat geval een regeling kunnen treffen in een samenlevingsovereenkomst zodat zij de woning toch op beider naam konden zetten. [eiser] nam nu het risico dat hij de woning zou verliezen bij het overlijden van erflaatster, terwijl hij als jurist beter kon weten.
- Het mag zo zijn dat [eiser] betrokken was bij het aankoopproces, maar dat zegt niet dat erflaatster en hij de woning als gezamenlijk eigendom beschouwden.
- [eiser] heeft het bedrag ter zake van de bouwtermijn en de notariskosten geschonken aan erflaatster. Hij is immers jurist en had dus de consequenties kunnen kennen van het niet vastleggen van deze betalingen. Deze schenking was overigens niet noodzakelijk. Erflaatster was financieel in staat om de woning te kopen zonder financiële steun van [eiser] .
- Voor zover [eiser] heeft bijgedragen aan het onderhoud van de woning, vormt dit slechts een zeer beperkt deel van de vermoedelijke totale kosten. [eiser] en erflaatster hebben 24 jaar in de woning gewoond. De totale onderhoudskosten over een periode van 24 jaar kunnen worden geraamd op € 52.000,-.
- Anders dan [eiser] stelt, zagen de bedragen die [eiser] door de jaren heen betaalde op de rekening van erflaatster en op de en/of-rekening niet op een bijdrage in de hypotheeklasten. Volgens [eiser] viel de eerste bijdrage samen met de eerste betalingstermijn van de hypotheeklasten (in augustus 1994), maar uit de door hem overgelegde bankafschriften blijkt dat hij de bijdrage van fl. 375,- (€ 170,-) al betaalde in december 1993 (en in ieder geval al vanaf 1992 een bedrag van fl. 300,- per maand), terwijl de koopovereenkomst pas in 1994 is gesloten. De betaling van de bijdrage was dus gebaseerd op een andere afspraak en niet op het delen van de hypotheeklasten.
- Zelfs als [eiser] door middel van zijn betalingen meebetaalde aan de hypotheeklasten, duidt dat niet op een stilzwijgende overeenkomst tot het delen van de overwaarde, omdat de bijdrage net zo goed betrekking kan hebben gehad op de verdeling van huishoudelijke kosten en/of een gebruiksvergoeding. [eiser] heeft geen omschrijving toegevoegd aan zijn overboekingen. Ook legt hij niet uit waarom hij de helft van de hypotheeklasten zou hebben betaald met deze betalingen. Volgens zijn eigen berekeningen bleef het hypotheekbedrag altijd gelijk, ook als de rente wijzigde, omdat het een spaarhypotheek betrof. Onduidelijk blijft waarom hij dan verschillende bedragen in de loop der jaren betaalde.
- Alle betalingen die [eiser] deed (op zowel de privérekening van erflaatster als later op de en/of-rekening) passen binnen een afspraak over een verdeling van de huishoudelijke kosten. Een en ander vindt bevestiging in de hoogte van de bijdrage van € 315,- per maand, hetgeen meer is dan de helft van de hypotheeklasten.
- De verdeling van de aftrekposten hebben [eiser] en erflaatster zo voordelig mogelijk gedaan; zo hebben zij in de aangifte IB van 2013 ook het vermogen van [eiser] verdeeld.
- [eiser] en erflaatster hielden een gezamenlijke rekening aan bij de Rabobank en bankierden daar ook afzonderlijk van elkaar. Een gezamenlijk gesprek is dan ook goed mogelijk. Ook dat de bank uit praktische overwegingen ervoor gekozen heeft een brief te sturen over de hypotheekrente. Er is overigens slechts één brief overgelegd, zodat dit niet “steeds” is gebeurd, zoals [eiser] stelt.
- Nergens blijkt uit dat [eiser] een extra contante betaling deed van € 200,- per maand. [eiser] heeft zich niet uitgelaten over de periode van 1990 tot 2004. Toen droeg hij nauwelijks bij, waardoor hij veel kon sparen. Pas vanaf 2009 is hij gaan storten op de en/of-rekening. In 2009 is erflaatster werkloos geraakt en kreeg zij een uitkering. Vanaf 2012 is [eiser] inderdaad meer gaan bijdragen.
Juridisch kader na verwijzing
3.9.
Ingevolge artikel 424 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient de verwijzingsrechter de uitspraak van de Hoge Raad in acht te nemen bij zijn beoordeling van het geding na verwijzing. Het hof is als verwijzingsrechter gebonden aan alle niet of tevergeefs in cassatie bestreden beslissingen. Dat brengt in dit geval mee dat de vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking niet meer voorligt en dat het incidenteel hoger beroep van [verweerders] . geen bespreking meer behoeft.
Wat moet nog worden beslist
3.10.
De kern van de beslissing van de Hoge Raad is dat 1) voor zover het hof het door [eiser] gedane bewijsaanbod (dat sprake is van een stilzwijgende afspraak dat [eiser] en erflaatster ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de overwaarde van de woning) heeft gepasseerd omdat een aantal van de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende zouden zijn onderbouwd, dat oordeel onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is, en 2) voor zover het hof het bewijsaanbod heeft gepasseerd op de grond dat dit niet ter zake dienend is, dit oordeel eveneens onbegrijpelijk is, omdat het bewijsaanbod van [eiser] om zichzelf als getuige te doen horen, ziet op alle door hem gestelde aspecten van het feitencomplex en het hof niet heeft overwogen dat deze, in onderlinge samenhang bezien, de door [eiser] gestelde stilzwijgende afspraak niet kunnen dragen.
Oordeel hof
3.11.
[eiser] heeft in zijn memorie na verwijzing een samenvatting – en op onderdelen een na verwijzing toegestane uitwerking – gegeven van de door hem in eerste aanleg en in hoger beroep voorgelegde feiten en omstandigheden. Het hof is van oordeel dat ook als de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden - in onderlinge samenhang bezien - zouden komen vast te staan, deze niet de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een stilzwijgende afspraak dat [eiser] en erflaatster ieder voor de helft recht hadden op de overwaarde van de woning. Het hof licht dat oordeel als volgt toe.
3.12.
Op zichzelf is voorstelbaar dat twee partijen die met elkaar (willen gaan) samenwonen onderling een regeling treffen voor de wijze waarop zij hun financiële verhouding regelen, in het bijzonder wat betreft de kosten van de gezamenlijke huishouding. In dat geval zijn zij gebonden aan de door hen gesloten overeenkomst. Met inachtneming van de zogenaamde ‘wils/vertrouwensleer’ (als bedoeld in art. 6:217 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), in verbinding met art. 3:33 en Pro 3:35 BW), de Haviltex-maatstaf en gelet op de vormvrije wijze waarop zo’n overeenkomst tot stand kan komen, is voorstelbaar dat ‘stilzwijgende’ overeenstemming wordt aangenomen op basis van de feitelijke gedragingen van partijen (zie ook art. 3:37 BW Pro).
3.13.
Erflaatster en [eiser] hadden ten tijde van de aankoop van de woning al een jarenlange relatie en woonden samen (in een andere woning). Ook in de aangekochte woning zouden zij gaan samenwonen, wat zij vervolgens 24 jaar hebben gedaan. De woning was eigendom van erflaatster en ook de hierop rustende hypothecaire geldlening en de hieraan gekoppelde spaarpolis stonden uitsluitend op haar naam. Tussen erflaatster en [eiser] bestond dus geen goederenrechtelijke gemeenschap.
3.14.
Volgens [eiser] is de woning alleen op naam van erflaatster gesteld zodat het vermogen veilig werd gesteld voor het geval hij een eigen zaak zou starten. Ook als dat het geval is geweest, is dit onvoldoende om de gestelde afspraak aan te nemen. Uit de wijze waarop [eiser] en erflaatster zich gedurende de samenleving jegens elkaar hebben gedragen – ook in financieel opzicht – leidt het hof, evenals de rechtbank, geen stilzwijgende afspraak af.
3.15.
[eiser] heeft in dit verband gesteld dat hij en erflaatster samen gesprekken met de makelaar, de projectontwikkelaar en de bank hebben gevoerd en dat hij voorts aanwezig was bij het ondertekenen van de koopovereenkomst en het passeren van de leveringsakte. Gelet op de relatie tussen hen beiden is het niet meer dan passend dat [eiser] (als levenspartner) aanwezig was bij afspraken met de makelaar en bij het passeren van de koopakte en dat erflaatster – ook al kocht zij als enige de woning – niet als enige alle beslissingen in verband met de woning nam, maar dat [eiser] daarbij ook betrokken was.
3.16.
Daarnaast is het, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, in affectieve samenlevingsrelaties gebruikelijk dat partners naar draagkracht bijdragen in de lasten van de woning waarin zij samen wonen. Voor zover de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden zien op de financiële bijdragen van zijn kant, is het hof van oordeel dat die alle te scharen zijn onder de lasten die samenlevers gewoon zijn te delen. Dat geldt ook voor de kosten van aankoop die [eiser] heeft betaald (in de vorm van een bouwtermijn en notariskosten). Zowel in het geval dat zou blijken dat de financiën van erflaatster niet toereikend waren om de woning te kopen, als in het geval dat [eiser] de bijdrage zonder noodzaak heeft gedaan, heeft te gelden dat die bijdrage – ook in samenhang bezien – niet een zodanige bijzondere (bijkomende) omstandigheid is dat die wijst op een stilzwijgende overeenkomst tussen erflaatster en [eiser] op grond waarvan [eiser] de helft van de overwaarde van de woning toekomt. In (duurzame) samenlevingsrelaties is het gebruikelijk dat partners elkaar over en weer financieel bijstaan zonder dat daarvoor een aanwijsbare tegenprestatie geleverd moet worden, of hooguit een vergoedingsrecht ontstaat (dat in dit stadium van de procedure niet meer aan de orde is).
3.17.
De door [eiser] gestelde investeringen in de woning passen naar het oordeel van het hof binnen het gebruik van duurzame partners om hun lasten te delen. Daarbij acht het hof van belang dat het om relatief bescheiden en in ieder geval niet om zeer aanzienlijke investeringen in de woning gaat, gezien de duur van 24 jaar die [eiser] en erflaatster daarin hebben gewoond. Ook als [eiser] zou aantonen dat hij de door hem gestelde investeringen voor zijn rekening heeft genomen, volgt daaruit naar het oordeel van het hof nog niet (ook niet in samenhang) het bestaan van een stilzwijgende afspraak op grond waarvan [eiser] gerechtigd is tot de helft van de overwaarde.
3.18.
[eiser] heeft verder nog gesteld dat hij vanaf de datum van aankoop van de woning in augustus 1994 een financiële bijdrage pleegde in de vorm van een aandeel in de hypotheeklasten, welk aandeel in de loop der jaren is gestegen zodanig dat [eiser] de laatste jaren zelfs het grootste deel van de hypotheeklasten zou hebben betaald. Het hof overweegt allereerst dat het niet meer dan gebruikelijk is dat [eiser] , die (ook) in de woning woonde en daarvan het genot had, voor dat genot een bijdrage betaalde, alsook dat hij bijdroeg in de nutsvoorzieningen, de overige lasten en de kosten van de huishouding. Daarnaast stelt het hof vast dat [eiser] reeds in 1993 de door hem genoemde bijdrage van fl. 375,- per maand betaalde, derhalve al een jaar voordat de woning werd gekocht. In het licht van dit door [verweerders] . voorgedragen en vaststaande gegeven, leveren de door [eiser] opgevoerde betalingen onvoldoende ondersteuning op voor zijn stelling dat sprake was van (specifiek) een bijdrage (van een/zijn aandeel) in de hypotheeklasten, althans voor de stelling dat deze betalingen grond vormen om een stilzwijgende afspraak tussen [eiser] en erflater aan te nemen, inhoudende dat ieder recht had op de helft van de overwaarde van de woning. Datzelfde geldt voor het door [eiser] in eerste aanleg als productie 15 overgelegde formulier van de Rabobank. Dit formulier ziet slechts op een door [eiser] aan de Rabobank gegeven opdracht om zijn automatische overboeking per 1 april 2002 te wijzigen. Dat [eiser] vanaf enig moment (toen erflaatster haar inkomen verloor) een (groter) deel van de (hypotheek)lasten droeg, wijst evenmin op een afspraak tot verdeling van de waarde van de woning. Het is immers niet ongebruikelijk dat de ene partner (al dan niet tijdelijk) meer betaalt wanneer de andere partner over minder middelen komt te beschikken. Evenmin is ongebruikelijk tussen samenwoners dat zij ervoor kiezen als fiscaal partners te worden aangemerkt, zodat zij de hypotheekrente zo fiscaal voordelig mogelijk als aftrekpost kunnen opvoeren.
3.19.
Verder is gebleken dat [eiser] gedurende de jaren dat hij met erflaatster heeft samengewoond, in staat is geweest om een aanzienlijk vermogen op te bouwen. Ook als dat, zoals hij ter zitting heeft betoogd, mede is opgebouwd uit een erfenis en beleggingen, biedt de relatief geringe bijdrage die hij vanaf 1994 tot 2009 betaalde en waardoor hij de gelegenheid verkreeg om vermogen op te bouwen, steun voor het verweer van [verweerders] . dat het de bedoeling van [eiser] en erflaatster was dat [eiser] vermogen opbouwde door te sparen en erflaatster door de eigendom van de woning, en dat het (zeker gezien vanuit het perspectief van erflaatster) daarom niet de bedoeling was dat [eiser] zou meedelen in de waarde van de woning.
3.20.
Kortom, de door [eiser] gestelde financiële bijdragen duiden naar het oordeel van het hof dan ook geenszins op een impliciete afspraak om de overwaarde te delen bij wijze van tegenprestatie, terwijl de omstandigheid dat [eiser] zelf kapitaal opbouwde in het licht van de maatstaf beschreven onder 3.12 juist geen steun biedt voor het bestaan van een dergelijke afspraak.
3.21.
Het vorengaande overziende, komt het hof tot het oordeel dat de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden op zichzelf én in onderlinge samenhang bezien,
mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door [verweerders] ., niet de conclusie kunnen dragen dat sprake was van de door [eiser] gestelde stilzwijgende afspraak dat [eiser] en erflaatster ieder voor de helft recht hadden op de overwaarde van de woning. Om die reden zal het hof het bewijsaanbod van [eiser] als niet ter zake dienend passeren.
3.22.
De briefjes en e-mails van erflater in de laatste dagen van haar leven, waarop [eiser] nog ter onderbouwing van zijn stelling wijst, leiden niet tot een andere conclusie. Volgens [eiser] valt uit deze stukken af te leiden dat erflaatster en hij de woning als gemeenschappelijk zagen, in die zin dat zij weliswaar wisten dat de woning eigendom was van erflaatster, maar dat het hun bedoeling was dat (de waarde van) de woning gemeenschappelijk was en dat zij zich daarnaar hebben gedragen. Bewijs van die bedoeling ziet [eiser] in met name de laatste berichten van erflaatster, waarin zij haar spijt uitspreekt over het feit dat zij [eiser] de toegang tot de woning had ontzegd en aangeeft dat zij de woning wil nalaten aan [eiser] dan wel die mede op zijn naam wil zetten.
3.23.
Voor de beoordeling van deze stelling acht het hof van belang de context in ogenschouw te nemen, waarbinnen de gestelde mededelingen door erflaatster zijn gedaan. Daarbij zijn de volgende feiten van belang:
- Op 12 november 2018 heeft erflaatster de relatie met [eiser] verbroken en hem de toegang tot de woning ontzegd. Zij had daarover advies ingewonnen van een advocaat die [eiser] op 31 oktober 2018 en 6 november 2018 heeft geschreven over “de beëindiging van het partnerschap” en hem heeft verzocht de woning te verlaten (aan welk verzoek hij geen gehoor had gegeven). Erflaatster heeft de sloten vervangen en zij heeft [eiser] enkele dagen later gemaild over het ophalen van zijn spullen en het doorsturen van zijn post.
- Erflaatster heeft vervolgens de woning te koop gezet, kennelijk zonder overleg met [eiser] , zo blijkt uit een mail van [eiser] aan haar van 17 december 2018 waarin hij schrijft: “
Ik heb bemerkt dat je het huis te koop hebt gezet. Dit heeft mij volkomen verrast, omdat ik totaal niet verwachtte dat je daartoe zonder daarover met mij eerst te spreken zou overgaan. (…) Maar vind je niet dat wanneer je wilt verkopen, het fair zou zijn om mij, die altijd aan de verplichtingen hebt meebetaald, eerst enige tijd de gelegenheid te geven te bezien of ik de woning kan kopen? Dat heb ik toch wel verdiend?”.
- Erflaatster antwoordt hierop per e-mail van 20 december 2018 dat ook zij het vervelend vindt hoe hun samenwoning is beëindigd, maar dat zij geen andere uitweg meer ziet. Verder schrijft zij: “
Het is inderdaad zo dat ik de opbrengst van mijn huis nodig heb om ook een toekomst te hebben of te kunnen opbouwen. Mij is aangeraden eventuele biedingen via Funda af te wachten. Zodra er een mogelijkheid is voor een bod van jouw zijde dan laat ik het je weten”.
- Erflaatster had de wens om met de opbrengst van de woning een cottage te kopen in Groot-Brittannië en die te exploiteren als Bed & Breakfast. Zij is naar Groot-Brittannië gereisd, heeft daar een makelaar in de arm genomen en heeft biedingen uitgebracht.
- Erflaatster heeft op 29 december 2018 – onder andere – aan [eiser] gemaild: “
Ik vind ook dat als de woning verkocht moet worden (ik heb absoluut geen geld meer om van te leven en heb me al in de schulden moeten steken) jij degene ben die er in mag gaan wonen, mits we het natuurlijk eens worden over de financiële kant ervan”.
- Op 2 januari 2019 heeft erflaatster [eiser] per e-mail verzocht om met haar te praten om te bekijken of er mogelijkheden zijn ‘om hun situatie te verbeteren’. [eiser] heeft daarmee ingestemd. Uit de verdere mailwisseling leidt het hof af dat dit gesprek diezelfde dag heeft plaatsgevonden. Op 4 januari 2019 heeft erflaatster namelijk aan [eiser] gemaild: “
Ik realiseer me meer en meer hoe vreselijk het is wat ik jou heb aangedaan en begrijp nog niet hoe ik zo hard kon zijn. Het spijt me zo verschrikkelijk! Dit had nooit mogen gebeuren. We kennen elkaar zo’n veertig jaar en hebben daarvan misschien wel 35 jaar samen geleefd (…). Zoals woensdag(hof: 2 januari 2019)
besproken heb ik bij de makelaar gemeld dat ik het huis uit de verkoop haal en heb de voorgestelde bezichtigingen van het huis afgezegd. Dit heeft helaas ook vervelende gevolgen. Vanwege de geldlening ben ik heel bang dat het huis verkocht zal moeten worden bij uitblijven van terugbetaling van het geleende bedrag omdat er over verpanding wordt geschreven in de overeenkomst die ik heb getekend. Die terugbetaling zou nl. uit de opbrengst van de verkoop van het huis gebeuren. Natuurlijk is dat jouw probleem niet, tenzij je, zoals je eerder liet weten, het huis zou willen hebben. Is er een kans dat je dit weekend opnieuw met me wilt praten?”. De volgende dag heeft [eiser] toegezegd diezelfde dag nog langs te komen.
- Bij de stukken bevindt zich een ongedateerde brief van de hand van erflaatster waarvan [eiser] zegt dat zij die tussen 4 en 10 januari 2019 heeft geschreven. Daarin schrijft erflaatster onder andere dat zij de weg kwijt is geweest, dat zij er nu niet meer over uit kan dat zij [eiser] het huis uit heeft gezet en waarin zij hem om financiële hulp vraagt. Erflaatster stelt voor dat zij weer gaan samenwonen en dat [eiser] haar schulden zal aflossen zodat de woning behouden blijft. Zodra zij weer over geld zal beschikken (pensioen en AOW-uitkering), zal zij de schuld terugbetalen. Erflaatster wilde verder [eiser] benoemen als haar enige erfgenaam zodat hij de woning zou krijgen als zij zou komen te overlijden. Erflaatster schrijft dat het water haar tot aan de lippen staat; zij hoopt dan ook op een nieuw begin.
- Bij de stukken bevindt zich daarnaast een handgeschreven brief, gedateerd 17 januari 2019, waarin erflaatster schrijft de woning na te laten aan [eiser] , en waaraan zij toevoegt “
(voorzover het mijn bezit zou zijn)”.
- Op 21 januari 2019 heeft erflaatster haar makelaar in Engeland gemaild dat zij haar biedingen intrekt. Zij schrijft ziek te zijn en haar huis in Nederland niet te kunnen verkopen ‘because it is not completely mine’.
- [in] 2019 heeft [eiser] erflaatster overleden aangetroffen in de woning. Naast haar werd een (ongedateerde) handgeschreven brief gevonden waarin erflaatster schrijft dat zij in september 2018 een advocaat had gezocht om te bekijken of zij op zichzelf kon gaan wonen. Zij had een grote wens om in Engeland te gaan wonen en had een eigen huis. Zij wilde het voor zichzelf mogelijk maken “mijn” huis te verkopen. Erflaatster schrijft verder “
Dit is crimineel. Het is geen bevlieging geweest, maar ik was hier al jaren mee bezig. Daarna Huub uit dit huis gezet…..en gedaan of alles van mij is. Dit teruglezende ben ik zelf in shock om wat ik gedaan heb”.
- In een ongedateerde notitie staat: “
Huub ik zet het huis ook op jouw naam heb je daar iets aan?”. [eiser] stelt dat erflaatster deze notitie medio januari 2019 heeft geschreven.
3.24.
Tussen partijen is niet in geschil dat erflaatster in de bewuste periode (al dan niet als gevolg van het overlijden van haar vader in oktober 2018) mentale problemen ervoer, al verschillen partijen van mening over de duur, aard en omvang. Mogelijk hebben deze problemen hun invloed gehad op het handelen van erflaatster. Zo lijkt erflaatster naderhand spijt te hebben gekregen van haar gedrag jegens [eiser] in november/december 2018. Juist omdat onduidelijk is in welke mate erflaatster mentale problemen had en of hiervan in november/december 2018 sprake was en/of in januari 2019, kan het hof aan de brieven en notities uit januari 2019 niet de betekenis toekennen, die [eiser] hieraan toekent, namelijk dat hieruit valt af te leiden dat [eiser] en erflaatster stilzwijgend hadden afgesproken dat [eiser] recht had op de helft van de overwaarde van de woning. Integendeel, uit het gegeven dat erflaatster eigenhandig over de woning beschikte door [eiser] uit de woning te zetten en de woning te koop te zetten, blijkt immers dat zij de woning op dat moment in ieder geval niet als gemeenschappelijk beschouwde. Zij handelde bovendien eigenhandig door plannen te maken om de opbrengst van de woning aan te wenden voor een cottage in Groot-Brittannië, waartoe zij al stappen had gezet. Zij had (onder andere) een bod uitgebracht op een cottage die te koop stond voor £ 235.000,- (ruim € 260.000,-).
3.25.
In dit kader is van belang dat [eiser] erflaatster niet heeft gecorrigeerd toen zij de woning te koop zette en schreef dat zij de opbrengst nodig had. [eiser] geeft in zijn e-mail van 17 december 2018 blijk van zijn verrassing en ongenoegen over het (zonder overleg) te koop zetten van de woning, maar hij vraagt erflaatster alleen om hem de mogelijkheid te geven de woning te kopen. Hij schrijft niet dat zij toch altijd ervan zijn uitgegaan dat ieder recht had op de helft van de overwaarde. Hij heeft bovendien die maand zijn bijdrage in de woonlasten van € 315,- per maand (waarvan hij stelt dat het zijn aandeel in de hypotheeklasten betrof) stopgezet; de laatste betaling vond plaats op 1 december 2018.
3.26.
Het mag zo zijn dat erflaatster vlak voor haar overlijden te kennen heeft gegeven dat [eiser] recht had op de helft van de woning (zoals zij tegen een vriendin zou hebben gezegd), maar daar staat tegenover dat haar feitelijke gedragingen in de maanden daarvoor en de reactie van [eiser] zelf daarop op het tegendeel wezen: erflaatster beschikte over haar eigendom en had een bestemming voor de opbrengst na verkoop. Dat erflaatster in januari 2019 mogelijk meende dat [eiser] in de woning moest kunnen blijven wonen, ook na haar overlijden, is naar het oordeel van het hof dan ook, mede bezien in het licht van – en in onderlinge samenhang met – de eerder besproken feiten en omstandigheden, onvoldoende om aan te nemen dat zij en [eiser] tijdens hun relatie een (stilzwijgende) afspraak hebben gemaakt dat zij de overwaarde van de woning bij helfte wensten te delen.
Redelijkheid en billijkheid
3.27.
Voor het geval het hof zou oordelen dat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van de gestelde stilzwijgende overeenkomst, heeft [eiser] gesteld dat de woning als gemeenschappelijk moet worden beschouwd, gezien het onderlinge gedrag van erflaatster en [eiser] , althans dat ongewijzigde handhaving van de vermogensscheiding ten aanzien van de woning, die voortvloeit uit het informeel samenleven, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hetgeen [eiser] aanvoert ter onderbouwing komt overeen met hetgeen hij omtrent de gestelde stilzwijgende afspraak heeft aangevoerd. Het hof is van oordeel dat ook indien van de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden moet worden uitgegaan, gelet op hetgeen hiervoor is besproken en gezien ook in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan van de zijde van [verweerders] ., noch op grond van de door [eiser] aangevoerde aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, noch op grond van artikel 6: 2 lid 1 BW het bestaan van de door [eiser] gestelde aanspraak jegens (de nalatenschap van) erflaatster kan worden aangenomen.
Conclusie
3.28.
De grief faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd voor zover aan het oordeel van dit hof – na cassatie – onderworpen. Hoewel [eiser] in hoger beroep in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof gelet op de aard van de zaak de proceskosten van het hoger beroep tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Er is onvoldoende aanleiding voor een kostenveroordeling zoals door [verweerders] . gevorderd.

4.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt, met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 8 november 2024, het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 december 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. H.A. van den Berg, mr. A.R. Sturhoofd en mr. M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.