Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1580

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
25/284 en 25/285
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verwijzing na Hoge Raad
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 lid 2 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling parkeerbelasting bij onmiddellijk laden en lossen van goederen

De heffingsambtenaar van de gemeente legde aan belanghebbende twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting op wegens het stilstaan van voertuigen zonder betaling van parkeerbelasting. Belanghebbende stelde dat het stilstaan noodzakelijk was voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen. De rechtbank Rotterdam verklaarde de beroepen gegrond en vernietigde de naheffingsaanslagen. Het Gerechtshof Den Haag verklaarde het hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond. De Hoge Raad vernietigde vervolgens het arrest van het Hof en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam met de instructie om te beoordelen of de te lossen zaken van zodanige omvang of gewicht waren dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig konden worden gebracht.

Na verwijzing heeft belanghebbende bewijs geleverd in de vorm van facturen, bezorglijsten en afbeeldingen van standaardpakketten, waaruit bleek dat de te lossen goederen aanzienlijk van omvang en gewicht waren. Het Hof oordeelde dat belanghebbende aan haar bewijslast had voldaan en dat het stilstaan van het voertuig gerechtvaardigd was voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen. Het hoger beroep van de heffingsambtenaar werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

De uitspraak benadrukt dat bij de beoordeling van het recht op ontheffing van parkeerbelasting vanwege laden en lossen, de omvang en het gewicht van de te vervoeren goederen doorslaggevend zijn, en niet de aanwezigheid van andere goederen in het voertuig. Tevens rust de bewijslast voor het feit van stilstaan zonder betaling op de heffingsambtenaar, terwijl de belanghebbende de bewijslast draagt voor de noodzakelijkheid van het laden en lossen.

Uitkomst: Het hoger beroep van de heffingsambtenaar wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 25/284 en 25/285
12 mei 2026
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente [Z], de heffingsambtenaar,
tegen de uitspraak van 16 januari 2023 in de zaak met kenmerken ROT 22/478 en ROT 22/479 van de rechtbank Rotterdam (de rechtbank) – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – in het geding tussen
de heffingsambtenaar
en
[X], wonende te [Y] , belanghebbende.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 23 september 2021 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting ad € 67,06 (€ 1,76 parkeerbelasting en € 65,30 kosten) opgelegd.
1.1.2.
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 september 2021 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting ad € 67,86 (€ 2,56 parkeerbelasting en € 65,30 kosten) opgelegd.
1.2.
Bij uitspraken op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):
“De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraken;
- vernietigt de naheffingsaanslagen van 10 en 22 september 2021;
- bepaalt dat verweerder in beide zaken het griffierecht van € 100,- aan eiseres vergoedt.”
1.4.
De heffingsambtenaar heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 15 februari 2024 (kenmerken 23/233 en 23/234, ECLI:NL:GHDHA:2024:255) het hoger beroep ongegrond verklaard.
1.5.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 17 januari 2025, nr. 24/01216, ECLI:NL:HR:2025:90 (hierna: het verwijzingsarrest) als volgt beslist:
“De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met in achtneming van dit arrest.”
1.6.
Na daartoe door het Hof in de gelegenheid te zijn gesteld, hebben partijen schriftelijk gereageerd op het verwijzingsarrest.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
Het Gerechtshof Den Haag heeft in haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld:
“2.1. Op 10 september 2021 om 11:20 uur stond de auto van belanghebbende met kenteken [# 1] stil op een parkeerplaats aan de [straat 1] te [Z] . Deze locatie is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting kan worden geparkeerd. Tijdens een controle met de scanauto op het genoemde tijdstip is geconstateerd dat er geen parkeerbelasting was voldaan.
2.2.
Op 22 september 2021 om 14:03 uur stond de auto van belanghebbende met kenteken [# 2] stil op een parkeerplaats aan de [straat 2] te [Z] . Deze locatie is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting kan worden geparkeerd. Tijdens een controle met de scanauto is geconstateerd dat er geen parkeerbelasting was voldaan.”
2.2.
Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten.

3.Geding na cassatie

De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest het volgende overwogen:
“4.1 Het middel bestrijdt het hiervoor in 3.4 bedoelde oordeel van het Hof. Het betoogt daartoe onder meer dat het Hof zijn oordeel ten onrechte niet heeft gebaseerd op datgene wat op het moment van de controle daadwerkelijk is gelost en geladen, maar slechts op hetgeen belanghebbende in zijn algemeenheid over het afleveren van pakketten heeft aangevoerd. Verder betoogt het middel dat het Hof ten onrechte rekening heeft gehouden met het feit dat zich in het busje van belanghebbende ook pakketten bevonden die bestemd waren voor aflevering op andere adressen.
4.2.
In zoverre slaagt het middel. Voor de beantwoording van de vraag in hoeverre het doen of laten stilstaan van een voertuig nodig is voor het onmiddellijk laden of lossen van zaken in de zin van artikel 225, lid 2, van de Gemeentewet en de op dit punt gelijkluidende Verordening, moet worden beoordeeld of de gedurende het stilstaan van het voertuig te laden of te lossen zaken van een zodanige omvang of gewicht zijn, dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht. Het is dus niet van belang of zich in het voertuig andere zaken bevinden, hebben bevonden of zullen bevinden die op een andere plaats zijn of zullen worden geladen of gelost. Het Hof heeft dit miskend.
4.3.
De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen aangezien niet zonder meer uit de gedingstukken volgt hoeveel pakketten van welke omvang en welk gewicht zijn geladen of gelost op elk van beide plaatsen waar de auto stilstond.
4.4.
Met het oog op de procedure na verwijzing overweegt de Hoge Raad nog het volgende. Op de heffingsambtenaar rusten de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het feit dat een voertuig heeft stilgestaan op een daartoe door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaats, zonder dat de daarvoor verschuldigde parkeerbelasting is voldaan. In dit geval is niet in geschil dat de heffingsambtenaar dit bewijs heeft geleverd. Indien de belanghebbende, zoals in dit geval, zich erop beroept dat geen parkeerbelasting is verschuldigd omdat sprake was van onmiddellijk laden en lossen van goederen, rusten de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de daarvoor benodigde feiten op die belanghebbende.”

4.Geschil na verwijzing

Na verwijzing is tussen partijen nog in geschil (zie r.o. 4.2 van het verwijzingsarrest) of in de twee voorliggende gevallen de gedurende het stilstaan van het voertuig te lossen zaken van een zodanige omvang of gewicht waren, dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse konden worden gebracht.

5.Beoordeling van het geschil

5.1.
Ter voldoening aan de op haar rustende bewijslast dat in de twee voorliggende gevallen sprake was van het lossen van zaken met een zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse konden worden gebracht, heeft belanghebbende, zowel voor de bezorging op het adres [straat 1] 228 te [Z] als voor de bezorging op de adressen [straat 2] 693 en 715 te [Z] , (naast de hierna te noemen afbeeldingen van de standaardpakketten) facturen en bezorglijsten overgelegd. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende de vermeldingen op deze stukken nader toegelicht en heeft zij verklaard wat ongeveer het gewicht is van de standaardpakketten.
5.2.
Tot de gedingstukken behoren afbeeldingen van de door belanghebbende aangeboden standaardpakketten. De inhoud van die pakketten wordt bepaald door belanghebbende en varieert met de seizoenen. Afnemers kunnen wel kenbaar maken welke groenten of welk fruit zij liever niet ontvangen. Klanten dienen in elk geval één standaardpakket te bestellen (een groentebox, een fruitbox of een combibox). Daarnaast kunnen zij vervolgens naar eigen inzicht specifieke groenten en fruit bijbestellen. Levering vindt blijkens de afbeeldingen plaats in (open) kartonnen dozen van zware kwaliteit, bestemd voor herhaald gebruik. Lege dozen kunnen aan de bezorger worden meegegeven.
Het Hof zal hierna beoordelen of belanghebbende aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan.
5.3.1.
Ten aanzien van het stilstaan van het voertuig aan de [straat 1] (zie 2.1 van de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag) heeft het volgende te gelden.
Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof onweersproken en geloofwaardig verklaard dat, blijkens de aantekening op de desbetreffende bezorglijst, op het adres [straat 1] 228 op 10 september 2021 (ten minste) vijf dozen met groente en fruit zijn bezorgd. Het betreft een combinatiepakket met een totaalgewicht van 4 tot 5 kilogram en daarnaast dozen met diverse soorten groenten en fruit, die specifiek door de desbetreffende afnemer zijn besteld. Van laatstgenoemde dozen is het gewicht onbekend.
5.3.2.
Ten aanzien van het stilstaan van het voertuig aan de [straat 2] (zie 2.2. van de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag) heeft het volgende te gelden.
Blijkens de bezorglijsten zijn de adressen [straat 2] 693 en 715 gelegen in hetzelfde appartementengebouw, op respectievelijk de 8e en de 10e verdieping. Belanghebbende heeft onweersproken en geloofwaardig verklaard dat de bezorger de levering aan deze adressen combineert en niet tussentijds naar de auto terugkeert. Op nummer 693 (8e verdieping) is een groentepakket voor vier personen (= 6,4 kg) en een fruitpakket (= 2,5 tot 3 kg) afgeleverd. Op nummer 715 (10e verdieping) is een groentepakket voor twee personen (= 3,2 kg) en een fruitpakket (= 2,5 tot 3 kg) afgeleverd. In totaal derhalve vier dozen met een gezamenlijk gewicht van 14,6 tot 15,6 kg.
5.4.
Gelet op het onder 5.3.1 en 5.3.2 overwogene heeft belanghebbende naar ’s Hofs oordeel voldaan aan de op haar rustende bewijslast dat in beide gevallen sprake is van het lossen van zaken met een zodanige omvang dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse konden worden gebracht. Voor de bezorging op de adressen [straat 2] 693 en 715 is bovendien genoegzaam aannemelijk gemaakt dat, naast de omvang, ook het gewicht (van 14,6 tot 15,6 kg) met zich brengt dat de goederen niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse konden worden gebracht.
Slotsom
5.5.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6.Kosten

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding nu proceskosten gesteld noch gebleken zijn.

7.Beslissing

Het Hof:
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- gelast dat van de heffingsambtenaar een griffierecht wordt geheven van € 548.
De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, M.J. Leijdekker en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 12 mei 2026 in het openbaar uitgesproken. Bij afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door de oudste raadsheer.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: