Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1529

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.358.497/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gezamenlijk gezag en opbouw omgangsregeling conform wens minderjarige

De zaak betreft een geschil tussen de vader en moeder over het gezamenlijk gezag en de omgangsregeling met hun minderjarige kind van 11 jaar. De rechtbank had het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag afgewezen en een omgangsregeling vastgesteld waarbij het kind eens per drie weken een weekenddag bij de vader verblijft. De vader ging hiertegen in hoger beroep.

In hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat ondanks enige verbetering de communicatie tussen ouders onvoldoende is om gezamenlijk gezag toe te kennen. De vader voert aan dat gezamenlijk gezag de communicatie en betrokkenheid ten goede zal komen, maar de moeder en de Raad voor de Kinderbescherming wijzen op het risico dat het kind klem kan komen te zitten tussen de ouders. Het hof volgt dit oordeel en bekrachtigt het afwijzende gezagsbesluit.

Wat betreft de omgangsregeling constateert het hof dat de vader de huidige regeling niet volledig naleeft en dat de minderjarige het overnachten bij de vader geleidelijk wil opbouwen. Het hof stelt daarom een aangepaste omgangsregeling vast waarbij de minderjarige eerst twee keer een overnachting bij de vader heeft, waarna de regeling wordt uitgebreid tot een volledig weekend per drie weken, met duidelijke ophaal- en terugbrengafspraken.

De beslissing sluit aan bij het belang en de wensen van de minderjarige, waarbij stabiliteit en opbouw van de ouder-kindrelatie centraal staan. De beschikking van de rechtbank wordt op dit punt vernietigd en vervangen door de nieuwe omgangsregeling.

Uitkomst: Het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag wordt afgewezen en een omgangsregeling wordt vastgesteld die aansluit bij de wens van de minderjarige om overnachtingen geleidelijk op te bouwen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.358.497/01
zaaknummer rechtbank: C/15/334042 / FA RK 22-5442
beschikking van de meervoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. S.X.J. Zuidema te Heerlen,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. E. van Meeteren te Schagen.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats C] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over het gezag over [minderjarige] (11 jaar) en de zorg-/omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader.
1.2
De rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank), heeft in een beschikking van 28 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader vastgesteld van een weekenddag per drie weken.
De vader is het daar niet mee eens en wil mede met het gezag over [minderjarige] worden belast. Ook wil hij een uitgebreidere zorg-/omgangsregeling met [minderjarige] .

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 28 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de bestreden beschikking.
2.2
De moeder heeft op 13 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 23 december 2025 met bijlage,
- een bericht van de zijde van de moeder van 31 december 2025 met bijlage, en
- een bericht van de zijde van de moeder van 14 april 2026 met bijlage.
2.4
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [minderjarige] gesproken. De voorzitter heeft de inhoud van dit gesprek ter zitting zakelijk weergegeven.
2.5
Na aanhouding van de zitting van 9 januari 2026 heeft op 17 april 2026 de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2014.
De ouders hebben (van 2013) tot medio 2017 een relatie met elkaar gehad. De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder is van rechtswege belast met het gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de moeder.
3.2
Ter zitting van 16 maart 2023 heeft de rechtbank partijen op hun verzoek doorverwezen naar het Uniform Hulp Aanbod (UHA) om te werken aan oudercommunicatie.
Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over een tijdelijke omgangsregeling die is vastgelegd in een beschikking van 13 april 2023. De regeling hield in dat de vader eens in de drie weken een weekenddag (zaterdag) naar [plaats C] komt, waar hij [minderjarige] om 14.00 uur ophaalt bij de moeder en haar om 19.30 uur naar de moeder terugbrengt. Daarnaast hebben partijen afgesproken dat twee keer per week op woensdag en op zondag tussen 17.30 en 19.30 uur (beeld)belmomenten tussen de vader en [minderjarige] zullen zijn.
De rechtbank heeft de beslissing over de definitieve zorg-/omgangsregeling en het gezag aangehouden in afwachting van de informatie over het verloop van de tijdelijke regeling en het resultaat van het traject bij de UHA. Partijen hebben deelgenomen aan het traject Ouderschap Blijft.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten afgewezen.
Daarnaast heeft de rechtbank, met wijziging van de beschikking van 13 april 2023 in zoverre, een omgangsregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft:
  • eenmaal in de drie weken van zaterdag 14.00 uur tot zondag 15.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder thuis komt ophalen en de vader [minderjarige] op zondagmiddag naar [plaats D] brengt, waar de moeder [minderjarige] om 15.00 uur ophaalt;
  • in de vakanties in 2025:
o zomervakantie 2025 een week en (afzonderlijk) een weekend;
o in de herfstvakantie 2025 drie nachten aaneengesloten;
o in de kerstvakantie 2025/2026 vier nachten aaneengesloten;
- vanaf de voorjaarsvakantie 2026:
o de helft van alle schoolvakanties,
waarbij voor alle vakanties (in 2025 en daarna) geldt dat de moeder [minderjarige] naar de vader
brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder.
Deze beslissing is gegeven op het verzoek van de vader om een regeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen, inhoudende dat [minderjarige] om de week een weekend van vrijdagmiddag tot zondagavond bij hem verblijft, alsmede op de door hem voorgestelde vakantie- en feestdagen.
De moeder had verzocht een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat [minderjarige] eens in de zes weken een weekend van vrijdag tot zondag bij de vader verblijft, waarbij de overdracht plaatsvindt in [plaats D] .
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, zijn verzoek om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten alsnog toe te wijzen en daarnaast – na verduidelijking ter zitting in hoger beroep – een regeling vast te stellen waarbij ten minste sprake is van een omgangsweekend per drie weken van vrijdag na school tot zondagavond 20.00 uur en wekelijks bel- of videocontact op ten minste drie vaste momenten per week, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist zal achten.
4.3
De moeder verzoekt de verzoeken van de vader af te wijzen, althans een zodanige omgangsregeling te bepalen als het hof juist zal achten.

5.De motivering van de beslissing

Gezag
Wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien:
er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen; of
afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Standpunt vader
5.2
De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 1:253c, tweede lid, BW. De communicatie tussen partijen is niet zodanig ernstig of structureel verstoord dat dit de toekenning van gezamenlijk gezag in de weg staat. Er is tussen partijen altijd wel een basis aanwezig (geweest).
Het is bovendien goed mogelijk dat de toekenning van gezamenlijk gezag juist bijdraagt aan meer gelijkwaardigheid, een betere samenwerking en daarmee aan het welzijn van [minderjarige] . De vader is bereid te investeren in betere communicatie met de moeder. Hij erkent dat de communicatie niet altijd vlekkeloos is verlopen, maar hij frustreert gezagsbeslissingen niet. Hij communiceert vanuit emotie, omdat hij zich structureel buitengesloten en machteloos voelt. Als hij een (aan de moeder) gelijkwaardige positie heeft, zal dat de communicatie ten goede komen, alleen al omdat de vader zich dan erkend voelt in zijn rol als vader. De moeder kan dan bovendien niet eigenmachtig afspraken wijzigen.
Voor de ontwikkeling van [minderjarige] is het essentieel dat zij een goede band met beide ouders kan opbouwen.
Standpunt moeder
5.3
De moeder erkent dat de toon van de berichten van de vader ten positieve is veranderd, maar zij blijft moeite houden met zijn zelfbepalende houding. Zo heeft de vader eigenhandig besloten om de omgangsregeling uit de bestreden beschikking niet volledig uit te voeren (er vindt geen overnachting plaats) en heeft hij ervoor gekozen om [minderjarige] de afgelopen kerst in het geheel niet bij zich te hebben omdat hij het niet eens was met het voorstel van de moeder om de kerstdagen te delen. Ondanks de inspanningen van hulpverleners (en de moeder zelf) lukt het partijen niet om goede afspraken te maken. Dat maakt dat de moeder weinig vertrouwen erin heeft dat zij en de vader in staat zijn om in overleg gezagsbeslissingen te nemen. Zij verzoekt dan ook om het eenhoofdig gezag in stand te laten.
Advies raad
5.4
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geconstateerd dat er door de jaren heen al meerdere soorten hulpverlening zijn ingezet om de communicatie tussen partijen te verbeteren. Dat heeft tot onvoldoende positief resultaat geleid en de verwachting is niet dat dat er nog gaat komen, terwijl communicatie de basis is voor gezamenlijk gezag.
De raad noemt het geschil dat partijen tijdens de afgelopen kerstdagen hadden over de omgang als voorbeeld van een geval waarin [minderjarige] klem kan komen te zitten tussen de ouders. Aan haar moet niet de keuze worden voorgelegd bij wie zij de kerstdagen wil doorbrengen.
Naar het hof begrijpt, adviseert de raad de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover daarin het verzoek van de vader ten aanzien van het gezamenlijk gezag is afgewezen.
Oordeel hof
5.5
Het hof stelt vast dat partijen ter zitting in hoger beroep het erover eens waren dat de toon van hun mailwisselingen is verbeterd. De moeder heeft daarnaast toegegeven dat de vader positieve stappen heeft gezet, hetgeen ook blijkt uit het verslag van de eindevaluatie van Ouderschap Blijft. Toch trekt het hof, evenals de raad, de conclusie dat de communicatie onvoldoende verbeterd is voor gezamenlijk gezag, vooral omdat partijen er desondanks niet goed in slagen om afspraken te maken. Zo zijn de vader en de moeder het niet eens geworden over de verdeling van de zorg voor [minderjarige] tijdens de kerstdagen van 2025, met als gevolg dat de vader naar Denemarken is vertrokken en dat [minderjarige] in het geheel niet bij hem heeft verbleven in de kerstvakantie. [minderjarige] heeft daar last van; het leidt bij haar tot teleurstelling en onduidelijkheid. In die zin lijkt de vrees van de moeder dat [minderjarige] bij gezamenlijk gezag klem of verloren zal raken tussen haar ouders gerechtvaardigd.
Ook de manier waarop door de vader nu invulling wordt gegeven aan de omgangsregeling, vormt voor het hof aanleiding om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen. Dat de vader besluit dat [minderjarige] pas bij hem blijft overnachten als zij ten minste twee nachten bij hem kan blijven, wijst erop dat hij zijn eigen plan trekt indien zijn wens niet wordt gehonoreerd. Daarvoor mag hij (in zijn ogen) gegronde redenen hebben, maar het bemoeilijkt het samen als ouders nemen van beslissingen van enig belang, hetgeen essentieel is voor een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening.
Het hof vreest dat gezamenlijk gezag ertoe zal leiden dat geen (tijdige) gezagsbeslissingen kunnen worden genomen, omdat de vader en de moeder niet in gelijke mate in staat zijn tot het doen van de nodige concessies en omdat daarbij mogelijk de belangen van [minderjarige] uit het oog worden verloren. Het zal naar verwachting voor partijen (te) moeizaam zijn om invulling te geven aan een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening zodanig dat [minderjarige] niet klem of verloren raakt tussen hen. Dit geldt te meer nu er sinds enkele maanden weliswaar enige verbetering zichtbaar is in de communicatie tussen partijen, maar er in een lange periode daarvoor geen goede communicatie tussen partijen mogelijk was ondanks de ingezette hulpverlening. Het hof zal de beschikking waarvan beroep dan ook in zoverre bekrachtigen.
5.6
De vader heeft naar voren gebracht dat hij zich zonder gezag over [minderjarige] buitengesloten en machteloos voelt en dat hij meent niet als gelijkwaardige ouder te worden beschouwd.
Het is het hof gebleken dat de vader, ook als ouder zonder gezag, ruimschoots de gelegenheid krijgt om zich te mengen in het leven van [minderjarige] . De vader laat zijn betrokkenheid al zien door onder andere dansvoorstellingen van [minderjarige] te bezoeken, maar hij kan die betrokkenheid ook tonen door bijvoorbeeld actief contact te zoeken met de basisschool van [minderjarige] (de moeder heeft toestemming aan school gegeven om de vader te informeren) of zich te (laten) informeren over de middelbare school die [minderjarige] heeft uitgekozen. Op die manier heeft de vader mede zelf in de hand dat hij zich meer een gelijkwaardige ouder voelt.
Omgang
5.7
Het hof constateert dat de door de rechtbank bepaalde omgangsregeling door de vader niet (volledig) wordt nageleefd. Vanwege de reistijd van ongeveer drie uur per enkele reis, zo heeft hij ter zitting in hoger beroep toegelicht, bezoekt hij [minderjarige] eens per drie weken in [plaats B] (van 14.00 uur tot 19.30 uur) en neemt hij haar niet voor een overnachting mee naar [plaats A] . De vader kiest ervoor om de regeling uit de beschikking van 13 april 2023 te blijven uitvoeren, omdat hij zo meer quality time kan doorbrengen met [minderjarige] ; zij doen samen iets leuks in die paar uur en hoeven geen tijd te verliezen aan reizen. De vader handhaaft zijn verzoek dat een omgangsregeling wordt bepaald waarbij [minderjarige] een heel weekend (van vrijdag tot en met zondag) bij hem is. De huidige regeling is niet alleen onvoldoende om een betekenisvolle en stabiele ouder-kindrelatie op te bouwen, maar ook om [minderjarige] tijd te laten doorbrengen met haar familie vaderszijde.
De moeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat [minderjarige] het naar haar zin heeft bij de vader, maar dat [minderjarige] twee nachten nu nog te veel vindt en dat zij het overnachten wil opbouwen. De moeder heeft er voorts melding van gemaakt dat de vader met enige regelmaat de omgangsregeling niet nakomt (ook de belregeling niet) en dat [minderjarige] daar moeite mee heeft.
Mening [minderjarige]
5.8
In het gesprek dat [minderjarige] met de voorzitter van het hof heeft gevoerd, heeft zij – samengevat – verteld dat zij de vader eens in de drie weken wil blijven zien. Zij zou eerst een paar keer één nacht willen blijven bij hem, waarna eventueel kan worden uitgebreid. Zij is tevreden met de belregeling en de vakantieregeling. [minderjarige] heeft er moeite mee als de vader niet belt of komt volgens afspraak.
Advies raad
5.9
De raad heeft ter zitting het belang van duidelijkheid voor [minderjarige] onderstreept. Uiteraard kan het voorkomen dat de vader door overmacht (zoals ziekte) de omgangsregeling niet kan nakomen, maar voor het opbouwen en verstevigen van de band tussen [minderjarige] en de vader is het essentieel dat de vader teleurstellingen zo veel mogelijk voorkomt.
Om aan de wens van [minderjarige] om de overnachtingen op te bouwen tegemoet te komen, stelt de raad een regeling voorbij waarbij de eerste twee weekends [minderjarige] één overnachting bij de vader verblijft. Vervolgens kan de omgang worden uitgebreid naar twee overnachtingen per keer. Aangezien [minderjarige] inmiddels elf jaar oud is, is het des te belangrijker om bij haar wens aan te sluiten.
Oordeel hof
5.1
Het hof acht het in het belang van [minderjarige] om een omgangsregeling tussen haar en de vader te bepalen waarbij de eerste twee omgangsweekends [minderjarige] bij de vader is zoals is bepaald in de bestreden beschikking: zij is dan eens per drie weken van zaterdag 14.00 uur tot zondag 15.00 uur bij hem. De vader komt [minderjarige] bij de moeder thuis ophalen en de vader brengt [minderjarige] op zondagmiddag naar [plaats D] , waar de moeder [minderjarige] om 15.00 uur ophaalt.
Pas als deze regeling tweemaal is uitgevoerd, wordt deze uitgebreid naar een omgangsweekend per drie weken van vrijdagmiddag uit school tot zondag. De vader heeft als eindtijd 20.00 uur verzocht op zondagavond, maar aangezien [minderjarige] nog terug moet van [plaats D] naar [plaats B] en de volgende dag naar school moet, zal het hof bepalen dat de moeder [minderjarige] om 17.00 uur ophaalt in [plaats D] . Op die manier hebben [minderjarige] en de vader meer tijd om op zondag nog iets te ondernemen en heeft [minderjarige] ook een rustige zondagavond thuis.
Met de bovenstaande regeling komt het hof tegemoet aan de wens van [minderjarige] . Zij is graag bij haar vader, maar wil de bestaande omgang, en vooral het overnachten, wel opbouwen. In de voorjaarsvakantie heeft zij weliswaar al drie nachten bij de vader overnacht, maar nu meerdere overnachtingen in de reguliere regeling nog spanning teweeg brengen bij haar, geeft het hof haar de gelegenheid om deze conform haar eigen wens op te bouwen.
5.11
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij is afgewezen het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten;
vernietigt de beschikking waarvan beroep ten aanzien van de daarin bepaalde reguliere omgangsregeling en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
stelt, met wijziging van de omgangsregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 13 april 2023, een omgangsregeling vast waarbij [minderjarige] eerst twee keer bij de vader verblijft eenmaal in de drie weken van zaterdag 14.00 uur tot zondag 15.00 uur, en waarbij [minderjarige] nadat deze regeling twee keer is uitgevoerd bij de vader verblijft eenmaal in de drie weken van vrijdag na school tot zondag 17.00 uur en waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder thuis komt ophalen en de vader [minderjarige] op zondagmiddag naar [plaats D] brengt, waar de moeder [minderjarige] om respectievelijk 15.00 uur (de eerste twee keer) en 17.00 uur (de weekenden daarna) zal ophalen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E Geerlings, mr. T.M. Subelack en mr. L.M. Mons, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.