ECLI:NL:GHAMS:2026:158

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
200.351.474
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis in Nederland

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een exequaturprocedure. De appellant, een vennootschap naar Zwitsers recht, verzocht om erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis dat op 18 oktober 2024 in Genève, Zwitserland, was gewezen. De procedure was gestart omdat er geen bewijs van betekening of kennisgeving van de oproeping aan de geïntimeerde, een vennootschap naar Russisch recht, kon worden verkregen. Het hof oordeelde dat, ondanks het ontbreken van bewijs van betekening, de voorwaarden van artikel 15, tweede lid onder b van het Haags Betekeningsverdrag waren vervuld, waardoor het hof bevoegd was om een inhoudelijke beslissing te nemen. De appellant had de nodige documenten overgelegd, waaronder een gecertificeerd afschrift van het arbitraal vonnis en de overeenkomsten waarin de arbitrale bedingen waren opgenomen. Het hof concludeerde dat het arbitraal vonnis uitvoerbaar was in Zwitserland en dat er geen gronden waren om het verzoek van de appellant te weigeren. De geïntimeerde was niet verschenen in de procedure, en het hof veroordeelde haar in de kosten van het geding. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.351.474/01
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 januari 2026
inzake
de vennootschap naar Zwitsers recht
[appellant],
gevestigd te [plaats 1] , Zwitserland,
verzoekster,
advocaat: mr. A.D. Polkerman te Amsterdam,
tegen
de vennootschap naar Russisch recht
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 2] , Russische Federatie,
verweerster,
niet verschenen.

1.Het verdere verloop van het geding

Partijen worden hierna wederom [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
In deze zaak heeft het hof op 22 juli 2025 een tussenbeschikking (hierna: de tussenbeschikking) gegeven. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar de tussenbeschikking verwezen.
Op 18 en 28 november 2025 zijn ter griffie van het hof aktes indienen nadere stukken van [appellant] ingekomen.
De mondelinge behandeling van het verzoek is voortgezet op 3 december 2025. Daarbij zijn verschenen voor [appellant] mr. A. van Schaik en mr. B.N.C. Plieger, beiden advocaat te Amsterdam. [geïntimeerde] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Mrs. Van Schaik en Plieger hebben ter zitting het verzoek van [appellant] nader toegelicht aan de hand van overgelegde pleitnotities en vragen van het hof beantwoord.
Ten slotte is uitspraak bepaald.

2.Beoordeling

2.1
Artikel 15, tweede lid onder b van het Haags Betekeningsverdrag bepaalt dat iedere Verdragsluitende Staat bevoegd is te verklaren dat zijn rechters in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een beslissing kunnen geven, ook als geen bewijs, hetzij van betekening of kennisgeving, hetzij van afgifte is ontvangen, indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
het stuk is toegezonden op een van de in het Haags Betekeningsverdrag geregelde wijzen;
sedert het tijdstip van toezending van het stuk een termijn is verlopen die door de rechter voor elk afzonderlijk geval zal worden vastgesteld, doch die ten minste zes maanden zal bedragen;
in weerwil van alle daartoe bij de bevoegde autoriteiten aangewende pogingen geen bewijs kon worden verkregen.
2.2
[appellant] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 4 juli 2025 (hierna: de eerste mondelinge behandeling) een kopie van een deurwaardersexploot van 2 mei 2025 overgelegd, inhoudend de oproeping van [geïntimeerde] (in het Nederlands, Engels en Russisch) voor de eerste mondelinge behandeling door betekening van het genoemde exploot aan de ambtenaar van het ressortsparket bij het hof overeenkomstig het bepaalde in artikel 55, eerste lid, Rv, met uitdrukkelijke verwijzing in het exploot naar de toepasselijke bepalingen van het Haags Betekeningsverdrag. Daarnaast heeft [appellant] een ‘
Request of Service Abroad of Judicial or Extrajudicial Documents’ van 13 mei 2025 overgelegd, zoals door het Openbaar Ministerie, samen met voornoemde stukken ter oproeping van [geïntimeerde] , is verzonden aan de Centrale Autoriteit van de Russische Federatie, zijnde
The Ministry of Justice of the Russian Federation. Bij ontbreken van een bericht van de centrale autoriteit van de Russische Federatie, waaruit blijkt dat het oproepingsexploot aan [geïntimeerde] is betekend of haar daarvan is kennisgegeven voor het tijdstip van de eerste mondelinge behandeling, moest het hof ervan uitgaan dat [geïntimeerde] niet behoorlijk was opgeroepen voor die behandeling. Omdat [geïntimeerde] niet verscheen bij de eerste mondelinge behandeling, bracht het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van het Haags Betekeningsverdrag daarom dwingend mee dat de beslissing over het verzoek van [appellant] moest worden aangehouden. Het hof heeft op grond van het bepaalde in artikel 987, vierde lid, Rv in verbinding met artikel 1075, tweede lid, Rv en artikel 15, eerste lid, van het Haags Betekeningsverdrag de nadere oproeping van [geïntimeerde] bevolen voor de mondelinge behandeling van het verzoek op 3 december 2025 (hierna: de tweede mondelinge behandeling).
2.3
[appellant] heeft bij haar akte indiening nadere stukken van 18 november 2025 een exploot betekening oproeping ex artikel 987 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van 30 september 2025 overgelegd, inclusief Russische en Engelse vertalingen van het oproepingsexploot, waarmee aan het Openbaar Ministerie te Amsterdam zijn betekend:
 de tussenbeschikking;
 de brief van het gerechtshof te Amsterdam aan [appellant] d.d. 6 augustus 2025 waarin de datum en tijd van de tweede mondelinge behandeling is vastgesteld op 3 december 2025 om 09:30 uur, in de Nederlandse, Russische en Engelse taal;
 het verzoekschrift tot erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging van een in een vreemde staat gewezen arbitraal vonnis d.d. 21 februari 2025 in de Nederlandse en Russische taal, met originele (Engels) en vertaalde (Russisch) bijlagen.
Daarnaast heeft [appellant] de ‘
Request for Service Abroad of Judicial or Extrajudicial Documents’ van 14 oktober 2025 overgelegd, zoals door het Openbaar Ministerie, samen met de stukken ter oproeping van [geïntimeerde] , in lijn met de vereisten van het Haags Betekeningsverdrag is verzonden aan de Centrale Autoriteit van de Russische Federatie.
2.4
[appellant] heeft bij haar akte indiening nadere stukken van 28 november 2025 een brief van het Openbaar Ministerie te Amsterdam aan de advocaat van [appellant] van 4 november 2025 overgelegd, waarmee alle stukken van [appellant] zijn toegezonden die retour zijn gekomen uit het buitenland. Daarbij is tevens een brief van het Ministerie van Justitie van de Russische Federatie van 10 oktober 2025 gevoegd. Het Ministerie van Justitie van de Russische Federatie heeft het Openbaar Ministerie bericht dat de termijn tot de in de documenten vermelde datum van de rechtszitting onaanvaardbaar is voor het betekenen van documenten en het waarborgen dat de ontvanger tijdig voor de rechtbank verschijnt, dat het formulier voor het verzoek en de bevestiging van de betekening van documenten (evenals de belangrijkste inhoud van de documenten) niet in het Russisch is ingevuld en dat er onduidelijkheid bestaat over de wijze van betekening van documenten.
2.5
Wat daar ook van zij, inmiddels staat vast dat het stuk is toegezonden op een van de in het Haags Betekeningsverdrag geregelde wijzen, sinds het tijdstip van toezending van het stuk een termijn van zes maanden is verlopen en in weerwil van alle daartoe bij de bevoegde autoriteiten aangewende pogingen geen bewijs hetzij van betekening of kennisgeving, hetzij van afgifte kon worden verkregen. Het hof kan derhalve krachtens artikel 15, tweede lid onder b van het Haags Betekeningsverdrag een inhoudelijke beslissing in de onderhavige zaak nemen.
2.6
[appellant] heeft het hof verzocht het arbitraal vonnis te erkennen en verlof te verlenen voor de tenuitvoerlegging daarvan in Nederland. Het verzoek van [appellant] steunt primair op het bepaalde in artikel 1075 Rv in samenhang met het Verdrag van New York en subsidiair op artikel 1076 Rv. Het arbitraal vonnis is, zoals gemeld, gewezen in Zwitserland. Zowel Nederland als Zwitserland zijn partij bij het Verdrag van New York. De bepalingen van het Verdrag van New York zijn daarom van toepassing bij de beoordeling van het verzoek. Artikel III van het Verdrag van New York bepaalt dat iedere Verdragsluitende Staat (in dit geval Nederland) onder de in het verdrag opgenomen voorwaarden scheidsrechterlijke uitspraken als bindend zal erkennen en deze ten uitvoer zal leggen overeenkomstig de regelen van rechtsvordering geldend in het gebied waar een beroep op de uitspraak wordt gedaan (in dit geval Nederland).
2.7
Op grond van artikel 1075 lid 1 Rv kan een in een vreemde Staat gewezen arbitraal vonnis waarop een erkennings- en tenuitvoerleggingsverdrag van toepassing is, op verzoek van een der partijen, in Nederland worden erkend en ten uitvoer gelegd. Artikel 1075 lid 2 Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat de artikelen 985 tot en met 991 Rv van overeenkomstige toepassing zijn voor zover het verdrag geen afwijkende voorzieningen inhoudt en met dien verstande dat het gerechtshof in de plaats treedt van de rechtbank. Aangezien [appellant] tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis verlangt in het arrondissement Amsterdam is dit hof bevoegd tot kennisneming van het verzoek ex artikel 1075 lid 2 Rv jo. 985 Rv.
2.8
Bij het verzoekschrift is een gecertificeerd afschrift overgelegd van het arbitraal vonnis, alsmede een gecertificeerd afschrift van de overeenkomsten waarin de arbitrale bedingen zijn opgenomen, waarmee is voldaan aan hetgeen is voorgeschreven in artikel IV lid 1 aanhef en sub a en b van het Verdrag van New York. Artikel IV lid 2 van het Verdrag van New York schrijft evenwel voor dat de partij die de erkenning en tenuitvoerlegging verzoekt een gecertificeerde vertaling in het Nederlands van het arbitraal vonnis en van de overeenkomst waarin het arbitraal beding is opgenomen, overlegt. Vaststaat dat [appellant] dat niet heeft gedaan. Het hof zal hieraan echter geen consequenties verbinden op grond van het volgende. Waar het om gaat is of het arbitraal vonnis en het bestaan en de inhoud van de overeenkomst waarin het arbitraal beding is opgenomen, kunnen worden vastgesteld door de rechter aan wie de erkenning en tenuitvoerlegging van een buitenlands arbitraal vonnis wordt gevraagd en dat is hier het geval. De betreffende documenten zijn in het Engels overgelegd en bij deze stand van zaken kan naar het oordeel van het hof hiermee worden volstaan.
2.9
Daarnaast stelt het hof vast dat het gaat om een arbitraal vonnis dat uitvoerbaar is in het land waarin het is gewezen, Zwitserland. Hiermee is voldaan aan het vereiste van artikel 1075 lid 2 Rv gelezen in samenhang met artikel 986 lid 2 Rv.
2.1
Op grond van het bepaalde in artikel V lid 2 van het Verdrag van New York kan het hof het verzoek van [appellant] tot erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis weigeren, ook al is [geïntimeerde] niet in dit geding verschenen en heeft zij geen verweer gevoerd, als het onderwerp van geschil waarover bij het arbitraal vonnis is beslist, naar Nederlands recht niet vatbaar is voor beslissing door arbitrage of als de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis in strijd zou zijn met de Nederlandse openbare orde. Deze gronden voor weigering van het verlof doen zich hier echter niet voor.
2.11
De slotsom is dat het verzoek van [appellant] tot erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis toewijsbaar is. [geïntimeerde] zal in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

3.Beslissing

Het hof:
erkent en verleent verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van het op 18 oktober 2024 in Geneve, Zwitserland, tussen partijen gewezen arbitraal vonnis;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 827,00 aan verschotten en € 3.642,00 voor salaris advocaat;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. van der Burg, M.L.D. Akkaya en S. Tamboer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.