ECLI:NL:GHAMS:2026:1595

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
200.364.992/01 en 200.364.992/02
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en bekrachtiging hoofdverblijfplaats minderjarige kinderen na echtscheiding

De zaak betreft een geschil tussen ouders over de hoofdverblijfplaats en zorg- en vakantieregeling van twee minderjarige kinderen na echtscheiding. De rechtbank had de hoofdverblijfplaats bij de moeder vastgesteld en een zorgregeling bepaald waarbij de kinderen verdeeld verblijven bij beide ouders. De vader is het niet eens met de hoofdverblijfplaats en wil deze bij hem, met minder omgang met de moeder en een dwangsom bij niet-nakoming.

In hoger beroep heeft het hof de zorgregeling voor de jongste minderjarige gewijzigd, waarbij minimaal één contactmoment per week met de vader geldt en verdere opbouw onder begeleiding van het Stadsteam plaatsvindt. De hoofdverblijfplaats blijft bij de moeder. De vakantieregeling voor de andere minderjarige wordt bekrachtigd. De vader heeft zijn verzoek tot kinderalimentatie ingetrokken. Het hof wijst het verzoek tot voorlopige voorzieningen af omdat een eindbeslissing is genomen.

Het hof benadrukt de noodzaak van begeleiding en ondersteuning vanwege de verstoorde relatie tussen ouders en de kwetsbaarheid van de kinderen. Het contact met de vader wordt gefaseerd opgebouwd om de belangen van de kinderen te waarborgen. De ouders worden aangespoord hun conflicten te verminderen en samen te werken in het belang van de kinderen.

Uitkomst: De zorgregeling voor de oudste minderjarige wordt gewijzigd met begeleiding van het Stadsteam, de hoofdverblijfplaats blijft bij de moeder en het verzoek tot voorlopige voorzieningen wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.364.992/01 en 200.364.992/02
zaaknummer rechtbank: C/15/348345 / FA RK 24-310
beschikking van de meervoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verzoeker in het incident (voorlopige voorzieningen),
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. R.J.C. Silven te Volendam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verweerster in het incident (voorlopige voorzieningen),
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. J.G. Burgers te Alkmaar.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] , en
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] (13 jaar) en [minderjarige 2] (10 jaar) (hierna gezamenlijk: de kinderen) en de zorg- en vakantieregeling voor hen. De rechtbank heeft de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder bepaald. Daarnaast heeft de rechtbank een zorgregeling bepaald waarbij de kinderen in de even weken van maandag uit school tot woensdag naar school en in het weekend bij de moeder zijn en de rest van de week bij de vader zijn en in de oneven weken van maandag uit school tot woensdag naar school bij de moeder zijn en de rest van de week bij de vader zijn. Ook heeft de rechtbank een regeling bepaald voor de vakanties en feestdagen. De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij wil dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij hem hebben en dat de omgang met de moeder in frequentie wordt verminderd. Ook wil hij dat een dwangsom wordt verbonden aan de nakoming van de omgang door de moeder. De vader heeft daarnaast om voorlopige regelingen verzocht. De moeder is het eens met de beslissing van de rechtbank over de hoofdverblijfplaats. Zij is het niet eens met de vastgestelde zorg- en vakantieregeling en wil dat de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] vooralsnog niet wordt uitgevoerd.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 16 februari 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
25 november 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank). Hij heeft daarbij tevens verzocht voorlopige voorzieningen te treffen.
2.2
De moeder heeft op 30 maart 2026 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De vader heeft op 23 april 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep, met aanvullende verzoeken, ingediend.
2.4
Het hof heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de moeder van 27 april 2026 met bijlagen;
- een bericht van de vader van 28 april 2026 met bijlage.
2.5
De voorzitter heeft op 29 april 2026, in het bijzijn van de griffier, met [minderjarige 1] gesproken. [minderjarige 2] heeft in een brief laten weten wat hij van de zaak vindt. Ter zitting van 30 april 2026 heeft de voorzitter de inhoud van het gesprek en de brief zakelijk weergegeven. De ouders hebben de gelegenheid gehad om daarop te reageren.
2.6
De zitting heeft op 30 april 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat vergezeld van een stagiair;
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.
De advocaat van de vader heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2013 te [plaats B] , en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2015 te [plaats C] .
De ouders zijn getrouwd geweest en hun huwelijk is op 17 mei 2024 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 25 april 2024. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
3.2
Bij de hiervoor genoemde echtscheidingsbeschikking is bepaald dat het door de ouders ondertekende convenant deel uitmaakt van die beschikking. De rechtbank heeft de beslissing over de nevenvoorzieningen aangehouden.
3.3
Bij beschikking van 15 mei 2024 heeft de rechtbank in het kader van een procedure voorlopige voorzieningen bepaald dat:
- met ingang van 13 mei 2024 de reguliere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor de duur van de echtscheidingsprocedure als volgt zal zijn:
de kinderen verblijven in de even weken van maandag uit school tot woensdag naar school bij de moeder, van woensdag uit school tot vrijdag naar school bij de vader en van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de moeder, en in de oneven weken van maandag uit school tot woensdag naar school bij de moeder en van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vader;
Daarnaast is een vakantie- en feestdagenregeling bepaald, die er kortweg op neerkomt dat de kinderen evenveel tijd bij de vader als de moeder doorbrengen.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang:
- de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder bepaald;
- de zorgregeling als volgt vastgesteld:
de kinderen verblijven in de even weken van maandag uit school tot woensdag naar school bij de moeder, van woensdag uit school tot vrijdag naar school bij de vader en van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de moeder;
de kinderen verblijven in de oneven weken van maandag uit school tot woensdag naar school bij de moeder en van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vader;
- de vakantie- en feestdagenregeling als volgt vastgesteld:
voorjaars- en herfstvakantie (en overige vakanties van één week): als deze vakanties één week duren, dan loopt de reguliere zorgregeling door, waarbij de wissel op woensdag om 12.00 uur plaatsvindt; indien deze vakanties twee weken duren zijn de kinderen in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder en in de oneven jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader;
kerstvakantie (inclusief kerst en oud en nieuw): de kinderen zijn in de even jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader en in de oneven jaren zijn de kinderen de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder;
meivakantie: indien de meivakantie één week duurt loopt de reguliere zorgregeling door, waarbij de wissel op woensdag om 12.00 uur plaatsvindt; indien de meivakantie twee weken duurt zijn de kinderen in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder en zijn de kinderen in de oneven jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader;
zomervakantie: de kinderen zijn twee weken bij de moeder en twee weken bij de vader, in onderling overleg te bepalen. De overige weken loopt de reguliere zorgregeling door;
Pasen: de kinderen zijn in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;
Hemelvaartsdag: de kinderen zijn conform de reguliere zorgregeling bij de ouders;
Sinterklaas (5 december) de kinderen zijn het eerste jaar na deze beschikking bij de ouders conform de reguliere zorgregeling, daarna om en om;
Koningsdag: de kinderen zijn conform de reguliere zorgregeling bij de ouders, dan wel de daarop voorgaande vakantieregeling;
11 november: de kinderen zijn conform de reguliere zorgregeling bij de ouders;
verjaardagen ouders: de kinderen zijn conform de reguliere zorgregeling bij de ouders;
Vaderdag en Moederdag: de kinderen zijn op Vaderdag bij de vader en op Moederdag bij de moeder;
overige feestdagen: de kinderen zijn conform de reguliere zorgregeling bij de ouders;
met inachtneming van hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 6.12;
- bepaald dat de vader met ingang van de datum van deze beschikking aan de moeder ten behoeve van de kinderen een kinderbijdrage dient te voldoen van € 259,00 per kind per maand, telkens voor de eerste van de maand te voldoen.
In de hoofdzaak (200.364.992/01)
Principaal hoger beroep
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:
- de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem vast te stellen en te bepalen dat de kinderen op het adres van de vader ingeschreven blijven staan, dan wel dienen te worden ingeschreven, voor zover de moeder tot wijziging daarvan is overgegaan;
- een zorgregeling te bepalen waarbij de kinderen bij de moeder verblijven:
de ene week van vrijdag uit school tot zondagavond 19.00 uur en op woensdag uit school tot woensdagavond 19.00 uur;
de opvolgende week van dinsdag uit school tot woensdagavond 19.00 uur en gedurende de door de rechtbank bepaalde vakanties en feestdagen;
- aan de nakoming van de zorgregeling een dwangsom te verbinden van € 250,- per dag of dagdeel dat de moeder deze regeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-, althans een regeling te treffen zoals het hof juist acht;
- de verzoeken over de zorgregeling en dwangsom niet eerder af te wijzen dan nadat de raad een raadsonderzoek heeft uitgevoerd en het hof heeft geïnformeerd over de vraag welke hoofdverblijfplaats en welke zorgregeling in het belang van de kinderen is;
- voor zover de verzochte zorgregeling niet wordt toegewezen, de moeder te veroordelen tot nakoming van de bij de bestreden beschikking bepaalde zorgregeling, dan wel een andere door het hof te bepalen zorgregeling, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat de moeder de regeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-, althans een regeling te treffen die het hof juist acht;
- te bepalen dat de vader niet gehouden is aan de moeder een maandelijkse bijdrage te voldoen in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen en de behoefte van de kinderen per 2025 vast te stellen op een bedrag van € 638,- per kind per maand.
Daarnaast verzoekt de vader, gelet op zijn bij het verweerschrift in incidenteel hoger beroep gedane aanvullende verzoek, de kinderen onder toezicht te stellen dan wel een NIFP-onderzoek, een deskundigenonderzoek of een raadsonderzoek (door een medewerker die gespecialiseerd is in KOPP- en ouderverstotingsproblematiek) te gelasten, waarin onder meer onderzoek wordt gedaan naar de in alinea 50 van het verweerschrift in incidenteel hoger beroep geformuleerde vragen, althans een regeling te treffen die het hof juist acht.
Ter zitting in hoger beroep heeft de vader zijn (aanvullende) verzoek om de kinderen onder toezicht te stellen ingetrokken.
4.3
De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep dan wel zijn verzoeken af te wijzen.
Incidenteel hoger beroep
4.4
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking en naar het hof begrijpt, te bepalen dat de vastgestelde zorg- en vakantieregeling voor [minderjarige 1] met de vader vooralsnog niet zal worden uitgevoerd en geleidelijk en onder begeleiding van het Stadsteam/SITM en eventueel een door de rechtbank te benoemen GI zal moeten worden hervat.
4.5
De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel haar verzoeken af te wijzen.
Voorlopige voorzieningen (200.364.992/02)
4.6
De vader verzoekt bij wege van voorlopige voorziening:
- de hoofdverblijfplaats van de kinderen voorlopig bij hem vast te stellen en te bepalen dat de kinderen op zijn adres ingeschreven zullen blijven staan, dan wel moeten worden ingeschreven, voor zover de moeder tot wijziging daarvan is overgegaan;
- een voorlopige zorgregeling te bepalen waarbij de kinderen bij de moeder verblijven:
de ene week van vrijdag uit school tot zondagavond 19.00 uur en op woensdag uit school tot woensdagavond 19.00 uur;
de opvolgende week van dinsdag uit school tot woensdagavond 19.00 uur;
gedurende de door de rechtbank bepaalde vakanties en feestdagen;
- aan de nakoming van de voorlopige zorgregeling een dwangsom te verbinden van € 250,- per dag of dagdeel dat de moeder deze regeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-, althans een regeling te treffen zoals het hof juist acht;
- het verzoek over de voorlopige zorgregeling niet eerder af te wijzen dan nadat de raad het hof daarover heeft geïnformeerd;
- voor zover de verzochte voorlopige zorgregeling niet wordt toegewezen, de moeder te veroordelen tot nakoming van de bij de bestreden beschikking bepaalde zorgregeling, op straffe van een dwangsom vader € 250,- per dag of dagdeel dat de moeder deze regeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-, althans een regeling te treffen die het hof juist acht.
- te bepalen dat de vader voorlopig niet gehouden is aan de moeder een maandelijkse bijdrage te voldoen in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen.
4.7
De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren zijn verzoeken dan wel zijn verzoeken af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

In de hoofdzaak (200.364.992/01)
5.1
Tussen de ouders is in geschil de zorg- en vakantieregeling, de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de kinderalimentatie (voor zover het hof geen eindbeschikking geeft, hetgeen hierna bij 5.20 zal worden besproken). Het hof zal eerst de zorg- en vakantieregeling behandelen, vervolgens de hoofdverblijfplaats en daarna de kinderalimentatie.
5.2
Gelet op de inhoud en de onderlinge samenhang van de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep die betrekking hebben op de zorg- en vakantieregeling, zal het hof deze grieven gezamenlijk behandelen en beoordelen.
Zorgregeling
Het wettelijk kader
5.3
De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten
een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (lid 2 sub a).
De standpunten
In principaal en incidenteel hoger beroep
5.4
De vader stelt dat de zorgregeling zoals vastgesteld door de rechtbank moet worden gewijzigd. Het contact tussen de moeder en de kinderen moet (tijdelijk) worden ingeperkt. De afgelopen tijd is de situatie verslechterd en er zijn veel zorgen over de kinderen in de opvoedsituatie bij de moeder. Volgens de vader is er sprake van ontzeggingsgronden.
Omgang levert ernstig nadeel voor de ontwikkeling op, zoals ook blijkt uit het rapport van Veilig Thuis en een melding vanuit school. De kinderen willen niet naar school en de moeder faciliteert hen daarin. [minderjarige 2] heeft medisch onverklaarbare klachten, die de moeder hem aanpraat en die zich bij de vader niet als zodanig voordoen. [minderjarige 1] kwalificeert elke aanraking als een seksuele aanranding, is teruggetrokken, en kan zich plotseling nauwelijks meer uiten zonder hulp van de moeder. De moeder belemmert het contact tussen de vader en de kinderen en er is sprake van ouderverstoting. Als gevolg daarvan wordt de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] niet nagekomen en ziet de vader haar nog maar weinig. De moeder heeft geen inzicht in haar eigen handelen en is niet, dan wel minder in staat tot omgang met de kinderen. De vader wenst dat de kinderen, kinderen kunnen zijn en niet worden betrokken in de strijd tussen de ouders. De moeder is niet in staat hun dat te bieden, waardoor omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van de kinderen. Op grond van de door de vader verzochte regeling zullen de kinderen de meeste schooldagen bij de vader zijn en kan hij hen stimuleren om naar school te gaan. Daarnaast zal [minderjarige 1] niet langer gedurende een lange aaneengesloten periode bij de moeder zijn, waardoor er minder risico is op ouderverstoting door de moeder. Daarbij is het nodig om een dwangsom te verbinden aan de nakoming van de zorgregeling door de moeder. Dat omdat zij de zorgregeling met betrekking tot [minderjarige 1] niet nakomt en voorkomen moet worden dat de kinderen verder in een loyaliteitsconflict komen. Tenminste is nodig dat een raadsonderzoek of ander deskundigenonderzoek wordt uitgevoerd.
5.5
De moeder is het niet eens met de zorgregeling die de vader heeft voorgesteld en wil dat de zorgregeling die de rechtbank voor [minderjarige 1] met de vader heeft vastgesteld vooralsnog niet wordt uitgevoerd. De houding van de vader is schadelijk voor de kinderen. Hij wil het contact tussen de moeder en de kinderen stilleggen en hij diskwalificeert haar. Er is geen sprake van ouderverstoting, zoals de vader beweert; [minderjarige 2] komt conform de zorgregeling bij de vader en [minderjarige 1] zit in een opbouwtraject. De kinderen voelen zich niet vrij om hun problemen met de vader te bespreken. Daarnaast geeft de vader geen blijk van onderkenning van de medische problemen van de kinderen, die zijn onderbouwd met diagnoses van deskundigen. Bij [minderjarige 1] bestaat momenteel minder draagvlak voor omgang met de vader en zij gaat daardoor minder vaak naar hem toe. Het forceren van uitbreiding van het contact tussen de vader en [minderjarige 1] is zeer schadelijk voor haar. Uit het voorlopige advies van het Stadsteam blijkt dat [minderjarige 1] kwetsbaar is en dat de omgang tussen haar en de vader op dit moment niet kan worden uitgevoerd. Voortzetting van de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] is nu dan ook niet haalbaar. Op termijn kan worden gekeken naar hervatting van de zorgregeling voor [minderjarige 1] onder begeleiding van het Stadsteam en, bij instelling van een ondertoezichtstelling, begeleiding door jeugdbescherming. De zorgregeling moet worden opgebouwd in het tempo dat [minderjarige 1] aangeeft. Dat proces is reeds bezig en verloopt positief; het Stadsteam is bezig met de opbouw en binnenkort wordt een traject bij Parlan gestart. Het is niet in [minderjarige 1] belang om dat te verstoren. Verder zou een dwangsom, zoals de vader heeft verzocht, juist averechts werken en de hulp van het Stadsteam belemmeren.
5.6
Volgens de vader moet moeders verzoek in incidenteel hoger beroep worden afgewezen. Schorsing van de zorgregeling is niet in [minderjarige 1] belang. Door de verstoorde omgang met de vader zit [minderjarige 1] klem. Daarbij is er geen reden voor minder contact tussen de vader en [minderjarige 1] . De dynamiek tussen hen is goed en ook nu zij minder bij de vader is, komt zij nog wel spontaan langs. De vader begrijpt dat het niet direct mogelijk is om de reguliere zorgregeling met [minderjarige 1] te hervatten. Hij wil daarom een herstelgesprek met [minderjarige 1] voeren, maar dat komt niet van de grond. De inmenging van het Stadsteam bemoeilijkt de situatie. De vader kan zich niet vinden in het rapport van het Stadsteam; daarin wordt hij negatief neergezet en wordt enkel moeders kant belicht. Ook zou het Stadsteam met het contactherstel aan de slag gaan, maar zijn daartoe nog altijd geen concrete stappen gezet. De vader staat nu aan de zijlijn en het is belangrijk dat het contact tussen de vader en [minderjarige 1] weer structureel plaatsvindt.
Het advies van de raad
5.7
De raad heeft ter zitting in hoger beroep het volgende verklaard. Beide ouders zijn in staat tot goed ouderschap. Het is echter problematisch dat zij over en weer veel verwijten en beschuldigingen naar elkaar maken. Daardoor zitten de kinderen klem tussen de ouders en dat is schadelijk voor hen. Dat is mogelijk ook de reden waarom [minderjarige 1] de vader van zich afduwt. De kinderen zijn kwetsbaar en hebben meer dan gemiddeld ondersteuning nodig bij hun ontwikkeling en schoolgang. Hoewel er in principe weinig contra-indicaties zijn voor de zorgregeling zoals de rechtbank heeft vastgesteld, is het vanwege [minderjarige 1] kwetsbaarheid belangrijk om naar haar te luisteren. Door [minderjarige 1] te dwingen om volgens de zorgregeling naar de vader te gaan ontstaat het risico dat bij haar zoveel weerstand ontstaat dat de band met de vader, en mogelijk ook met de moeder, onder druk komt te staan. De raad ziet niet dat sprake is van ouderonthechting, zoals de vader stelt, nu er wel contact is en [minderjarige 1] de vader ook wil zien. De ouders verschillen van visie en hebben andere opvoedstijlen. Het is voor de kinderen van belang dat de ouders zich inzetten om desondanks een manier van samenwerking te vinden. Het ouderschapstraject Solo Parallel Ouderschap zou daarin een eerste stap kunnen zijn. Daarnaast zou het steunend zijn als beide ouders individuele hulp krijgen, zoals het Stadsteam ook heeft voorgesteld. De raad adviseert het hof te bepalen dat het Stadsteam de regie krijgt over uitbreiding van het contact tussen de vader en [minderjarige 1] , met afspraken over vaste momenten. Als het contact weer is opgebouwd, kan de door de rechtbank vastgestelde regeling worden voortgezet. Ten aanzien van de zorgregeling voor [minderjarige 2] adviseert de raad om de bestreden beschikking te bekrachtigen.
De beoordeling door het hof
5.8
Uit de stukken en wat op de zitting is besproken is het volgende gebleken. De ouders zijn in mei 2024 gescheiden. De vader is in de voormalig echtelijke woning blijven wonen. De moeder heeft een andere woning gevonden. Er is sprake van een aanhoudende strijd tussen de ouders, die het gevolg is van hun ex-partnerproblematiek. Zij maken over en weer beschuldigingen naar elkaar en er is sprake van wederzijds wantrouwen. Bij de ouders en de kinderen is verschillende hulpverlening betrokken in het vrijwillig kader, vanwege de zorgen die als gevolg van de ex-partnerproblematiek van de ouders bestaan. Er zijn de afgelopen jaren meerdere meldingen bij Veilig Thuis gedaan, waaronder in januari 2026 een melding door de school van de kinderen. Reden daarvan waren de ernstige zorgen van de school over onder meer de thuissituatie van de kinderen, hun veiligheid, hun emotioneel welzijn en veelvuldig schoolverzuim. Veilig Thuis heeft die melding overgedragen aan het Stadsteam. De ouders en kinderen krijgen hulp van het Stadsteam van de gemeente [plaats A] , onderdeel van Stichting “Iedereen telt mee” (SITM). Het Stadsteam/SITM heeft recentelijk een verzoek bij de raad ingediend om een beschermingsonderzoek uit te voeren. Tijdens de zitting bij het hof heeft de raad verklaard dat dat verzoek op 19 mei 2026 tijdens een schakeloverleg zou worden besproken. Verder zijn de ouders onlangs aangemeld bij Parlan voor een ouderschapstraject, Solo Parallel Ouderschap. [minderjarige 1] heeft dagbesteding bij [X] , een zorgboerderij.
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de eerder geldende voorlopige zorgregeling als definitieve zorgregeling vastgelegd. Daarnaast is een vakantieregeling vastgesteld met een verdeling ongeveer bij helfte. Ter zitting is naar voren gekomen dat de zorg- en vakantieregeling ten aanzien van [minderjarige 2] wordt uitgevoerd. Wat betreft [minderjarige 1] is vanaf
31 oktober 2025 een verstoring ontstaan in het contact met de vader. Zij wil sindsdien niet volgens de geldende zorg- en vakantieregeling bij de vader zijn en zij ziet hem één à twee keer in de week op haar eigen initiatief. Het Stadsteam ondersteunt [minderjarige 1] daarbij.
5.9
Ten aanzien van de reguliere zorgregeling overweegt het hof als volgt. Het hof ziet dat de verhouding tussen de ouders ernstig is verstoord en zich kenmerkt door onderling wantrouwen. De ouders maken zich over en weer zorgen over de opvoedsituatie bij de ander. Het hof acht, net als de raad, beide ouders in staat een goede opvoedomgeving te bieden aan de kinderen en ziet geen aanwijzingen dat dat niet zo zou zijn. Naar het oordeel van het hof is er geen aanleiding om de omgang tussen de moeder en de kinderen in frequentie te verminderen, zoals de vader heeft verzocht. Wel ziet het hof dat het de ouders onvoldoende lukt om hun gezamenlijk ouderschap op een voor de kinderen voorspelbare en veilige wijze in te vullen. De strijd tussen de ouders staat nu op de voorgrond. De kinderen worden daarmee belast en zitten klem tussen hen. Vooral bij [minderjarige 1] is dat duidelijk gebleken. Bij haar is weerstand ontstaan om volgens de zorgregeling zoals door de rechtbank is vastgesteld naar de vader te gaan. Zij wil op dit moment minder vaak naar de vader en zij wil zelf het initiatief nemen in het contact. Het hof acht het van belang om goed te luisteren naar [minderjarige 1] . Het forceren van meer contact zal naar verwachting tot meer weerstand bij [minderjarige 1] leiden, hetgeen de raad ook naar voren heeft gebracht. De kans bestaat dat de band die [minderjarige 1] met haar vader heeft dan onder druk komt te staan. Het hof is van oordeel dat het op dit moment beter is om [minderjarige 1] rust en ruimte te gunnen in het contact met de vader, zodat daarop minder druk rust en bij haar weer meer draagvlak kan ontstaan voor de omgang. Daarbij is het steunend als de opbouw van het contact in haar eigen tempo en op een voor haar passende manier wordt vormgegeven. Wel is het belangrijk dat het contact dat er reeds is, te weten één à twee contactmomenten per week, blijft bestaan en dat er daadwerkelijk een opbouw in het contact plaatsvindt. Daarbij is nodig dat [minderjarige 1] daarin, gelet op haar leeftijd, sturing krijgt. Het hof bepaalt daarom dat de betrokken hulpverlening, te weten het Stadsteam, [minderjarige 1] begeleidt in de verdere opbouw van het contact. Het hof is gebleken dat de laatste contactmomenten tussen de vader en [minderjarige 1] goed zijn verlopen en dat onlangs ook weer een overnachting heeft plaatsgevonden. Het hof heeft de verwachting dat die lijn wordt voortgezet, zodat het contact uiteindelijk weer volgens de zorgregeling zoals vastgesteld door de rechtbank kan plaatsvinden. Gelet op het voorgaande zal het hof de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] wijzigen, in die zin dat er minstens één contactmoment per week is en de opbouw in de frequentie van het contact tussen de vader en [minderjarige 1] onder begeleiding van het Stadsteam plaatsvindt, zodat zo spoedig mogelijk sprake kan zijn van twee of meer contactmomenten. De betrokkenheid van het Stadsteam is nodig om [minderjarige 1] te ondersteunen, zodat de verantwoordelijkheid voor het contact en de frequentie ervan niet bij haar ligt. Het Stadsteam kan [minderjarige 1] begeleiden om het contact tussen haar en de vader, naarmate daarvoor bij haar meer draagvlak bestaat, verder uit te breiden. Het hof acht het Stadsteam goed in staat om die hulp te bieden en ziet niet dat sprake is van de bezwaren die de vader aanvoert tegen de inzet van hulp vanuit het Stadsteam. Daarbij is het doel van de inzet van het Stadsteam juist om het belang van de kinderen te waarborgen. Wat betreft [minderjarige 2] is gebleken dat de zorgregeling met de vader goed verloopt. Het hof zal daarom de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 2] bekrachtigen. Wel is het ook voor [minderjarige 2] , evenals voor [minderjarige 1] , nodig om niet langer te worden belast met de strijd tussen de ouders. De ouders hebben daarbij een belangrijke taak, namelijk om te stoppen met het over en weer beschuldigen en diskwalificeren van elkaar. Het hof benadrukt dat het in de handen van de ouders ligt om de ontwikkeling van de kinderen veilig en zo onbezorgd mogelijk te laten verlopen, onder meer door onbelast contact met de andere ouder mogelijk te maken. Daarbij is nodig dat hulpverlening wordt ingezet. Dit is reeds het geval, nu het Stadsteam is betrokken voor hulp voor de ouders en kinderen. Daarbij heeft de situatie ook de aandacht van de raad, die ten tijde van de zitting in hoger beroep voornemens was te onderzoeken of een beschermingsonderzoek geïndiceerd is. Gelet op het voorgaande zal het hof de verzoeken van de ouders die zien op de reguliere zorgregeling, in principaal en incidenteel hoger beroep, afwijzen. Het voorgaande leidt er ook toe dat het hof het verzoek van de vader tot het opleggen van een dwangsom zal afwijzen.
Verdeling van de vakanties en feestdagen
De standpunten
In principaal en incidenteel hoger beroep
5.1
De vader is het niet eens met de vakantieregeling die de rechtbank voor tijdens de zomervakantie heeft vastgesteld. Die regeling moet worden gewijzigd zodat de kinderen in plaats van twee weken drie weken bij ieder van de ouders zijn. De kinderen moeten eerst even kunnen acclimatiseren bij de andere ouder, voordat zij weer op vakantie gaan. Ook leent een vakantie van twee weken zich er moeilijk voor om met de auto naar het buitenland te gaan.
5.11
De moeder stelt dat de vakantieregeling vooralsnog niet moet worden uitgevoerd. Dat vanwege de nieuwe situatie ten aanzien van [minderjarige 1] . Dat maakt dat de door de vader verzochte aanpassing van de vakantieregeling problematisch zou zijn. Verder wenst de vader wijziging van de vakantieregeling omdat hij zelf langer weg wil gaan, maar hij houdt daarbij geen rekening met de behoeftes van de kinderen.
De beoordeling door het hof
5.12
Het hof merkt allereerst op dat het petitum van de vader afwijkt van zijn grief die ziet op de verdeling van de vakanties en feestdagen. De vader heeft in zijn petitum verzocht om te bepalen dat de kinderen bij de moeder verblijven gedurende de door de rechtbank bepaalde vakanties en feestdagen. In zijn grief heeft de vader echter verzocht om de regeling tijdens de zomervakantie te wijzigen, in die zin dat de kinderen drie weken bij de ene ouder verblijven en drie weken bij de andere ouder. Het hof gaat er op grond van de grief van de vader vanuit dat hij heeft willen verzoeken om de regeling tijdens de zomervakantie te wijzigen. De moeder heeft dat ook zo begrepen en is inhoudelijk op vaders grief ingegaan.
5.13
Ten aanzien van de vakantieregeling voor [minderjarige 2] overweegt het hof als volgt. De rechtbank heeft overwogen dat een zomervakantie van drie weken bij een ouder, zonder de andere ouder te zien, te lang is voor de kinderen (in dit geval [minderjarige 2] ). Naar het oordeel van het hof is er geen aanleiding om daarvan af te wijken en is de huidige vakantieregeling in het belang van [minderjarige 2] . Het hof zal het verzoek van de vader dan ook afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen. Ten aanzien van [minderjarige 1] verwijst het hof naar hetgeen is overwogen bij 5.9, waaruit blijkt hoe de omgang tussen [minderjarige 1] en de vader eruit zal zien. Zodra de oorspronkelijke zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] met de vader weer grotendeels wordt uitgevoerd, geldt ook voor haar weer de vakantie- en feestdagenregeling.
Hoofdverblijfplaats
Het wettelijk kader
5.14
Op grond van het hiervoor genoemde artikel 1:253a BW kan de rechter een beslissing nemen over de hoofdverblijfplaats van een kind.
De standpunten
5.15
De vader vindt dat de rechtbank ten onrechte de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder heeft bepaald. De moeder beschikt niet over stabiele huisvesting, nu zij haar woning binnen afzienbare termijn moet verlaten. Daarnaast handelt zij niet in het belang van de kinderen en het vaststellen van hun hoofdverblijf bij de vader is nodig om een signaal af te geven dat haar gedrag niet toelaatbaar is. De moeder is onvoldoende beschikbaar om praktische zaken voor de kinderen te regelen. Zij is nauwelijks bereikbaar voor school en heeft de afgelopen tijd twee keer een schooloverleg gemist. De vader is daarentegen altijd in de gelegenheid om er voor de kinderen te zijn. Ook laat de moeder vaak na informatie aan de vader te verstrekken over gewichtige aangelegenheden rondom de kinderen en heeft hij door haar toedoen geen toegang meer tot de medische dossiers van de kinderen. De moeder meent dat zij door de vaststelling van het hoofdverblijf bij haar hoofdverzorger is van de kinderen en neemt eenzijdige beslissingen over hen. Er moet tenminste onderzoek door de raad worden gedaan naar de vraag waar de kinderen hun hoofdverblijfplaats moeten hebben.
5.16
Volgens de moeder heeft de rechtbank op juiste gronden de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar bepaald. De hoofdverblijfplaats is vooral een administratieve kwestie en de vader heeft geen belang bij vaststelling daarvan bij hem. Overigens is hetgeen de vader verder aanvoert onjuist. De moeder heeft, anders dan de vader beweert, stabiele huisvesting en is geen sprake van tijdelijke huur. Daarnaast heeft de moeder altijd het grootste deel van de zorgtaken voor de kinderen op zich genomen en dat doet zij nog steeds. Verder heeft zij de vader nooit informatie ontzegd en probeert zij hem juist te voorzien van alle relevante informatie, die hij ook zelf kan opvragen, en hem te betrekken bij de beslissingen over de kinderen.
Het advies van de raad
5.17
De raad adviseert de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen. Beide ouders zijn voorstander van co-ouderschap en de bedoeling is dat dat ook ten aanzien van [minderjarige 1] op termijn weer kan worden voorgezet. Verder is de moeder verplicht om de vader te informeren.
De beoordeling door het hof
5.18
Het hof ziet geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van de kinderen te wijzigen naar de vader. Op grond van de door het hof vastgestelde zorgregeling zal [minderjarige 1] , totdat het contact met de vader weer volledig hersteld is, meer bij de moeder zijn. Daarbij ligt het in de rede dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de moeder is. Er is geen reden om ten aanzien van [minderjarige 2] een andere hoofdverblijfplaats te bepalen. Verder heeft de vader niet aannemelijk gemaakt dat de moeder niet over stabiele huisvesting beschikt. Hetgeen de ouders over en weer hebben aangevoerd over de kosten voor de verzorging en opvoeding van de kinderen ligt niet meer voor, zoals bij 5.20 wordt toegelicht, zodat dat niet langer aan de orde is bij de beslissing over de hoofdverblijfplaats. Verder bestaat tussen de ouders discussie over de informatie die de moeder verstrekt aan de vader over de kinderen, nu zij meer post en e-mails ontvangt over de kinderen door hun inschrijving op haar adres. Het hof overweegt dat, hoewel de communicatie tussen de ouders moeizaam verloopt, is gebleken dat zij wel met elkaar kunnen overleggen. Het ligt dan ook op de weg van de ouders om elkaar waar nodig over en weer te informeren over zaken rondom de kinderen en het hof acht de ouders daar ook goed toe in staat. Daarbij hebben de ouders een gezamenlijk mailadres dat zij hiervoor kunnen gebruiken. Ook kan de vader als gezag dragende ouder, evenals de moeder, zelf informatie opvragen. Het hof zal het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.
Verzoek gelasten deskundigenonderzoek
5.19
De vader heeft verzocht om een deskundigenonderzoek te laten doen naar de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. De moeder staat achter de uitvoering van een raadsonderzoek, omdat daarmee goed naar de stem van de kinderen kan worden geluisterd. Zij is het niet eens met de andere vormen van deskundigenonderzoeken die de vader heeft verzocht. Het hof overweegt dat het zich, zoals volgt uit de hiervoor gemotiveerd genomen beslissingen, op grond van de stukken in het dossier en wat is besproken ter zitting in hoger beroep voldoende voorgelicht heeft geacht om een beslissing te nemen. Om die reden bestaat geen noodzaak om een deskundigenonderzoek te gelasten naar de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. Dit (subsidiaire) verzoek van de vader zal dan ook worden afgewezen.
Kinderalimentatie
5.2
Ter zitting in hoger beroep heeft de vader zijn verzoek met betrekking tot de kinderalimentatie ingetrokken in het geval dat het hof in deze zaak een eindbeslissing neemt. De vader heeft zijn verzoek gehandhaafd indien het hof de zaak zou aanhouden. Zoals toegelicht bij 5.19 houdt het hof de zaak niet aan. Het hof maakt uit de verklaringen van de vader ter zitting op dat hij de gronden van het verzoek met betrekking tot de kinderalimentatie niet handhaaft, zodat de door hem op dit punt aangevoerde grief geen bespreking meer behoeft.
Voorlopige voorzieningen (200.364.992/02)
5.21
De vader heeft verder verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van de procedure zijn initiële verzoeken in de hoofdzaak toe te wijzen. Nu het hof in de hoofdzaak tot een eindbeslissing komt ten aanzien van de geschilpunten tussen de ouders, heeft de vader geen belang meer bij een afzonderlijke beoordeling van zijn verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen. Het hof zal de vader daarom niet ontvankelijk verklaren in het verzoek.
5.22
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep (zaaknummer (200.364.992/01):
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de zorg- en vakantieregeling van [minderjarige 1] met de vader, en opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat als zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] geldt dat tussen hen minimaal één contactmoment per week plaatsvindt en het contact verder wordt opgebouwd onder begeleiding van het Stadsteam, met inachtneming van hetgeen bij 5.9 is overwogen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;
in het incident (zaaknummer 200.364.992/02):
wijst het verzoek van de vader tot het treffen van voorlopige voorzieningen af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. P.F.E. Geerlings en
mr. J. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. B.F. Beijderwellen als griffier en is op
9 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.