Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1590

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.360.349/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 1 BWArt. 1:247 lid 3 BWArt. 1:253c lid 2 BWArt. 1:377a lid 3 BWArt. 1:377c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gezamenlijk gezag en vaststelling omgangsregeling voor minderjarige kinderen

De zaak betreft het gezag over twee minderjarige kinderen en de omgang met hun vader. De rechtbank had het gezamenlijk gezag aan beide ouders toegekend en een zorgregeling vastgesteld, maar de moeder was het hier niet mee eens vanwege ernstige communicatieproblemen en een mishandelingsincident door de vader in het bijzijn van de kinderen.

In hoger beroep heeft het hof het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag afgewezen. Het hof oordeelde dat de communicatie tussen de ouders ernstig verstoord is en dat het gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico inhoudt dat de kinderen klem of verloren raken. Ook de gezondheidsproblemen van een van de kinderen en de noodzaak van eenduidige besluitvorming speelden een rol.

Ten aanzien van de omgangsregeling stelde het hof vast dat omgang niet in strijd is met de belangen van de kinderen. Het hof bepaalde een omgangsregeling waarbij de kinderen drie zondagen per maand bij de vader verblijven, met overdracht via een stichting, om rust en stabiliteit te waarborgen.

De beschikking van de rechtbank werd vernietigd voor zover het gezag betreft, en het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag werd afgewezen. De omgangsregeling werd aangepast conform het verzoek van de vader en de belangen van de kinderen.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot gezamenlijk gezag af en stelt een omgangsregeling vast waarbij de kinderen drie zondagen per maand bij de vader verblijven.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.349/01
zaaknummer rechtbank: C/13/739984 / FA RK 23-6434
beschikking van de meervoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. G. Öntas te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. M.H. Aalmoes te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] ,
hierna gezamenlijk ook: de kinderen.
Als informant is aangemerkt:
- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats A] ,
hierna: de GI.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over het gezag over [minderjarige 1] (8 jaar) en [minderjarige 2] (6 jaar) en hun omgang met de vader. De rechtbank heeft de vader en de moeder gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belast en een zorgregeling tussen hen en de vader vastgesteld. De moeder is het daar niet mee eens. Zij wil niet dat de vader samen met haar het gezag over de kinderen heeft. Zij wil ook niet dat een zorgregeling tussen de vader en kinderen wordt vastgesteld. De vader is het eens met de beslissing van de rechtbank over het gezag, maar hij wil wel dat een andere zorgregeling wordt vastgesteld.
Het hof zal alsnog het verzoek van de vader om hem met de moeder met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te belasten, afwijzen en een omgangsregeling bepalen waarbij de kinderen drie zondagen per maand bij de vader zijn.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 13 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 14 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De vader heeft op 1 december 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De moeder heeft op 26 januari 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast een bericht van de zijde van de moeder van 17 maart 2026, met bijlagen ontvangen.
2.5
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [minderjarige 1] gesproken in bijzijn van de griffier. Tijdens de zitting heeft de voorzitter een korte samenvatting van de inhoud van het gesprek gegeven.
2.6
De zitting heeft op 26 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door R. Bark, en
- een vertegenwoordiger van de GI.
De advocaat van de moeder en de advocaat van de vader hebben op de zitting het woord gevoerd aan de hand van een pleitnotitie, die zijn overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder hebben tot medio 2023 een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren te [plaats A] [in] 2017, en
- [minderjarige 2] , geboren te [plaats B] [in] 2019.
De vader heeft de kinderen erkend. De kinderen verblijven sinds het uiteengaan van de ouders bij de moeder.
3.2
Bij beschikking van 20 november 2024 heeft de rechtbank, voor zover nu van belang, de beslissing op de verzoeken van de vader ten aanzien van het gezamenlijk gezag en de omgang aangehouden in afwachting van de uitkomsten van een raadsonderzoek.
3.3
Bij beschikking van 16 april 2025 heeft de rechtbank de eerder vastgestelde voorlopige voorzieningen ten aanzien van de omgang tussen de vader en de kinderen en de informatieregeling gewijzigd. De rechtbank heeft daarbij, voor zover nu van belang, bepaald dat de vader en de kinderen (voorlopig) omgang met elkaar hebben van zondag 12.00 uur tot dinsdagmiddag na zwemles, althans tot dinsdag 12.00 uur.
3.4
Bij beschikking van 30 juni 2025 heeft de rechtbank de kinderen voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de GI.
3.5
Op 7 september 2025 heeft de vader de moeder mishandeld in het bijzijn van de kinderen, waarna er tijdelijk geen omgang tussen de vader en de kinderen is geweest. Op 16 oktober 2025 heeft een herstelgesprek plaatsgevonden tussen o.a. de vader en de kinderen en op 20 november 2025 heeft weer (begeleide) omgang plaatsgevonden. Ter zitting in hoger beroep hebben partijen verklaard dat de zorgregeling zoals in de bestreden beschikking is bepaald inmiddels is hervat.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, op verzoek van de vader bepaald dat de ouders gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over de kinderen worden belast. Daarnaast is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld, waarbij de kinderen - kort samengevat - iedere week van zondagochtend 10:00 uur tot woensdagochtend voor schooltijd bij vader verblijven alsook de helft van de vakanties en feestdagen.
in principaal hoger beroep
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de verzoeken van de vader hem mede met het gezag over de kinderen te belasten en een zorgregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen, alsnog af te wijzen, althans te bepalen dat de omgang tussen de vader en de kinderen onder begeleiding van een onafhankelijke en deskundige instantie plaatsvindt.
4.3
De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans het door haar verzochte af te wijzen.
in incidenteel hoger beroep
4.4
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat ten aanzien van de zorgregeling tussen hem en de kinderen zal gelden dat contactmomenten en/of omgang - daaronder begrepen begeleid en/of indien dit naar het oordeel van de GI mogelijk is onbegeleid - zullen plaatsvinden en worden vastgesteld onder regie van de GI, althans een zodanige regeling vast te stellen als het hof juist acht.
4.5
De moeder verzoekt de verzoeken van de vader af te wijzen, althans te bepalen dat de omgang tussen de vader en de kinderen tijdelijk wordt opgeschort totdat voor de kinderen passende hulpverlening is opgestart en gecontinueerd en/of contact uitsluitend plaatsvindt onder begeleiding van een onafhankelijke en deskundige, met duidelijke veiligheidsafspraken en gefaseerde opbouw en/of uitbreiding naar onbegeleid contact en/of overnachtingen pas plaatsvindt nadat deskundigen dit in het belang van de minderjarigen verantwoord achten, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van de kinderen juist acht.
4.6
Ter zitting in hoger beroep heeft de vader zijn verzoeken gewijzigd in die zin dat hij elke zondag omgang heeft waarbij:
- de moeder de kinderen om 10.10 uur brengt bij [stichting ] en hij de kinderen daar om 10.30 uur ophaalt;
- hij de kinderen om 18.10 uur daar terugbrengt, waarna zij om 18.30 uur door de moeder worden opgehaald.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het hof zal de door partijen aangevoerde grieven in principaal en incidenteel hoger beroep, waar deze onderling samenhangen, gezamenlijk bespreken. Het hof zal eerst ingaan op het gezag over de kinderen, waarna de contactregeling aan bod zal komen.
Gezag
Het wettelijk kader
5.2
Aan de orde is het verzoek van de vader hem gezamenlijk met de moeder met het gezag over de kinderen te belasten. Op grond van het bepaalde in artikel 1:253c, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een dergelijk verzoek slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen en dat slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van het kind vereist dat één van de ouders met het gezag wordt belast.
De standpunten
5.3
Volgens de moeder heeft de rechtbank de vader ten onrechte mede met het gezag over de kinderen heeft belast. Zij voert hiertoe het volgende aan. De communicatie tussen de ouders is ernstig verstoord, zeker na het voorval op 7 september 2025 waarbij de vader de moeder heeft mishandeld in het bijzijn van de kinderen. Gelet op de impact van het voorval op zowel de moeder als de kinderen, is het voor de moeder niet langer mogelijk om met de vader samen te werken aan het herstel of het onderhouden van een ouderrelatie. Het handelen van de vader heeft bij de moeder geleid tot een ernstig verlies aan vertrouwen en tot gevoelens van onveiligheid. De moeder verwacht niet dat er in de toekomst nog sprake kan zijn van enig herstel van de communicatie. Ook de kinderen ervaren sinds het voorval op 7 september 2025 angst voor de vader. Daarnaast heeft de stress die de moeder ervaart door de juridische procedures en de opstelling van de vader ook zijn weerslag op de kinderen, in het bijzonder op [minderjarige 2] . Hij heeft een sikkelcelziekte, die verergert door stress.
Door de moeder in het bijzijn van de kinderen te mishandelen heeft de vader in strijd met zijn plicht als gezaghebbende ouder gehandeld zoals bedoeld in artikel 1:247 lid 1 BW Pro. Ook is sprake van strijd met het Verdrag van Istanbul. Zowel de moeder als ook de kinderen moeten beschermd worden. Het kan niet van de moeder worden gevergd dat zij met de vader in contact moet blijven, terwijl zij zich niet langer veilig voelt in het contact met de vader. De psychiater van de moeder heeft al benadrukt dat rekening moet worden gehouden met haar belastbaarheid. Zij kan het mentaal niet aan om met de vader in contact te moeten zijn.
5.4
De vader voert verweer. Hij is van mening dat de beslissing van de rechtbank in stand moet blijven en voert hiertoe het volgende aan. De vader erkent dat hij de moeder op 7 september 2025 heeft geslagen en dat hij hiermee volkomen onjuist heeft gehandeld. Hij had de moeder nooit mogen aanraken. Dat neemt niet weg dat het incident ook een direct gevolg is van het gedrag van de moeder die in weerwil van de uitspraak van de rechtbank de kinderen bij de vader heeft weggehouden. De moeder bevordert op geen enkele wijze de banden van de kinderen met de vader en handelt daardoor in strijd met artikel 1:247 lid 3 BW Pro, waarbij het gaat om een actieve inspanningsverplichting. De moeder wil bijvoorbeeld niet meewerken aan Ouderschap Blijft, waarnaar partijen in het kader van het Uniform Hulpaanbod zijn doorverwezen. Ook voor het incident van 7 september 2025 wilde zij niet meewerken. Daarnaast brengt het gezamenlijk gezag niet een heel verstrekkende wijziging met zich mee voor de moeder. Integendeel: bij gezamenlijk gezag kan de vader door de school en/of huisarts op de hoogte gehouden worden over hoe het gaat met de kinderen. Dit betekent dat die verplichting dan niet (meer) op de moeder rust. Verder is nooit gebleken dat de vader zijn medewerking niet heeft verleend aan een beslissing die in het kader van het gezag genomen zou moeten worden.
Het advies van de raad
5.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd om de beslissing van de rechtbank over het gezag in stand te laten. Dit sluit aan bij het advies van de raad in zijn rapport van 22 mei 2025. Er is weinig contact tussen de ouders. Het gezamenlijk gezag geeft de vader de mogelijkheid om zelfstandig informatie op te vragen, aldus de raad.
De GI is het eens met het advies van de raad.
De beoordeling door het hof
5.6
Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen. Volgens vaste rechtspraak brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het gezag aan één van de ouders moet worden toegekend. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kinderen kunnen voordoen zodat de kinderen niet klem of verloren raken tussen de ouders.
5.7
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is verklaard is gebleken dat er al jarenlang zorgen worden geuit over de kinderen. [minderjarige 1] is op school betrokken bij conflictsituaties en [minderjarige 2] heeft hevige woedeaanvallen op school. Bij beide kinderen is sprake van een leerachterstand. Bij het gezin is diverse hulpverlening betrokken (geweest), zoals het OKT en Tien voor toekomst. Tussen de ouders was sprake van veel ruzies. Nadat de ouders uit elkaar zijn gegaan, hebben de ruzies en spanningen zich voortgezet. De kinderen worden hiermee belast, waardoor zij veel onrust, onduidelijkheid en onveiligheid ervaren.
De communicatie tussen de ouders is al langere tijd ernstig verstoord, ook voor de mishandeling van 7 september 2025. Ter zitting in hoger beroep hebben de ouders bevestigd dat zij nu in het geheel niet rechtstreeks met elkaar communiceren.
Na de mishandeling is het vertrouwen van de moeder in de vader volledig verdwenen. Zij voelt zich niet veilig in het contact met de vader. De moeder heeft onderbouwd dat de communicatie met de vader mentale klachten bij haar veroorzaakt. Niet uitgesloten is dat als de moeder gedwongen wordt met de vader te overleggen over beslissingen over de kinderen, dit zo veel stress veroorzaakt dat zij minder goed voor de kinderen beschikbaar kan zijn.
In de gegeven omstandigheden acht het hof het niet aannemelijk dat verbetering van de communicatie tussen partijen binnen afzienbare termijn te verwachten is. Instandhouding van het gezamenlijk gezag zou betekenen dat de vader en de moeder wel met elkaar moeten blijven overleggen. Het risico op verdere conflicten acht het hof te groot, nog daargelaten dat deze conflicten schadelijk zijn voor de kinderen.
5.8
Er is bovendien sprake van een kind met gezondheidsproblematiek. [minderjarige 2] heeft sikkelcelziekte. De intern begeleider van de school van [minderjarige 2] heeft aangegeven dat het minder goed gaat met zijn gezondheid door de spanningen waarmee hij wordt geconfronteerd. Ook is het voor het hof duidelijk dat [minderjarige 2] de nodige medische zorg nodig heeft. Het is in zijn belang dat beslissingen met betrekking tot zijn verzorging, behandeling en begeleiding tijdig, eenduidig en zonder belemmering genomen kunnen worden. Dat lukt niet in de situatie waarin partijen niet met elkaar communiceren. Het is daarom in het belang van [minderjarige 2] noodzakelijk dat de moeder beslissingen kan nemen zonder vertraging of (dreigend) conflict.
5.9
Voor zover de vader heeft aangevoerd dat gezamenlijk gezag als voordeel heeft dat hij rechtstreeks bij derden informatie over de kinderen kan opvragen en moeder hem niet hoeft te informeren, overweegt het hof dat de vader, ook zonder dat hij gezag heeft, het recht heeft informatie over belangrijke feiten en omstandigheden van de kinderen bij derden op te vragen (artikel 1:377c BW).
Wel ligt het op de weg van de moeder om de vader ook zelf te informeren over belangrijke gebeurtenissen die de kinderen betreffen.
5.1
Het hof is op grond van dit alles van oordeel dat het eenhoofdig gezag over de kinderen van de moeder is aangewezen omdat er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen.
Het hof zal daarom de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en alsnog het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag afwijzen.
Omgangregeling
5.11
Het hof moet ook beslissen of een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld moet worden en zo ja, hoe deze regeling eruit moet zien.
Het wettelijk kader
5.12
Het wettelijk uitgangspunt is dat een kind en zijn ouders recht hebben op omgang met elkaar. De rechter kan het recht op omgang uitsluitend ontzeggen indien sprake is van (één van) de ontzeggingsgronden zoals vermeld in artikel 1:377a lid 3 BW, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind.
De standpunten
5.13
De moeder heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte een zorgregeling tussen de vader en de kinderen heeft vastgesteld. De moeder heeft geen vertrouwen in een verantwoord verloop van de omgang bij de vader. Eerder (naar het hof begrijpt in 2024) is al gebleken dat de omgang niet op zorgvuldige wijze is verlopen, aangezien [minderjarige 2] toen een kras/rode plek in de halsregio heeft opgelopen. De moeder heeft dit gemeld bij Veilig Thuis (VT) en bij de GI. Ook de mishandeling op 7 september 2025 van de moeder door de vader laat zien dat de kinderen niet veilig zijn bij de vader. Dat de vader eerder huiselijk geweld heeft toegepast, ook in zijn eerdere relatie, heeft zij in eerste aanleg onderbouwd, aldus de moeder. De kinderen hebben door dit alles traumatische ervaringen opgedaan. Het is van belang dat zij adequate hulpverlening krijgen om deze ervaringen te kunnen verwerken. De steeds veranderende omgangsregeling heeft een negatief effect gehad op zowel de mentale als ook fysieke gesteldheid van de kinderen. De moeder ervaart het als moeilijk en verwarrend dat de GI niet eerst inzet op passende hulpverlening voor de kinderen om de gebeurtenissen te verwerken. Zij voelt zich niet gehoord en machteloos. De moeder wil dat de kinderen eerst van een onafhankelijke deskundige hulp en begeleiding krijgen bij traumaverwerking. Daarnaast wenst zij dat door een onafhankelijk deskundige wordt gekeken naar de opvoedvaardigheden en thuissituatie van de vader en dat vader begeleiding/hulp krijgt. Om de veiligheid en het welzijn van de kinderen te waarborgen, dient eventuele omgang uitsluitend onder begeleiding plaats te vinden. Een regeling waarbij de kinderen de helft van de week bij de vader verblijven, is niet in hun belang en praktisch niet haalbaar, gelet op de aanzienlijke reisafstand alsmede de bestaande sociale activiteiten en verplichtingen van de kinderen.
5.14
De vader heeft verweer gevoerd. Aanvankelijk wilde hij dat een zorgregeling werd vastgesteld onder regie en op geleide van de GI. Ter zitting heeft hij zijn verzoek gewijzigd naar omgang elke zondag tussen 10.00 uur en 18.00 uur en hiertoe het volgende aangevoerd. Hoewel de GI van mening is dat de oude regeling kan worden hervat, is dat voor de vader moeilijk. Zolang er weerstand is bij de moeder, blijft de omgang lastig. De kinderen hebben de emotionele toestemming van de moeder nodig. De vader wil de kinderen niet beschadigen. Hij wil de kinderen graag zien, maar zolang er zoveel weerstand is bij de moeder acht hij een regeling van zondag tot woensdag te lang. Hij wil rust en duidelijkheid voor de kinderen. Hij verzoekt daarom om de voornoemde omgangsregeling op de zondagen.
Het advies van de raad
5.15
De raad adviseert de omgangsregeling zoals door de rechtbank is vastgesteld in stand te laten. Terugbrengen van de omgangsmomenten met de vader kan de kinderen het gevoel geven dat de vader ze minder belangrijk vindt. Ook acht de raad continuïteit van de regeling in het belang van de kinderen.
De GI sluit zich aan bij het advies van de raad.
De beoordeling door het hof
5.16
Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat omgang tussen de vader en de kinderen in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen. Hoewel het incident van 7 september 2025 de nodige impact op de kinderen heeft gehad, staat dit omgang tussen hen en de vader niet in weg. Het contact is daarna weer gestart en verloopt, ook naar de mening van de GI, goed. De vraag die beantwoord moet worden, is welke omgangsregeling in het belang van de kinderen is. Vader dringt aan op beperking van de regeling, zodat omgang plaatsvindt waarbij de kinderen geen weerstand van hun moeder hoeven ervaren en er rust en duidelijkheid komt. In eerste instantie heeft hij voorgesteld te beginnen met een regeling op zondag en vervolgens te kijken of de regeling kan worden uitgebreid, maar na bezwaar van de moeder daartegen heeft hij zijn voorstel beperkt tot het direct vastleggen van een regeling op zondag. De moeder heeft ter zitting over het voorstel van de vader voor de omgang aangeven dat zij omgang elke zondag teveel vindt, omdat zij ook een weekend met de kinderen wil kunnen doorbrengen. Ook zij vindt het van belang dat de omgangsregeling niet telkens wordt gewijzigd.
Het hof is met de ouders van oordeel dat een bestendige omgangsregeling in het belang van de kinderen is. Zij hebben behoefte aan rust, stabiliteit en duidelijkheid. Een regeling die zowel door de vader als door de moeder wordt gesteund, voorkomt dat er discussies of wisselingen ontstaan. Het hof zal daarom een regeling vaststellen die inhoudt dat de vader en de kinderen omgang hebben met elkaar elke eerste, tweede en vierde zondag van de maand als hierna te melden. Het hof zal daarbij ook bepalen dat de overdracht bij Stichting [stichting ] , [plaats A] ) plaatsvindt, zolang [stichting ] daaraan meewerkt, omdat gebleken is dat deze wijze van overdracht goed verloopt.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:
wijst alsnog het verzoek van de vader af om hem samen met de moeder te belasten met het gezag over de minderjarige kinderen van partijen;
draagt de griffier op krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register;
stelt een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vast, die inhoudt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader verblijven elke eerste, tweede en vierde zondag van de maand waarbij:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op zondag om 10.10 uur door de moeder worden gebracht bij [stichting ] , en de vader de kinderen om 10.30 uur ophaalt;
- de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op zondag om 18.10 uur terugbrengt bij [stichting ] , waarna zij om 18.30 uur door de moeder worden opgehaald;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Schoemaker, mr. A.V.T. de Bie en mr. M.C. Schenkeveld, in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier en is op 9 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.