Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[appellant],
[geïntimeerde] ,
1.Het verdere verloop van het geding
2.Beoordeling
Request of Service Abroad of Judicial or Extrajudicial Documents’ van 13 mei 2025 overgelegd, zoals door het Openbaar Ministerie, samen met voornoemde stukken ter oproeping van [geïntimeerde] , is verzonden aan de Centrale Autoriteit van de Russische Federatie, zijnde
The Ministry of Justice of the Russian Federation. Bij ontbreken van een bericht van de centrale autoriteit van de Russische Federatie, waaruit blijkt dat het oproepingsexploot aan [geïntimeerde] is betekend of haar daarvan is kennisgegeven voor het tijdstip van de eerste mondelinge behandeling, moest het hof ervan uitgaan dat [geïntimeerde] niet behoorlijk was opgeroepen voor die behandeling. Omdat [geïntimeerde] niet verscheen bij de eerste mondelinge behandeling, bracht het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van het Haags Betekeningsverdrag daarom dwingend mee dat de beslissing over het verzoek van [appellant] moest worden aangehouden. Het hof heeft op grond van het bepaalde in artikel 987, vierde lid, Rv in verbinding met artikel 1075, tweede lid, Rv en artikel 15, eerste lid, van het Haags Betekeningsverdrag de nadere oproeping van [geïntimeerde] bevolen voor de mondelinge behandeling van het verzoek op 3 december 2025 (hierna: de tweede mondelinge behandeling).
Request for Service Abroad of Judicial or Extrajudicial Documents’ van 14 oktober 2025 overgelegd, zoals door het Openbaar Ministerie, samen met de stukken ter oproeping van [geïntimeerde] , in lijn met de vereisten van het Haags Betekeningsverdrag is verzonden aan de Centrale Autoriteit van de Russische Federatie.