ECLI:NL:GHAMS:2026:1589

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.360.333/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a lid 2 BWArt. 1:377a lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgangsregeling vader met kinderen wegens zwaarwegende belangen

De zaak betreft het hoger beroep van een vader die een omgangsregeling met zijn twee minderjarige kinderen vordert, nadat de rechtbank dit verzoek had afgewezen. De vader heeft de kinderen sinds 2018 niet gezien, mede door een beladen verleden met huiselijk geweld jegens de moeder. De moeder oefent het gezag uit en verzet zich tegen omgang vanwege de impact van het geweld op haar en de kinderen.

In hoger beroep heeft het hof de belangen van de kinderen centraal gesteld. Het hof overweegt dat het contact op dit moment niet in het belang van de kinderen is, mede vanwege het verleden van geweld, de negatieve impact daarvan, en het ontbreken van emotionele toestemming van de moeder. De vader toont onvoldoende inzicht in zijn gedrag en de gevolgen daarvan, en hulpverlening wordt als niet haalbaar beoordeeld.

Het hof volgt het advies van de Raad voor de Kinderbescherming om de bestreden beschikking te bekrachtigen en geen omgangsregeling vast te stellen. Ook wijst het hof het verzoek af om een onderzoek naar contactherstel door de raad te gelasten, omdat dit te belastend zou zijn voor moeder en kinderen. De beschikking is op 9 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van de omgangsregeling tussen vader en kinderen vanwege zwaarwegende belangen van de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.333/01
zaaknummer rechtbank: C/13/753381 / FA RK 24-4450 LH/MG
beschikking van de meervoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak van
[de vader],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. W. Suttorp te Rotterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. R.A. Dayala te Amsterdam .
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] en
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de vraag of er omgang moet komen tussen de vader en [minderjarige 1] (13 jaar) en [minderjarige 2] (8 jaar) (hierna gezamenlijk: de kinderen). De rechtbank heeft het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en de kinderen afgewezen. De vader is het daar niet mee eens en wil dat het hof alsnog een omgangsregeling vaststelt dan wel dat het hof de raad opdracht geeft om de mogelijkheden tot contactherstel te onderzoeken. De moeder is het eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 15 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van
16 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 18 december 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft de kinderen de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vinden. [minderjarige 2] heeft daarvan geen gebruik gemaakt. [minderjarige 1] heeft in een brief laten weten wat hij van de zaak vindt. Ter zitting van 30 april 2026 heeft de voorzitter de inhoud van de brief zakelijk weergegeven. De ouders hebben de gelegenheid gehad om daarop te reageren.
2.4
De zitting heeft op 30 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2012 te [plaats B] , en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2017 te [plaats B] .
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
3.2
De moeder oefent alleen het gezag uit over de kinderen.
3.3
Bij – de in zoverre niet bestreden – beschikking van 16 juli 2025 heeft de rechtbank aan de vader vervangende toestemming verleend tot erkenning van de kinderen. Ten tijde van de zitting bij het hof had de vader de kinderen nog niet erkend.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de volgende verzoeken van de vader afgewezen:
- het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en de kinderen;
- het verzoek om te bepalen dat de raad onderzoek moet doen naar de mogelijkheden tot contactherstel.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre en uitvoerbaar bij voorraad, in goede justitie een omgangsregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen, althans een onderzoek door de raad te gelasten teneinde de mogelijkheden voor contactherstel te onderzoeken.
4.3
De moeder verzoekt de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:377a, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel het recht op omgang ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd.
Uit het derde lid volgt dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De standpunten
5.2
De vader vindt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot omgang met de kinderen heeft afgewezen. Het is voor de kinderen en hun verdere ontwikkeling van belang dat zij een band kunnen opbouwen met de vader. Zij hebben een vader nodig in hun leven. De vader heeft de kinderen sinds zijn detentie in 2018 niet gezien, omdat de moeder dat tegenhoudt. Het is belangrijk dat de kinderen zelf een beeld van de vader kunnen vormen en niet het negatieve beeld van hem hebben dat de moeder schetst. De vader erkent dat tussen de ouders sprake is van een belast verleden, waarbij hij niet goed heeft gehandeld. Hij heeft de moeder geslagen, maar nooit in het bijzijn van de kinderen en er is nooit sprake geweest van geweld jegens hen. De moeder heeft echter ook niet goed gehandeld en dat tussen de ouders problemen zijn ontstaan is ook te wijten aan haarzelf. Zij heeft de kinderen weggehouden van de vader en zij heeft eerder zelfs beweerd dat de vader niet de vader van de kinderen zou zijn. De vader heeft verantwoordelijkheid getoond en is bereid om hulp in te schakelen. De ouders kunnen samen hun verleden verwerken via mediation of therapie. Ook heeft de vader sinds hij uit detentie is zijn zaken op orde en leidt hij een stabiel leven; hij is niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie en hij heeft een eigen huurwoning. Er moet tenminste onderzoek door de raad worden gedaan naar de mogelijkheden tot contactherstel dan wel gezinsbegeleiding.
5.3
De moeder stelt dat het niet in het belang van de kinderen is om omgang met de vader te hebben. De ouders hebben een belaste voorgeschiedenis, waarin sprake was van een patroon van geweld door de vader jegens de moeder; hij heeft de moeder meerdere keren mishandeld en bedreigd. De moeder is uiteindelijk met de kinderen naar een noodopvang gevlucht omdat de situatie onhoudbaar was geworden. Zij heeft de kinderen beschermd tegen de vader, zodat zij niet uithuisgeplaatst zouden worden. [minderjarige 1] is getuige geweest van de mishandelingen en hij wil niets met vader te maken hebben. [minderjarige 2] was destijds nog klein, maar hij heeft ook de impact van het geweld ondervonden. De vader toont geen enkele zelfreflectie en heeft geen hulp voor zichzelf gezocht. Het is dan ook niet de verwachting dat hij gaat veranderen. De moeder heeft daarom geen vertrouwen in een hulpverleningstraject. Bovendien is zij getraumatiseerd door het geweld dat zij heeft ondergaan. De moeder biedt de kinderen een stabiele en veilige thuisbasis. Hoewel [minderjarige 1] wel last heeft van de procedure gaat het goed met de kinderen, en dat moet worden voortgezet. Als de kinderen ouder en meer weerbaar zijn kunnen zij zelf de keuze maken of zij contact met vader willen. Ook een raadsonderzoek is niet in het belang van de kinderen en niet haalbaar, omdat er nu geen mogelijkheden zijn voor contactherstel.
Het advies van de raad
5.4
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd om de bestreden beschikking te bekrachtigen en geen omgangsregeling vast te stellen. De gebeurtenissen in het verleden en het gedrag van de vader hebben veel impact gehad op de moeder en de kinderen. De kinderen hebben daardoor in het verleden stressvolle situaties meegemaakt, zoals meerdere verhuizingen, waaronder naar [X] , waar zij samen met de moeder in een kleine gedeelde kamer hebben moeten wonen. De kinderen krijgen hulp bij de Bascule, waarvoor een forse drempel geldt. De kinderen hebben veel meegemaakt. De vader toont weinig tot geen inzicht in wat zijn gedrag met de moeder en de kinderen heeft gedaan. Zonder inzicht in zijn eigen handelen ontbreekt de motivatie om aan zichzelf te werken en heeft de vader geen hulpvraag. De kans dat hulpverlening zou slagen is daardoor klein. Daarnaast ziet de vader niet in dat de kinderen emotionele toestemming van de moeder nodig hebben om onbelast contact met de vader te hebben. De houding van de vader helpt niet om vertrouwen bij de moeder op te bouwen. Omgang is daarom nu niet in het belang van de kinderen. Het is positief dat de vader zijn leven heeft gebeterd, maar dat is op dit moment niet voldoende voor contact. Ook is een raadsonderzoek op dit moment te belastend voor de moeder en de kinderen.
De beoordeling door het hof
5.5
Aan het hof ligt onder meer de vraag voor of een omgangsregeling moet worden vastgesteld tussen de vader en de kinderen.
5.6
Als uitgangspunt geldt dat een kind en een ouder recht hebben op contact met elkaar. Het is voor een kind van groot belang om beide ouders te kennen en een goede band met hen te onderhouden. Er kunnen echter omstandigheden zijn die maken dat het zwaarwegend belang van het kind meebrengt dat door de rechter geen omgangsregeling wordt vastgesteld. Naar het oordeel van het hof is op dit moment sprake van dergelijke omstandigheden. Hiertoe overweegt het hof als volgt.
5.7
Uit de stukken in het dossier en wat op de zitting is besproken is het volgende gebleken. De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. Zij hebben tijdens hun relatie niet samengewoond. Er is in het verleden sprake geweest van huiselijk geweld gepleegd door de vader jegens de moeder. Dit heeft zijn weerslag gehad op de kinderen. Het huiselijk geweld heeft ertoe geleid dat de moeder op enig moment met de kinderen in een noodopvang van [X] is gaan wonen. De situatie was onhoudbaar geworden. De vader en de kinderen hebben al lange tijd geen contact, in ieder geval sinds 2018. Van 2018 tot 2021 heeft de vader veertig maanden in detentie gezeten. De kinderen hebben therapie gekregen via de Bascule. [minderjarige 1] krijgt via school drie keer in de week huiswerkbegeleiding en hij krijgt extra begeleiding van zijn mentor op sociaal-emotioneel vlak.
5.8
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op juiste gronden geoordeeld dat contact op dit moment niet in het belang van de moeder en de kinderen is. Met de rechtbank stelt het hof vast dat sprake is geweest van grove geweldsincidenten door de vader richting de moeder. Ter zitting bij het hof heeft de vader desgevraagd verklaard dat hij de moeder in het verleden heeft geslagen. Dat is ook tijdens de zitting bij de rechtbank besproken. Tijdens die zitting heeft de vader verder verklaard dat hij stenen door de ruiten van moeders woning heeft gegooid en rond haar huis heeft gehangen omdat hij de kinderen niet mocht zien. Het hof ziet met de raad dat de gebeurtenissen in het verleden en het gedrag van de vader een negatieve impact op de moeder en de kinderen hebben gehad en nog steeds hebben. De moeder moest noodgedwongen haar woning verlaten en met de kinderen in een opvang gaan wonen. Het hof overweegt dat het ook merkbaar is voor de kinderen als de moeder angst en spanning voelt en dat heeft een negatief effect op hen. Ter zitting in hoger beroep en uit de brief van [minderjarige 1] aan het hof is ook gebleken dat de procedure emoties oproept bij [minderjarige 1] . Door het verleden en de houding van de vader bestaat bij de moeder onvoldoende draagvlak voor omgang. Het hof acht contact zonder emotionele toestemming van de moeder niet in het belang van de kinderen. Naar het oordeel van het hof erkent de vader de impact van zijn gedrag op de moeder en de kinderen onvoldoende. De vader heeft verklaard dat de moeder de mishandelingen mede aan zichzelf te wijten heeft gehad, omdat zij de vader het contact met de kinderen heeft ontnomen. Het hof overweegt dat de vader daarmee onvoldoende inzicht heeft getoond in zijn handelen en in de belangen van de moeder en de kinderen. Daarbij heeft de vader niet laten blijken dat hij zicht heeft op de manier waarop de omgang zou moeten worden ingevuld indien contactherstel zou plaatsvinden. Doordat de vader geen verantwoordelijkheid neemt en het inzicht in zijn handelen ontbreekt, acht het hof hulpverlening nu niet haalbaar. Gezien het voorgaande ziet het hof, in lijn met het advies van de raad, op dit moment geen mogelijkheden voor de vaststelling van een omgangsregeling, omdat zwaarwegende belangen van de kinderen zich daartegen verzetten.
5.9
Het voorgaande leidt er ook toe dat het hof het verzoek van de vader om de raad onderzoek te laten doen naar de mogelijkheden voor contactherstel zal afwijzen. Het hof acht zich voldoende voorgelicht, zodat geen aanleiding bestaat tot het gelasten van een onderzoek. Daarbij overweegt het hof dat een raadsonderzoek te belastend is voor de moeder en de kinderen en dat het in hun belang is dat nu duidelijkheid ontstaat over de omgang.
5.1
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. P.F.E. Geerlings en
mr. J. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. B.F. Beijderwellen als griffier en is op
9 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.