ECLI:NL:GHAMS:2026:156

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
200.353.493
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 BWArt. 7:625 BWArt. 347 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over loondoorbetaling en bonus tijdens ziekte bij arbeidsovereenkomst buiten cao

Een werkneemster, in dienst sinds 2019 bij een Duitse vennootschap, vordert betaling van 100% salaris in het tweede ziektejaar, bonusbetalingen en een salarisverhoging. De arbeidsovereenkomst valt buiten de toepasselijkheid van de cao Banken, met uitzondering van enkele bepalingen.

De kantonrechter wees de vorderingen grotendeels af, met uitzondering van de salarisverhoging. In hoger beroep bevestigt het hof dat de cao-bepalingen over salarisbetaling niet van toepassing zijn, waardoor de werkgever slechts 70% salaris in het tweede ziektejaar hoeft te betalen volgens de eigen arbeidsvoorwaardenregeling.

De bonus is een discretionaire variabele beloning en niet gegarandeerd tijdens ziekte. De salarisverhoging wordt wel toegekend omdat deze een structureel karakter heeft en deel uitmaakt van het loon. Het hof veroordeelt de werkgever tot betaling van de salarisverhoging met wettelijke verhoging en rente, en tot het verstrekken van correcte salarisspecificaties. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De vordering tot 100% loondoorbetaling en bonus wordt afgewezen, maar de salarisverhoging wordt toegewezen met wettelijke verhoging en rente.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.353.493/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 11128566 \ CVEXPL 24-5605
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 januari 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. Th.H.P. van den Kieboom te Utrecht,
tegen
de vennootschap naar vreemd recht
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 2] , Duitsland,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.J.M. Reijnen Husagic te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

De vordering van werkneemster tot betaling van het volledige salaris (100%) in het tweede ziektejaar wordt afgewezen. De cao-bepalingen met betrekking tot salaris tijdens ziekte zijn niet op haar van toepassing. De door werkneemster gevorderde bonus wordt eveneens afgewezen. De bonus is in casu geen vast loonbestanddeel, maar een variabele beloning waarvan de toekenning en de hoogte jaarlijks opnieuw worden bepaald. De door werkneemster gevorderde salarisverhoging wordt toegewezen op grond van een verworven recht.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 4 april 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 9 januari 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- akte overlegging producties van [appellant] ;
- memorie van antwoord.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 29 oktober 2025 laten toelichten, [appellant] door mr. Van den Kieboom en [geïntimeerde] door mr. Reijnen Husagic, beiden aan de hand van overlegde spreekaantekeningen. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord. Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

De kantonrechter heeft in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.12. van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Voor zover niet in geschil dienen die feiten ook het hof tot uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[appellant] is sinds 1 september 2019 in dienst van [geïntimeerde] op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de functie van [bedrijf] . Het salaris van [appellant] bedraagt € 12.475,50 bruto per maand.
3.2.
[geïntimeerde] is een onderneming die zich richt op het faciliteren van bancaire activiteiten. [geïntimeerde] neemt deel aan de CAO Banken (hierna: cao). De cao is niet rechtstreeks van toepassing op de arbeidsovereenkomst van [appellant] omdat [appellant] niet kwalificeert als medewerker in de zin van de cao.
3.3.
In de arbeidsovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:
Article 5 - Remuneration
(…)
5.2
In the gross annual salary the 8% holiday allowance is deemed to be incorporated, as well as the thirteenth month payment.
(…)
Article 6 - Discretionary Annual Cash Incentive Award (ACIA)
6.1
There is a Discretionary Annual Cash Incentive Award scheme in which the Employee may be eligible to participate subject to the rules of the scheme from time to time in force.
6.2
The purpose of any bonus is two-fold:
to recognize and reward an individual who makes a significant contribution to his/her business unit and [geïntimeerde] Chase & Co. (“the Firm”); and
to provide an incentive to an individual to maintain and improve his/her overall performance and remain in the employment of the Firm.
6.3
Firm-wide performance and the business unit performance will be taken into consideration in determining whether an individual may be eligible to be paid any Discretionary ACIA. The Employee will not be eligible to receive a Discretionary Annual Cash Incentive Award (if any) if, on or before the due date for payment of any bonus, he/she has either given or received notice of termination of employment with the Company or his/her employment has been terminated (with or without notice) by the Company, or he/she is the subject of the Company’s disciplinary procedure by reason of a complaint which, would amount to gross misconduct or any other serious breach of regulatory or legal requirements or Company procedures, and for which he/she is subsequently dismissed by the Company.
6.4
Under current arrangements a proportion of any discretionary bonus may be awarded in the form of stock units, stock options or long-term incentive awards. The nature, proportion of total bonus and terms of these awards may change from time to time at the sole discretion of the company.
6.5
If the Employer in any year decides to pay an ACIA to the Employee, the Employee cannot derive any right therefrom to any future bonus.
(…)
Article 13 - CAO
The collective labour agreement applicable to the Company from time to time (if any) shall be applied to this Employment Contract. Although the Employee falls out of scope, the Employee and the Company explicitly agree to apply the terms and conditions of the CAO (as defined in Article 4.1) to this Employment Contract with the exemption of any provision in respect of salary, salary payment or salary increase thereunder.
(…)”
3.4.
In artikel 10 van Pro de cao is onder meer het volgende bepaald:
“(…)
10.1
Bovenwettelijke uitkeringen in de eerste twee ziektejaren
Bij ziekte of arbeidsongeschiktheid krijgt u, bovenop de uitkering conform artikel 629 Burgerlijk Pro Wetboek Boek 7, gedurende het eerste jaar een aanvulling tot 100% en het tweede jaar tot 70% van het laatstverdiende jaarinkomen.
Voor de berekening van uw jaarinkomen worden structurele inkomens verhogingen zoals vastgelegd in artikel 6.7 in acht genomen.
U kunt ook in het tweede ziektejaar in aanmerking komen voor een inkomensaanvulling tot maximaal 100% van uw jaarinkomen. Deze aanvulling wordt toegekend, indien en voor zover u overeenkomstig het re-integratieplan:
a weer aan het werk gaat; en/of
b een omscholingstraject volgt en/of
c re-integratieactiviteiten verricht in overleg met de bedrijfsarts. Ook als dat inhoudt dat u in overleg met de bedrijfsarts tijdelijk geen activiteiten verricht.
U krijgt ook aanvulling tot 100% als re-integratie door de aard van uw ziekte niet meer te verwachten is. De bedrijfsarts beslist of hiervan sprake is.
(…)”
3.5.
[geïntimeerde] heeft een eigen arbeidsvoorwaardenregeling. Hierin is onder meer het volgende bepaald:
“(…)
In the event that you are unable to work due to sickness or injury, the Company will continue to pay 100% of your base salary (including holiday allowance and fixed payments) for up to a maximum of one year and, thereafter, 70% of your Base Salary for a further period of up to one year, but ultimately until the last day of your employment with the Company.
(…)”
3.6.
[appellant] heeft in 2020 geen salarisverhoging gehad. In 2021 is het salaris van [appellant] verhoogd met 3,33%, in 2022 met 6% en in 2023 ook met 6%.
3.7.
[appellant] heeft over het jaar 2019 een bonus van € 39.884,25 bruto ontvangen. Over 2020 bedroeg de bonus € 40.745,00 bruto, over 2021 € 41.000,00 bruto en over 2022 € 20.000,00 bruto. Over 2023 heeft [appellant] geen bonus ontvangen.
3.8.
[appellant] is in het najaar van 2020 en het voorjaar van 2021 af en toe uitgevallen wegens ziekte. Bij haar is in maart 2021 de ziekte van [naam] vastgesteld.
3.9.
Vanaf 22 juli 2021 is [appellant] langdurig uitgevallen wegens ziekte. [appellant] is vanaf februari 2022 gestart met re-integratiewerkzaamheden in haar eigen functie. In juni 2022 werkte [appellant] drie volledige dagen per week op kantoor en een halve dag per week vanuit huis. Dit is verder opgebouwd naar 40 uur per week. In september (volgens [geïntimeerde] ), althans oktober 2022 (volgens [appellant] ) is [appellant] 100% arbeidsgeschikt gemeld bij het UWV.
3.10.
Op 6 februari 2023 is [appellant] voor de tweede keer langdurig uitgevallen wegens ziekte. Sindsdien heeft zij niet meer gewerkt in haar eigen functie.
3.11.
In januari 2024 is [appellant] in het kader van haar re-integratie in het tweede spoor traject gestart.
3.12.
Sinds 6 februari 2024 ontvangt [appellant] 70% van € 12.475,50 bruto per maand aan salaris.

4.Eerste aanleg

4.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg - samengevat - gevorderd te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] gehouden is haar salaris gedurende het tweede ziektejaar aan te vullen tot 100% en om aan haar alle voorzieningen en hiermee verband houdende salarisbetalingen bij ziekte te verstrekken welke staan opgenomen in de cao, alsmede [geïntimeerde] te veroordelen om met ingang van 1 februari 2024 het bruto maandsalaris van [appellant] te verhogen met € 637,50 bruto per maand, tot betaling van het achterstallige salaris en tot verstrekking van salarisspecificaties. Voorts heeft [appellant] gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 20.543,00 bruto aan aanvullende bonus over 2022, € 40.543,00 bruto aan bonus over 2023, de wettelijke rente en de wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige salaris en de bonusbedragen, de achterstallige vakantietoeslag, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.
4.2.
De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. Daartoe is - samengevat - door de kantonrechter overwogen dat de uitleg van artikel 13 van Pro de arbeidsovereenkomst meebrengt dat artikel 10.1 (bovenwettelijke uitkeringen in de eerste twee ziektejaren) van de cao niet van toepassing is op de arbeidsovereenkomst tussen partijen zodat [appellant] uit dien hoofde geen recht heeft op 100% loondoorbetaling in het tweede ziektejaar. [appellant] mocht in de gegeven omstandigheden evenmin gerechtvaardigd erop vertrouwen dat zij aanspraak zou hebben op betaling van 100% van het salaris in het tweede ziektejaar. Niet valt in te zien dat [geïntimeerde] in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld door [appellant] tijdens het tweede ziektejaar niet 100% van haar loon door te betalen, maar 70% conform haar eigen arbeidsvoorwaardenregeling. De vordering tot betaling van een bonus is niet toewijsbaar. [appellant] mocht er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de bonus ook tijdens ziekte zou worden uitbetaald, nu de eerdere bonusbetalingen zien op jaren waarin [appellant] ook periodes wel heeft gewerkt. [appellant] mocht er voorts evenmin gerechtvaardigd op vertrouwen dat haar salaris jaarlijks zou worden verhoogd. Het salaris is niet ieder jaar verhoogd, zodat van een bestendige jarenlange praktijk geen sprake is. De gevorderde betaling van achterstallige vakantietoeslag is afgewezen, nu [appellant] hiervoor geen juridische grondslag heeft gesteld en onweersproken is komen vast te staan dat de vakantietoeslag wordt geacht te zijn begrepen in het basissalaris. De overige vorderingen zijn hierdoor evenmin toewijsbaar, aldus tot zover de kantonrechter.

5.Beoordeling

5.1.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - haar vorderingen (met uitzondering van de vordering tot betaling van achterstallige vakantietoeslag) alsnog zal toewijzen. In hoger beroep heeft [appellant] haar eis vermeerderd in die zin dat het hof [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling aan haar van de bonus over 2024, zijnde een bedrag van € 40.543,-- bruto, althans en subsidiair ten aanzien van deze eisvermeerdering in goede justitie te beslissen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.
5.2.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, en om [appellant] in haar eisvermeerdering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar de vordering te ontzeggen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.
5.3.
[appellant] heeft in hoger beroep tien grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis.
5.4.
De grieven een tot en met zes hebben betrekking op loondoorbetaling tijdens het tweede ziektejaar en komen erop neer dat, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, de uitleg van artikel 13 van Pro de arbeidsovereenkomst niet betekent dat artikel 10.1 van de cao niet van toepassing is op de overeenkomst. [appellant] heeft voorts niet hoeven te begrijpen dat zij in afwijking van de cao in het tweede ziektejaar slechts aanspraak heeft op 70% van haar salaris. In een eerdere periode heeft [appellant] tijdens het tweede ziektejaar ook 100% van het salaris doorbetaald gekregen. Voor zover [appellant] geen beroep op de cao zou toekomen wat deze salarisaanvulling betreft, handelt [geïntimeerde] in strijd met goed werkgeverschap. Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt mee dat [geïntimeerde] een bepaling in de arbeidsovereenkomst had moeten opnemen over de hoogte van loondoorbetaling tijdens ziekte, aldus tot zover [appellant] .
5.5.
De overige grieven zien op betaling van bonus tijdens ziekte, de jaarlijkse salarisverhoging, het verstrekken van salarisspecificaties, alsmede de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten. [appellant] mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat haar jaarinkomen voor haar uitval wegens ziekte in ogenschouw zou worden genomen, waaronder een bonus die zij in de jaren daarvoor gemiddeld ontving. In haar arbeidsovereenkomst is geen uitzondering opgenomen betreffende de bonus tijdens ziekte. Ook mocht zij er gerechtvaardigd op vertrouwen dat tijdens alle ziekteperiodes haar salaris jaarlijks zou worden verhoogd. Eerder heeft zij ook de jaarlijkse salarisverhoging gekregen, toen zij was uitgevallen vanwege langdurige ziekte, aldus nog steeds [appellant] .
5.6.
Tot slot heeft [appellant] ter zitting nog het standpunt ingenomen dat de cao van toepassing is op haar arbeidsovereenkomst omdat haar salaris na herberekening toch binnen de functieschalen blijkt te vallen waarop de cao wel van toepassing is, zodat op die grond de cao-bepalingen in het kader van loondoorbetaling tijdens ziekte alsnog op haar van toepassing zijn.
5.7.
Ten aanzien van het hiervoor onder rechtsoverweging 5.6. vermelde standpunt van [appellant] oordeelt het hof als volgt. [appellant] heeft voor het eerst ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof een beroep gedaan op toepassing van de cao, op de grondslag dat haar salaris wèl binnen de cao-salarisschalen zou vallen. Daarmee heeft [appellant] een nieuwe grondslag aan haar vordering gegeven, hetgeen in strijd is met de tweeconclusieregel die besloten ligt in artikel 347 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Deze nieuwe grondslag is als grief tegen de inhoud van het vonnis te laat aangevoerd. Het hof zal dit beroep daarom verder buiten beschouwing laten. Daarom staat in hoger beroep vast dat de cao niet als zodanig van toepassing is op de arbeidsovereenkomst tussen partijen, behoudens het bepaalde in artikel 13 van Pro de arbeidsovereenkomst. De betekenis van het bepaalde in artikel 13 zal Pro hierna door het hof worden vastgesteld.
5.8.
Ten aanzien van de grieven uit het beroepschrift van [appellant] oordeelt het hof als volgt. Het hof stelt voorop dat de uitleg van de arbeidsovereenkomst aan de hand van de Haviltex-maatstaf dient te geschieden. Daarbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
Doorbetaling van het volledige salaris (100%) in het tweede ziektejaar
5.9.
Uit de processtukken blijkt dat hoewel [appellant] op grond van de hoogte van haar salaris buiten de reikwijdte van de cao valt, partijen in artikel 13 van Pro de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk zijn overeengekomen om de bepalingen van de cao toe te passen op de arbeidsovereenkomst van [appellant] , met uitzondering van enige bepaling met betrekking tot salaris, salarisbetaling of salarisverhoging. Zie hiervoor het onder rechtsoverweging 3.3. geciteerde artikel 13 van Pro de arbeidsovereenkomst.
Omdat de cao niet van toepassing is op de arbeidsovereenkomst van [appellant] , staat het partijen vrij om te kiezen of en zo ja welke onderdelen van de cao zij in de arbeidsovereenkomst willen incorporeren. Partijen hebben daarbij gekozen voor de uitsluiting van de cao-bepalingen met betrekking tot salaris, salarisbetaling of salarisverhoging. Deze uitsluiting is rechtsgeldig. [appellant] meent dat deze uitsluiting geen betrekking heeft op de in artikel 10.1 van de cao geregelde aanvullende loonbetalingsverplichting tijdens het tweede ziektejaar. Anders dan [appellant] meent is het bepaalde in artikel 10.1 van de cao wel een bepaling met betrekking tot salaris en al helemaal met betrekking tot salarisbetaling, welke bepalingen zijn uitgesloten van de incorporatie. Betaling van een aanvulling tijdens ziekte die hoger is dan het wettelijk stelsel (zoals in artikel 10.1 cao geregeld) heeft immers evident betrekking op ‘salarisbetaling’.
Dat afwijking van de cao slechts zou zijn toegestaan indien dit in gunstige zin gebeurt, zoals [appellant] heeft betoogd, volgt het hof niet, nu daarvoor geen grondslag in de arbeidsovereenkomst te vinden is en voor zover de cao-regeling als minimumregeling zou hebben te gelden, waarvan slechts ‘naar boven’ zou mogen worden afgeweken, heeft te gelden dat de cao niet van toepassing is op ‘salarisbetaling’, zodat de inhoud van de cao op dit punt niet gevolgd hoeft te worden. Er blijkt ook overigens niet van enige grondslag waarop [geïntimeerde] gehouden is om 100% van het salaris tijdens het tweede ziektejaar te betalen.
5.10.
[geïntimeerde] hanteert voor medewerkers met een salaris boven schaal 15, onder wie dus [appellant] , een interne arbeidsvoorwaardenregeling. In deze regeling is bepaald dat voor deze ‘boven-cao medewerkers’ bij ziekte gedurende het eerste ziektejaar 100% en gedurende het tweede ziektejaar 70% van het salaris wordt doorbetaald. [geïntimeerde] heeft deze regeling ten aanzien van [appellant] ook toegepast. Dat [appellant] in een eerdere ziekteperiode die gedeeltelijk doorliep in het tweede ziektejaar voor korte tijd 100% van het salaris heeft ontvangen, maakt niet dat zij daarop in een andere periode voor het hele tweede ziektejaar aanspraak kan blijven maken. Destijds was sprake van een kortdurende situatie waarin [appellant] bij aanvang van het tweede ziektejaar bijna volledig arbeidsgeschikt was en naar verwachting binnen afzienbare tijd volledig hersteld zou zijn. In het licht daarvan is voldoende aannemelijk dat [geïntimeerde] om die redenen ervoor heeft gekozen om gedurende een korte periode 100% van het salaris door te betalen, ook al viel die korte periode in het tweede ziektejaar. Dit leidt niet tot een verplichting voor [geïntimeerde] om in een volgende (naar verwachting langdurige) periode van ziekte gedurende het gehele tweede ziektejaar 100% salaris door te betalen, zoals [appellant] met haar grieven ten onrechte heeft betoogd.
5.11.
Het hof volgt [appellant] voorts niet in haar betoog dat [geïntimeerde] op grond van goed werkgeverschap gehouden zou zijn in het tweede ziektejaar 100% van het salaris door te betalen. De enkele omstandigheid dat in de cao voor andere (lager betaalde) werknemers mogelijk gunstiger bepalingen gelden, brengt niet mee dat het hanteren van de interne regeling onredelijk of in strijd met goed werkgeverschap is. Ter zitting van het hof heeft [geïntimeerde] verklaard dat zij in vergelijkbare gevallen conform deze regeling handelt. Het verschil met medewerkers die wat betreft salaris onder de cao vallen en in het tweede ziektejaar 100% van het salaris doorbetaald krijgen, wordt gerechtvaardigd door de hogere salarisschaal waarbinnen [appellant] valt en de tussen partijen overeengekomen contractuele uitsluiting. [geïntimeerde] heeft in het geval van [appellant] toepassing gegeven aan de interne arbeidsvoorwaardenregeling. Tot meer was zij niet gehouden. Het hof ziet geen bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van toepassing van de arbeidsvoorwaardenregeling. De vordering van [appellant] tot doorbetaling van het volledige salaris (100%) in het tweede ziektejaar wordt daarom afgewezen.
Bonus
5.12.
Ten aanzien van de stelling van [appellant] , dat zij tijdens ziekte recht heeft op de contractuele bonus, omdat haar laatstverdiende jaarinkomen in ogenschouw moet worden genomen en zij eerder tijdens ziekte ook een bonus heeft ontvangen, geldt dat uit de toepasselijke bonusregeling, zoals vastgelegd in artikel 6 van Pro de arbeidsovereenkomst (zie hiervoor onder rechtsoverweging 3.3.), blijkt dat de bonus niet automatisch wordt toegekend, maar afhankelijk is van individuele prestaties en van geleverde bijdragen aan (de businessunit van) [geïntimeerde] . In de regeling is expliciet opgenomen dat toekenning daarvan een discretionaire bevoegdheid van de werkgever betreft. Daarmee is de bonus geen vast loonbestanddeel, maar een variabele beloning waarvan de toekenning en de hoogte jaarlijks opnieuw worden bepaald. Dat [appellant] in voorgaande jaren tijdens ziekte ook een bonus heeft ontvangen, maakt niet dat zij daar in latere jaren recht op heeft. De situatie waar [appellant] op doelt had betrekking op een kalenderjaar waarin [appellant] ongeveer de helft van dat jaar ziek is geweest en niet het volledige jaar, zoals het geval is geweest in de jaren waarover [appellant] thans de bonus vordert. Die toekenning van de bonus over een volledig ziektejaar zou alleen verplicht kunnen zijn als [geïntimeerde] een vaste bonus jaarlijks structureel en zonder enig voorbehoud zou hebben toegekend, in welk geval [appellant] er onder omstandigheden gerechtvaardigd op had mogen vertrouwen dat dit beleid zou worden voortgezet. Van een dergelijke feitelijke gang van zaken of van een dergelijk beleid is in dit geval niet gebleken. Aangezien [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [geïntimeerde] met betrekking tot de bonus niet als goed werkgeefster heeft gehandeld, was [geïntimeerde] gerechtigd om over de jaren 2022 (gedeeltelijk), 2023 en 2024 geen bonus toe te kennen. De vordering van [appellant] tot betaling van de bonus over deze jaren wordt daarom afgewezen.
Jaarlijkse salarisverhoging
5.13.
Met betrekking tot de jaarlijkse salarisverhoging waarop [appellant] aanspraak maakt is het hof van oordeel dat deze verhoging wel een structureel karakter heeft en er geen sprake is van een discretionaire toekenning, zoals [geïntimeerde] stelt, noch van een aan de feitelijke prestaties van [appellant] gerelateerd recht. [appellant] zou die verhoging zonder meer hebben ontvangen indien zij niet ziek was geweest. Daarom behoort in dit geval de salarisverhoging tot het loon dat dient te worden doorbetaald tijdens ziekte in de zin van artikel 7:629 BW Pro. De ziekte van [appellant] mag daarom geen reden zijn om haar de jaarlijkse salarisverhoging te onthouden. Nu [geïntimeerde] zich niet heeft verzet tegen de berekening door [appellant] van de salarisverhoging, namelijk het gemiddelde van alle salarisverhogingen sinds indiensttreding, zal het hof het aldus bepaalde percentage van 5,11% toewijzen. De vordering van [appellant] om met ingang van 1 februari 2024 haar bruto maandsalaris te verhogen met een bedrag van € 637,50 per maand vanaf 1 februari 2024 wordt dus toegewezen.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
5.14.
Aangezien [geïntimeerde] de salarisverhoging niet op tijd heeft betaald, dient zij op grond van artikel 7:625 BW Pro de wettelijke verhoging over het na te betalen salaris te betalen. Het hof ziet aanleiding de wettelijke verhoging op 25%, zijnde € 159,38 bruto per maand, vast te stellen. De gevorderde wettelijke rente over de nog verschuldigde salarisverhoging wordt eveneens toegewezen vanaf de datum van elke (gemiste) loontermijn, omdat [geïntimeerde] vanaf elke reguliere betaaldatum in verzuim was.
Salarisspecificaties
5.15.
Aangezien het hof heeft geoordeeld dat [appellant] recht heeft op de jaarlijkse loonsverhoging, dient het salaris over de betreffende periode te worden aangepast. Op [geïntimeerde] rust daarom de verplichting om van die aanpassing correcte salarisspecificaties te verstrekken. De vordering tot het verstrekken van salarisspecificaties wordt dan ook toegewezen, voor zover deze specificaties betrekking hebben op de periode waarin de salarisverhoging is verschuldigd.
Conclusie
5.16.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven 9 en 10 van [appellant] slagen voor zover deze gericht zijn tegen de afwijzing van de salarisverhoging per 1 februari 2024 en van de verstrekking van salarisspecificaties die daarop zien. Het bestreden vonnis zal in zoverre worden vernietigd.
5.17.
Er is geen concreet bewijs aangeboden van stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.
5.18.
Gelet op de uitkomst bestaat er aanleiding de proceskosten in beide instanties te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.Beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt het bestreden vonnis;
en opnieuw rechtdoende:
6.2.
veroordeelt [geïntimeerde] :
a. om het bruto maandsalaris van [appellant] met ingang van 1 februari 2024 te verhogen met € 637,50 bruto per maand, en
b. tot betaling van deze verhogingen aan [appellant] over de periode vanaf 1 februari 2024 tot aan de einddatum van de arbeidsovereenkomst (onverminderd de 70% doorbetaling over het tweede ziektejaar), alsmede
c. tot betaling van de wettelijke verhoging van 25% bruto over alle vanaf 1 februari 2024 nog verschuldigde salarisverhogingen en
d. tot betaling van de wettelijke rente over elke salaristermijn vanaf 15 mei 2024, te berekenen vanaf elke vervaldatum, alsmede over de toegewezen wettelijke verhoging vanaf de datum van de inleidende dagvaarding, tot aan de dag van betaling.
6.3.
veroordeelt [geïntimeerde] tot het verstrekken aan [appellant] van correcte salarisspecificaties over de periodes waarin het met de jaarlijkse verhoging van 5,11% verhoogde salaris verschuldigd is;
6.4.
compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.5.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.T. van der Meer, A.S. Arnold en F.J. Bloem-Timmermans, door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.