Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1522

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.366.232/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1.1 JeugdwetArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen in het belang van hun verzorging en opvoeding

De zaak betreft de uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen, waarbij de moeder in hoger beroep ging tegen de machtiging verleend door de kinderrechter. De GI steunde de machtiging en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerde eveneens tot bekrachtiging.

De moeder betwistte de noodzaak van uithuisplaatsing en stelde dat de situatie thuis stabiel was en dat de kinderen voldoende verzorgd werden. De GI stelde dat de samenwerking met de moeder moeizaam verliep, er sprake was van ernstige zorgen over de veiligheid en verzorging van de kinderen, en dat vrijwillige hulp onvoldoende was.

Het hof oordeelde dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk was in het belang van de kinderen, mede gelet op de complexe gezinssituatie, het gedrag van de kinderen en de moeizame samenwerking met de moeder. De inbreuk op het gezinsleven was wettelijk voorzien, noodzakelijk en proportioneel. De machtiging werd bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing van de drie minderjarige kinderen in het belang van hun verzorging en opvoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.366.232/01
zaaknummer rechtbank: C/15/374217 / JU RK 26-176
beschikking van de meervoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. Y. Bruin te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard,
en
De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] ,
- de minderjarige [minderjarige 3] , hierna: [minderjarige 3] ,
- [de vader] , hierna: de vader.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] (12 jaar), [minderjarige 2] (10 jaar) en [minderjarige 3] (9 jaar) (hierna: de kinderen). De kinderrechter heeft (in aansluiting op de eerder verleende spoedmachtiging) een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend met ingang van 26 februari 2026 tot 26 mei 2026.
De moeder is het daar niet mee eens en wil dat het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing alsnog wordt afgewezen. De GI is het wel eens met de beslissing van de kinderrechter.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 13 maart 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 4 februari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter).
2.2
De GI heeft op 23 april 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft de kinderen de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vinden. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben daar geen gebruik van gemaakt. [minderjarige 1] heeft daarvan gebruik gemaakt en heeft na de mondelinge behandeling met de voorzitter via videobellen gesproken. Bij bericht van 19 mei 2026 zijn partijen op de hoogte gesteld van een samenvatting van de inhoud van dit gesprek en is hen de gelegenheid gegeven om hierop te reageren. Daar hebben zij geen gebruik van gemaakt.
2.4
De zitting heeft op 8 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder (via videobellen), bijgestaan door haar advocaat en door A. Abrosimova, een tolk in de Russische taal,
- de GI, vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] ,
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.
De vader is zonder bericht van afwezigheid niet ter zitting in hoger beroep verschenen.
2.5
Op verzoek van het hof zijn nadien ingekomen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 11 mei 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 12 mei 2026 met bijlage.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2013, te [plaats C] , Oekraïne;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2015, te [plaats C] , Oekraïne;
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2017, te [plaats C] , Oekraïne.
3.2
De ouders zijn met elkaar gehuwd. De moeder woonde met de kinderen in [X] te [plaats A] . De vader woont daar sinds de zomer van 2025 niet meer, nadat hem de toegang tot het [X] is ontzegd.
3.3
De kinderrechter heeft bij beschikking van 13 november 2025 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 13 augustus 2026.
3.4
De kinderrechter heeft bij beschikking van 29 januari 2026 op verzoek van de GI een spoedmachtiging verleend om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 26 februari 2026 en de beslissing op het verzoek voor het overige aangehouden.
3.5
De kinderen verblijven sinds 29 januari 2026 in de accommodatie jeugdhulpaanbieder [XX] in [plaats D] .
3.6
Bij beschikking van 15 april 2026 heeft de kinderrechter de machtiging uithuisplaatsing van de kinderen verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 13 augustus 2026.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de GI, een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 26 februari 2026 tot 26 mei 2026, onder aanhouding van het overige deel van het verzoek tot een nader te bepalen zitting.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van de kinderen alsnog af te wijzen.
4.3
De GI verzoekt het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
De standpunten
5.2
De moeder vindt de machtiging tot uithuisplaatsing niet in het belang van de kinderen noodzakelijk. De informatie waarop de kinderrechter haar oordeel heeft gebaseerd is verouderd. Ook betwist de moeder de omstandigheden zoals de GI die schetst. De kinderen waren altijd verzorgd en hadden genoeg te eten mee naar school. Ook waren de kinderen nooit zonder toezicht. De moeder werkt maar zeven uur per week dus het grootste deel van de tijd is zij er voor de kinderen. Het klopt niet dat [minderjarige 1] voor zijn broertjes moest zorgen, van parentificatie is geen sprake.
De moeder staat open voor begeleiding die gericht is op het versterken van haar opvoedvaardigheden en het waarborgen van een stabiele thuissituatie voor de kinderen. De moeder accepteert hulp van de instelling Bocah Donya en is in overleg met de GI. Zij ziet niet waarom de problemen niet vanuit de thuissituatie kunnen worden opgelost. Eventuele moeizame communicatie in het verleden dient te worden bezien tegen de achtergrond van de complexe en stressvolle omstandigheden waarin het gezin verkeerde, waaronder de verblijfssituatie in de opvanglocatie. De noodgedwongen woonsituatie van het gezin in het [X] , opvanglocatie voor Oekraïense vluchtelingen, kan niet aan de moeder worden aangerekend. Juist deze kinderen, die met hun ouders zijn gevlucht uit de oorlogssituatie in Oekraïne, hebben het nodig om bij hun moeder te blijven die voor hen vertrouwd is. De moeder en de kinderen uit elkaar halen is een nieuw trauma voor de kinderen en voor de moeder. De kinderrechter heeft ten onrechte geen acht geslagen op de kwetsbare positie waarin deze kinderen al verkeren als gevolg van de oorlog en het traject ter verkrijging van een verblijfsstatus in Nederland. Op grond van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) geldt in dergelijke situaties een verhoogde zorgvuldigheid.
Daarnaast maakt de moeder zich zorgen over de schoolgang van de kinderen. [minderjarige 1] zou na groep 8 naar het gymnasium gaan maar met al deze plotselinge wisselingen in zijn leven is het onduidelijk hoe hij dit schooljaar gaat afsluiten. Alle drie de kinderen zijn langere tijd niet naar school geweest. [minderjarige 3] gaat zelfs nog steeds niet naar school, aldus de moeder.
5.3
De GI vindt de machtiging tot uithuisplaatsing wel in het belang van de kinderen noodzakelijk. De samenwerking met de moeder verloopt nog niet goed, hierdoor stagneert het kunnen inzetten van de juiste hulpverlening. Vanaf september 2025 zijn er meerdere gesprekken geweest waarvoor de moeder was uitgenodigd. Zij is niet bij alle gesprekken aanwezig geweest, dat was haar eigen keuze. Ook hebben er diverse huisbezoeken plaatsgevonden en gesprekken op het [X] met de directrice erbij. Daarnaast zijn er meerdere mails met de moeder gewisseld. Het is niet gelukt om de zorgen met de moeder te bespreken. Dit komt doordat de moeder het steeds over iets anders wil hebben dan het onderwerp van die bijeenkomst, waardoor gesprekken moeizaam verlopen. Zorgen die via de mail worden besproken betwist zij. De moeder heeft aangegeven dat de problemen van de kinderen niet haar verantwoordelijkheid waren en dat zij niet van plan was om mee te werken als de GI niet zou zorgen voor andere huisvesting. Op 21 januari 2026 heeft de GI een aantal voorwaarden gesteld waaraan de moeder moest voldoen om de kinderen thuis te laten blijven. Hierover zou de moeder de GI een week later een terugkoppeling geven. De GI heeft deze terugkoppeling niet ontvangen en mocht geen contact meer opnemen met de moeder behalve via de mail. Toen is de GI overgegaan tot een verzoek tot uithuisplaatsing omdat de vrees bestond dat de moeder de kinderen zou meenemen naar een onbekende locatie.
De moeder vindt dat de mensen die in het [X] wonen toezicht kunnen houden op de kinderen. Uit de conflicten waarin de moeder terechtkomt blijkt echter dat zij geen goed contact heeft met de buren. Zo hebben er diverse woordenwisselingen en een vechtpartij plaatsgevonden. De GI realiseert zich dat de woonsituatie stressvol is. Feit is echter dat de situatie voorlopig zo blijft. De moeder zal zich dus moeten handhaven in deze woonsituatie. De moeder is door het [X] vaak aangesproken op haar gedrag, hier reageert zij wisselend op. Ook betrekt zij de kinderen hierbij.
Het is heel vervelend dat de kinderen zo lang niet naar school gaan. Het is gelukt om te regelen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanaf 10 mei 2026 weer naar school gaan. [minderjarige 3] kan in verband met zijn gedrag echter voorlopig niet naar school. Hij moet tijdelijk naar een zorgboerderij maar de ouders geven daarvoor geen toestemming.
Hulpverlening in een vrijwillig kader is volgens de GI onvoldoende om de zorgen weg te nemen. De moeder heeft contact met de GI maar werkt niet samen. Zij wil alleen contact via de mail. Dit werkt vertragend. Ook regelt de moeder zaken voor de kinderen niet. Alleen wanneer gedreigd wordt met een schriftelijke aanwijzing werkt zij mee. Het is nog niet gelukt om de uitgebreide voorwaarden met de ouders te bespreken. De moeder werkt wel samen met Bocah Donya waardoor het is gelukt om een begeleid omgangsmoment tussen de moeder en de kinderen te plannen, aldus de GI.
Het advies van de raad
5.4
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd om de bestreden beschikking te bekrachtigen. Zeker in de laatste periode voorafgaand aan de machtiging uithuisplaatsing ontbrak het de kinderen aan de meest basale zorg en nabijheid van een volwassene. Het was voor de ouders duidelijk wat nodig was maar zij wilden niet samenwerken met de GI. Toen was een uithuisplaatsing noodzakelijk om de veiligheid van de kinderen te waarborgen, zodat zij niet zouden verdwijnen. Een uithuisplaatsing van de kinderen is ook nu nog noodzakelijk.
Het is op dit moment heel erg voor de kinderen en de moeder dat zij elkaar moeten missen. Maar doordat de moeder de kinderen geen emotionele toestemming geeft voor hun verblijf op [XX] , hebben de kinderen op dit moment geen vertrouwenspersoon en kunnen zij daar niet landen en aarden. [minderjarige 1] zal er zelfs alleen voor komen te staan wanneer hij op een groep wordt geplaatst voor oudere kinderen, aldus de raad.
De beoordeling door het hof
5.5
De ouders en de kinderen hebben de Oekraïense nationaliteit, daarom heeft de zaak een internationaal karakter. De kinderrechter heeft op goede gronden geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is om over het verzoek te oordelen. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de toepasselijke bepalingen Nederlands recht toegepast. Dit is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
5.6
Hoewel de termijn waarvoor de kinderrechter de uithuisplaatsing had verlengd inmiddels is verlopen, heeft de moeder, gelet op het door artikel 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, er toch belang bij om de rechtmatigheid van de verlenging van de machtiging te laten toetsen. Het hof moet nu beoordelen of de gronden voor een verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen op het moment van de bestreden beschikking en ook tot 26 mei 2026 nog aanwezig waren. Het hof is het met de kinderrechter eens dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking en voor de duur van de machtiging noodzakelijk was in het belang van hun verzorging en opvoeding. De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing op terechte gronden verleend. Het hof motiveert dit oordeel als volgt.
5.7
Het gezin woonde sinds maart 2023 in een kamer in het [X] . Sinds december 2023 waren er meldingen van het [X] met zorgen over het gezin. De kinderen waren getuigen van ruzies tussen de ouders. Ook was er sprake van middelengebruik door beide ouders, de vader gebruikte alcohol en de moeder cannabis. Sindsdien zijn er verschillende meldingen gedaan over fysiek geweld tussen de ouders en over fysieke mishandeling van de kinderen door de ouders. In mei 2025 heeft de vader een eigen kamer toegewezen gekregen vanwege verschillende incidenten waarbij verbaal en fysiek geweld is gebruikt. In augustus 2025 is de vader de toegang tot het [X] definitief ontzegd. Sindsdien woonde de moeder daar alleen met de kinderen.
Nadat de moeder op 14 oktober 2025 betrokken was bij een vechtpartij op het [X] en zich agressief en intimiderend heeft gedragen tegenover een medewerker van de gemeente en de opgeroepen politie, heeft het hele gezin twee weken buiten het [X] verbleven voor een time-out. De Gemeente [gemeente] schrijft in een brief van 23 oktober 2025 dat de aanleiding hiervoor was dat de moeder herhaaldelijk ernstige overlast en geweld veroorzaakte in het [X] waardoor de situatie regelmatig escaleerde. Volgens de moeder krijgt zij geen eerlijke kans van de manager van het [X] . Het liefst wil de moeder ergens anders wonen.
In een brief van 20 januari 2026 van de locatiemanager van het [X] staat dat de kinderen regelmatig voor een langere tijd alleen waren, er onverzorgd uitzagen en zelf voor hun maaltijden moesten zorgen. Zij pakten dan eten van andere bewoners uit de gemeenschappelijke koelkasten en moesten zelf koken. Ook de school meldt in een brief van 21 januari 2026 dat de kinderen er regelmatig onverzorgd uitzagen met vieze, te kleine kleding en ongekamde haren. Wanneer de kinderen zonder ontbijt op school verschenen, gaf de school hen te eten. Verder schrijft de locatiemanager van het [X] in haar brief van 20 januari 2026 dat de kinderen ’s ochtends zelfstandig naar school gingen met de taxi. Wanneer hen werd gevraagd waar de moeder was, zeiden de kinderen dat ze boodschappen aan het doen was. Daarnaast maakte de moeder regelmatig ruzie of zong zij luidt op de gang. Medebewoners waren angstig voor de moeder en verlieten ruimtes zodra zij binnenkwam. Bij een incident tussen de moeder en de locatiemanager in december 2025 heeft de moeder [minderjarige 1] gevraagd om het te filmen.
De school schrijft in een brief van 21 januari 2026 dat [minderjarige 1] zich erg verantwoordelijk voelt voor zijn broertjes. Hij verzorgt hen en zorgt voor kleding en eten. Er is op dit moment nog geen duidelijkheid over naar welke middelbare school [minderjarige 1] zal gaan. De ouders hebben daar tot de uithuisplaatsing geen initiatief toe genomen en zeiden dat zij toch niet in [plaats A] zouden blijven wonen. Tot op heden is het de GI niet gelukt om hierover een gesprek te voeren met de moeder. Hierdoor is [minderjarige 1] nog steeds in onduidelijkheid hierover. Door de strijd van de moeder is [minderjarige 1] in een loyaliteitscrisis gekomen op school. Hij vertoonde steeds meer grensoverschrijdend, ondermijnend en respectloos gedrag naar zijn leraren. Ter zitting in hoger beroep heeft de GI verteld dat [minderjarige 1] boos is op de GI en niet begrijpt waarom hij uithuisgeplaatst is. Hij speelt de baas over zijn broertjes en zorgt er voor dat zij geen band kunnen aangaan met de groepsleiding van [XX] . Daarom wordt overwogen om [minderjarige 1] naar een andere groep met oudere kinderen over te plaatsen.
[minderjarige 2] is erg verdrietig en maakt zich ernstige zorgen over zijn moeder, zo schrijft de school in de brief van 21 januari 2026. Ter zitting in hoger beroep heeft de GI verteld dat [minderjarige 2] sociaal en rustig is op de groep. Hij raakt wel in de war van het telefonisch contact dat hij meerdere keren per dag met de moeder heeft.
Vanaf medio 2025 heeft de school zorgen over het (trauma)gedrag van [minderjarige 3] , zo staat in de brief van de school van 21 januari 2026. Hij kan erg boos worden, maakt ruzie en valt andere kinderen fysiek aan. De docenten moeten [minderjarige 3] dan fysiek vasthouden totdat hij rustig wordt. De school heeft hierover geprobeerd te overleggen met de moeder maar dat is niet gelukt. Zij wilde niet meewerken aan hulpverlening voor [minderjarige 3] .Zij is de school steeds meer als vijand gaan zien. Na de herfstvakantie van 2025 is [minderjarige 3] uit de groep geplaatst en met ingang van 1 december 2025 is [minderjarige 3] voor een week geschorst geweest van school. Desondanks heeft de moeder hem die week alsnog naar school gestuurd. Getracht is om [minderjarige 3] op school op te vangen door middel van één op één begeleiding van de ambulant coach. Met ingang van 19 januari 2026 is [minderjarige 3] echter volledig van school geschorst. Door het onvoorspelbare gedrag van [minderjarige 3] kan de school de veiligheid van hemzelf, de andere leerlingen en de leerkrachten namelijk niet waarborgen. De school denkt dat [minderjarige 3] op een zorgboerderij tot rust zou kunnen komen. Ter zitting in hoger beroep heeft de GI verteld dat er aanhoudende ernstige zorgen zijn over [minderjarige 3] . Hij lijkt in de war en laat traumagedrag zien. Hij maakt zijn kamer en zijn speelgoed stuk. Sinds de kinderen uit huis zijn geplaatst is onderdeel van het probleem het contact dat de kinderen meerdere keren per dag online met de moeder hebben. De moeder heeft hen bijvoorbeeld tegen de afspraken in verteld dat de machtiging tot uithuisplaatsing is verlengd terwijl er geen volwassene bij de kinderen aanwezig was op het moment dat zij dat hoorden. De kinderen raken daardoor van slag. Ook geeft de moeder de kinderen geen emotionele toestemming om te aarden op [XX] . Hierdoor heeft [minderjarige 3] geen vertrouwenspersoon op de groep terwijl hij nog erg jong is en daar behoefte aan heeft. Zowel de kinderen als de moeder verzetten zich tegen het plan om [minderjarige 3] tot rust te laten komen en weer dagbesteding te geven bij een zorgboerderij. Inmiddels wordt het gedrag van [minderjarige 3] steeds zorgwekkender waardoor het de vraag is of de zorgboerderij in de buurt van [XX] passende hulp aan hem kan bieden, aldus de GI ter zitting in hoger beroep.
Tot op heden is het voor de GI en het [X] moeilijk om met de moeder een afspraak te maken. Wanneer zij wel aanwezig is, is daadwerkelijk overleg met haar niet mogelijk. Positief is dan ook dat het contact dat de moeder heeft met de hulpverlening van Bocah Donya wel goed verloopt. Zij laat zich door hen begeleiden waardoor het is gelukt om een eerste omgangsmoment te plannen. Het is de bedoeling dat Bocah Donya de verdere benodigde hulpverlening ook gaat verlenen, indien nodig zal een andere hulpverlener worden gezocht, aldus de GI ter zitting in hoger beroep.
Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat de machtiging uithuisplaatsing in het belang van de kinderen noodzakelijk was ten tijde van de uithuisplaatsing en ook noodzakelijk in het belang van de kinderen is gebleven voor de duur van de machtiging. Daarmee is het hof van oordeel dat ook in deze situatie, waarin de moeder en de kinderen als oorlogsvluchtelingen in een kwetsbare positie verkeren, de inbreuk op hun EVRM-rechten bij wet voorzien, noodzakelijk en proportioneel is.
De zorgen over de kinderen, zijn gelet op het gedrag van zowel de kinderen als de houding van de moeder ten opzichte van de GI en [XX] , nog lang niet weggenomen. Integendeel, de zorgen over de kinderen zijn toegenomen nu zij op de groep zo geïsoleerd zijn door het ontbreken van de emotionele toestemming van de moeder om daar te mogen aarden, en het zorgelijke gedrag dat [minderjarige 1] en [minderjarige 3] (daardoor) blijven vertonen. Dit lijkt een direct gevolg te zijn van het contact dat de moeder iedere dag meerdere keren per dag met de kinderen heeft. De kinderen raken daardoor van slag en krijgen geen kans om op [XX] te aarden. [minderjarige 1] zit klem in zijn rol als oudste broer, waarin hij voorheen voor zijn broertjes heeft moeten zorgen en waarin hij zich nu nog steeds verantwoordelijk voor hen voelt en loyaal is naar de moeder en vijandig naar de groepsleiding. In dat vijanddenken neemt [minderjarige 1] zijn broertjes mee waardoor hij hen niet de ruimte geeft om zich te uiten, laat staan te binden, aan de groepsleiding. Eén van de oorzaken hiervan is de houding van de moeder tegenover de hulpverlening. Zij lijkt het gevoel te hebben door hen te worden aangevallen. Doordat zij hierdoor in de verdediging schiet is het niet mogelijk om met haar contact te maken en tot samenwerking te komen.
Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Schoemaker, mr. A.N. van de Beek en mr. F. Kleefmann, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.