Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.De procedure in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het hoger beroep
5.De motivering van de beslissing
alleenals de moeder met afwijking expliciet en van tevoren akkoord is gegaan, dus na een tijdig verzoek van de vader waarop het antwoord ‘ja’, maar dus ook ‘nee’ kan zijn. Het hof zal de bestreden beschikking op het punt van de vierwekelijkse zaterdag dan ook bekrachtigen.
belastbarewinst van € 36.242,- vermeld, derhalve de winst waarop de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling al in mindering zijn gebracht. Ook over de jaren 2021 tot en met 2023 gaat de vader uit van zijn belastbaar inkomen en dus niet van zijn winst uit onderneming zoals die volgt uit de jaarrekeningen van zijn onderneming (zie r.o. 5.4 hiervoor). Bij de vaststelling van de draagkracht van de vader gaat het om het inkomen dat hij redelijkerwijs kan genereren. Daarbij dient de winst uit onderneming vóór belastingen als uitgangspunt te worden genomen. Vervolgens dient zijn draagkracht te worden vastgesteld, mede op basis van de belastingdruk die op dat inkomen rust. Vast staat dat de winst uit onderneming van de vader aan fluctuatie onderhevig is. Naar het oordeel van het hof is de rechtbank voor de vaststelling van de draagkracht van de vader dan ook terecht uitgegaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2022 tot en met 2024. De vader heeft in hoger beroep niet nader toegelicht waarom dit uitgangspunt niet juist is en ook voor het overige geen gronden aangevoerd waarom in hoger beroep anders zou moeten worden geoordeeld. Aldus heeft de vader onvoldoende gemotiveerd waarom bij de vaststelling van zijn draagkracht van een lager inkomen c.q. winst moet worden uitgegaan dan de rechtbank heeft gedaan.